Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Is de islamitische openbaring uniform? Wordt deze door alle gelovigen op dezelfde manier geïnterpreteerd? Hoe denken anderen zoals de Arabist HANS JANSEN over de islam?
Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Nov 21, 2016 11:31 pm

INLEIDING

De vraag is wat tweehonderd jaar onderzoek naar de Abrahamistische religies nu werkelijk heeft opgeleverd. Zeker, vele publicaties hebben inzichten verschaft die voorheen niet aanwezig waren. Vondsten als de Dode Zee-rollen, een verzameling rollen geschreven tussen de derde eeuw voor en eerste eeuw na Christus, hebben verbluffende inzichten verschaft op het ontstaan van het vroege Jodendom en het Christendom. Tegelijkertijd zien we dat op dat moment er wel bijzonder weinig synagoges zijn in Palestina en dat de Hebreeuwse intellectuele gemeenschap voornamelijk actief is in Alexandrië. Ook is de oudste versie van het belangrijkste Joodse gebed, Shema Israël, hoogst waarschijnlijk afkomstig uit Fayym, een oase en stad 100 kilometer ten zuidwesten van Caïro. Dit alles wil niet zeggen dat de traditionele overleveringen niet kloppen; het is slechts een voorbeeld van patronen die nooit zijn onderzocht.

In 2015 werd een stokoud koranhandschrift onderzocht dat mogelijk dateert van voor de veronderstelde geboortedatum ban de profeet Mohammed. Met de C-14 methode is dit manuscript gedateerd tussen de jaren 568 en 645 en verwacht wordt dat dit fragment een grote rol in het revisionistische debat over het ontstaan van de Islam gaat spelen. Alhoewel de meeste revisionisten een westerse achtergrond steunt een meerderheid in het Westen nog steeds de zienswijze van de Islamitische traditie. Het grote probleem voor traditionalisten is dat er geen archeologisch of andersoortig bewijs is voor het orthodoxe verhaal.

Dat westerse Islamologen, historici en anderen liever hun tijd besteden aan het bestrijden van vernieuwende of afwijkende visies dan aan de vraag waarom er geen bewijs is duidt op een heel groot onderliggend probleem. Grote nieuwe rijken of ideologieën komen niet zomaar uit het niets te voorschijn, zeker in een tijd waarin alles vele malen langzamer verliep dan tegenwoordig. Machthebbers zijn pragmatisch en gebruikten religie in de antieke tijd vooral om hun eigen positie te bestendigen en te versterken. Tegelijkertijd proberen religieuze stromingen zich altijd in het staatsbestel te wurmen om via het onderwijs en cultuur nieuwe aanhang te verwerven en controle uit te kunnen oefenen. Ligt het dan ook niet voor de hand om hier het onderzoek te starten?

Veelal beginnen onderzoeken naar het ontstaan van Abrahamistische religies, zowel revisionistisch als traditioneel, binnen een bepaald vakgebied. Daarnaast zijn het onderzoekers die de wetenschap gebruiken om het eigen gelijk te bewijzen. U wilt een voorbeeld? Over de historische Jezus zijn hele encyclopedieën geschreven terwijl alles is terug te leiden naar slechts een aantal zinnetjes in de werken van de Romeinse historici Tacitus en Josephus. Maar ook hier is de onderzoeker kwetsbaar voor manipulatie. De Orthodoxie nam maar al te graag klassieke werken onder hun hoede die aan de hand van een 'zorgvuldig' kopieerproces werden doorgegeven aan de volgende generatie. Aangezien in de meeste gevallen de originele werken niet meer beschikbaar zijn is manipulatie van teksten mogelijk en zijn tekstuele wijzigingen moeilijk bewijsbaar.

Onderzoek naar de Islam treft precies hetzelfde probleem. Tussen de geboorte van de profeet Mohammed en het verschijnen van zijn biografie zit ene periode van 270 jaar. Volgens de traditie heeft een lange lijn van overleveraars generaties lang de grote gebeurtenissen rond Mohammed mondeling doorgegeven aan de volgende. En dat gebeurde niet zomaar. Elke nieuwe generatie overleveraars kent meer voorgaande overleveraars én heeft ook meer kennis van voorgaande gebeurtenissen dan de huidige. Als de Koran bijvoorbeeld een confrontatie tussen twee partijen meldt dat is dan driehonderd jaar later uitgegroeid tot een complete veldslag met familiestambomen voor de commandanten, beschrijvingen van de tactiek en strategie, verliescijfers en nasleep. De onderliggende suggestie is dat overleveraars in hun vroomheid overdrijven en op eigen wijze de overlevering rechtvaardigen. Een analogie met vorstenhuizen uit de Middeleeuwen levert een treffende indicatie op: heersers maakten veelvuldig gebruik van historici en schrijvers om aan de hand van gefabriceerde stambomen hun bewind te legitimeren en te rechtvaardigen.

In beide scenario's werkt de onderzoeker waarschijnlijk met data die niet te verifiëren is aan de hand van archeologische bestanden of andersoortig bewijs. Ligt het dan niet voor de hand om eerst aan te nemen dat deze gebeurtenissen niet hebben plaatsgevonden totdat het tegendeel bewezen kan worden? Desondanks worden tal van Islamitische historici geciteerd in allerlei standaardwerken en beschouwt men deze bronnen als betrouwbaar en authentiek. Laten we deze problematiek nu eens formeel omschrijven.

Het grote probleem in sociale en aanverwante wetenschappen is circulaire argumentatie. Wetenschapper John van Seeters onderzocht hoe oude vertellingen zich verhouden tot de historische context en literaire ontwikkelingen. Hij concludeert dat (te) vaak onderzoekers eerst een 'sociale en historische context definiëren' om vervolgens 'historische bronnen te selecteren die passen binnen deze context'. En omdat deze bronnen passen wordt dus bevestigd dat deze context realistisch en bewijsbaar is. Dit is wat je noemt circulaire bewijsvoering, het voortdurend herkauwen van argumenten met de wetenschapper als papegaai in zijn eigen discours.

Circulaire bewijsvoering is lang, en misschien nog steeds, toonaangevend geweest in wetenschapsgebieden die het ontstaan en de vroegste periode van de Islamitische tijdslijn onderzoeken. Oriëntalisten laten zich bij het selecteren van bronnen en het definiëren van de historische context waarin het onderzoek zal plaatsvinden gaarne leiden door het gewicht van Islamitische bronnen. Dit is enigszins vergelijkbaar met scorelijsten voor het aantal malen dat een wetenschappelijk auteur wordt geciteerd door collega's. Blijkbaar maakt het niet uit dat de vroegste Islamitische werken pas heel laat verschijnen en vrijwel niet met andere eigentijdse teksten kunnen worden gevalideerd of gefalsificeerd. Veelal volgt de traditionele bewijsvoering hetzelfde en simpele patroon: één enkele oorspronkelijke bron beschrijft een gebeurtenis waarna latere bronnen stapsgewijs deze gebeurtenis van meer duiding en context voorzien. Dit proces van herhaling en herhaling heeft de Islamitische traditie een vorm van natuurlijke autoriteit gegeven die door velen is geïnterpreteerd als authenticiteit. De uiteindelijke consequentie is dan dat weinigen twijfelen aan de waarde van deze traditionele bronnen en dus dezelfde fout begaan door traditionele contexten voortdurend verder uit te werken.

Een ander groot probleem is het gebrek aan interdisciplinaire benaderingen. Waar al halverwege de twintigste eeuw vele onderzoeksgroepen werden samengesteld met experts uit verschillende vakgebieden werken wetenschappers, die onderzoek doen naar de het ontstaan van de Islam, nog veelal solistisch of met collega's uit het eigen vakgebied. Dit leidt tot vernauwing, vergroot de kans dat het onderzoek uiteindelijk niet veel meer is dan een stapeling van hypotheses en wordt verworpen door onderzoekers uit andere vakgebieden.

Circulaire bewijsvoering, wat wij zelf zullen duiden als vicieuze bewijsvoering, zorgt natuurlijk wel voor het sluiten van de gelederen. Vernieuwende theorieën, botsend met heersende overtuigingen binnen het Oriëntalisme en de Islamologie worden niet zozeer verworpen met inhoudelijke of technische argumenten maar eerst bestempelt als revisionistisch en vervolgens geïsoleerd in een cordon sanitair. De overeenkomsten met politiek zijn overduidelijk: ook in de wetenschap draait het om macht en voortbestaan van de eigen of groepsovertuiging.

U vraagt zich nu misschien af hoe dat in de praktijk werkt. Traditionele onderzoeken naar het ontstaan van de Islam presenteren met grote stelligheid tijdslijnen zonder dat er ook maar één Islamitisch document (naast de Koran) is gedateerd tussen de periode 570 en 840. Pas vanaf het einde van de achtste eeuw of begin van de negende eeuw worden Koranische inscripties gebeiteld in Arabische gebedshuizen en openbare gebouwen. De Koran zelf is onbekend met concepten als de Islamitische geloofsbelijdenis, moslims, een Arabisch Rijk dat onder Islamitisch gezag staat of zelfs maar de indicatie dat de Islam vorm geeft aan denkbeelden die in dit boek worden geformuleerd. De Koran spreekt daartegen van de terugkeer naar Abraham, de juiste geloofshouding zoals die door de Hanifa wordt uitgeoefend, de overgave van de gelovige aan de wil van God en de afwijzing van de drie-eenheid omdat God alleen kenbaar is als één. De Koranische god is één en zetelt in het huis van God.

De assumptie dat vanuit een dorre uithoek in de woestijn waar niets groeit of bloeit en bijna niemand woont (nou ja, een paar nomaden dan die in leer handelen) een wereldrijk kan ontstaan is vergelijkbaar met elke theorie over groene mannetjes uit Mars die de aarde komen veroveren. Dat Oriëntalisten, op enkele revisionisten na, bijna twee eeuwen lang deze traditie als uitgangspunt hebben genomen en stellen dat op deze wijze de Islam ontstond in het licht van de geschiedenis (concreet, verifieerbaar, meetbaar) indiceert dus een groot onderliggend probleem binnen de sociale wetenschappen: enerzijds circulaire argumentatie en anderzijds het onvermogen om de juiste vragen te stellen.

Uw scepticisme over dit alles is begrijpelijk. Bedrog op deze schaal is moeilijk voor te stellen. Maar denk even terug naar de afloop van de Tweede Wereldoorlog: Hitler had slechts tien jaar nodig om kindsoldaten op te leiden die wilden sterven voor de mythe van het Arische ras. Hoe zou dat zijn bij een opkomende beschaving die drukdoende is om een eigen schrift te ontwikkelen? Is dat niet het ideale moment om een gemeenschappelijke afkomst en doel te propageren en daar stapsgewijs naartoe te werken?

Zoiets doe je bij voorkeur met een recept dat zich al talloze malen eerder heeft bewezen. Eerst komt de Messiaanse boodschap, dan de Messiaanse boodschapper en tenslotte de apocalyps en verdoemenis voor andersdenkenden. Het is amusant om een vergelijking te maken met de Amerikaanse presidentsverkiezingen: het is niet moeilijk voor te stellen dat indien deze verkiezingen in de Klassieke Oudheid hadden plaatsgevonden de Clintons nu een profetische statuur zouden hebben en een lijn van hogepriesters hadden voortgebracht. Het begint met het controleren van de communicatiekanalen, de culturele elite en het gepeupel zodat je ietwat hoger opgeleiden (in de antieke periode zijn dit de ambachtslieden, filosofen, schrijvers etc.) van alle kanten onder druk kunt zetten en resumeert in een moreel kader dat iedereen de maat neemt. Op precies deze wijze is bijvoorbeeld het Christendom geïntroduceerd in het West-Romeinse Rijk, als speeltje van een rijke elite die via de Keizer voortdurend nieuwe filosofieën op rijksniveau poogden te introduceren.

Hoe intellectuele kortsluiting er in de praktijk uitziet blijkt wel uit de vragen en conclusies die worden getrokken na de vondst van het eerder genoemde stokoude koranhandschrift in 2015. Enerzijds concluderen traditionalisten dat hieruit blijkt dat de Koran authentiek en onveranderlijk is; alsof met de vondst van één manuscript de consistentie van een eeuwenoud kopieerproces en authenticiteit van een boek garandeert. Anderzijds zou de Koran ouder kunnen zijn dan de profeet Mohammed en dan kan hij moeilijk de auteur zijn geweest. Alsof het niet mogelijk zou zijn, bij gebrek aan feiten en zekerheden, om de traditionele tijdslijn enige jaren te verschuiven zodat alles weer past.

Schatplichtigheid
Recentelijk hebben meerdere auteurs nieuwe theorieën over het ontstaan van de Islam gelanceerd. Als lezer bent u misschien bekend met het werk van auteurs als Tom Holland, Karl-Heinz Ohlig, Ibn Warraq of Nevo and Koren. Het is de vraag of deze publicaties nu echt nieuwe inzichten verschaften of meer gericht waren op andere methodieken.
Aan het einde van de jaren zeventig publiceerde John Wansbrough twee baanbrekende werken over het onstaan van de Islam. In zijn Quranic Studies: Sources and Methods of Scriptural Interpretation onderzocht hij de Koran met dezelfde methodieken en instrumenten die eerder werden toegepast bij Bijbelonderzoek.
In zijn The Sectarian Milieu: Content and Composition of Islamic Salvation History onderzoekt Wansbrough de relatie tussen tussen vroeg Islamitische historiografie en haar sectarische omgeving. Hoe onbekend was het verleden voor vroeg Islamitische historici? Hoe kozen zij uit het beschikbare materiaal om tot een reconstructie van dat verleden te komen? En hoe subjectief waren deze geschiedschrijvers? Was hun eigen wereldbeeld bepalend of van grote invloed bij deze reconstructie? Het is vrijwel onmogelijk om deze vragen te beantwoorden omdat over het leven van de vroegste Islamitische theologen en historici ook vrijwel niets bekend is.

In ieder geval was de benadering van Wansbrough vernieuwend, baanbrekend en zo nu en dan provocatief. Hij poogde op systematische wijze te onderzoeken hoe de aan vroeg Islamitische schriftuur toegekende autoriteit kon bijdragen aan het ontstaan van een onafhankelijk en zelfbewuste religieuze gemeenschap. Daarbij heeft Wansbrough bijzondere aandacht voor literaire overeenkomsten met en verbanden tussen de pre-islamitische omgeving en de joods-christelijke geschiedschrijving.

Voor Wansbrough schreven andere Oriëntalisten, zoals Theodor Nöldeke al over de onmiskenbare afhankelijkheid van vroeg Islamitische literatuur op joods-christelijke motieven. Andere auteurs, zoals Arthur Jeffery, hadden al overtuigend de invloed van andere talen op koranische teksten aangetoond. John Wansbrough ging echter veel verder: hij veronderstelde dat mogelijk een pre-islamitische entiteit bestond die het ontstaan van de Islam sterk heeft beïnvloed. Daarmee legde hij mede de basis voor de wijze waarop de hedendaagse wetenschap onderzoek doet naar het ontstaan van de Islam.

Gerald R. Hawting stelt dat Wansbrough hint op een religieuze elite die in staat was om de oorspronkelijke Arabische staat, aanvankelijk zonder religieuze (staats)doctrine, te koppelen aan aan het ontstaan van de Islam zodat het ontstaan van de Arabische Staat samenvalt met de komst van de Islam. Wansbrough veronderstelt dat 'op een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden' een nieuwe religieuze gemeenschap ontstaat vanuit een gefragmenteerd sektarisch milieu. In zijn optiek gebeurde dat niet in de zevende eeuw op het Arabisch schiereiland maar elders in de achtste en negende eeuw.

Uiteraard hebben er grootse gebeurtenissen plaatsgevonden en zijn er veel aanwijzingen dat de spirituele boodschap van de Koran authentiek is met Mohammed als intermediair. Om een paar voorbeelden te geven: Fred Donner heeft authentieke brieven gevonden waarin de namen van Mohammed's familieleden voorkomen. De Doctrina Iacobi, een onafhankelijke Griekse bron (634-640) doet verslag van een ontmoeting met Mohammed. Maar aanwijzingen zijn niet natuurlijk niet voldoende en hebben tot nu toe geen logisch kader geboden om alle gebeurtenissen rond het ontstaan van de Islam te kunnen begrijpen, te ordenen en onderling te verbinden. Dit gezegd hebbende kan nu de doelstelling van dit onderzoek worden gedefinieerd: het opstellen van een sluitende en logische tijdslijn.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Za Jan 14, 2017 7:59 pm, 13 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Hoofdstuk 1 De taal van de Koran

Berichtdoor Wilfred » Di Nov 22, 2016 1:43 pm

Hoofdstuk 1 De taal van de Koran

Introductie
Twee zeer oude Koranische manuscripten zijn door de Universiteit van Birmingham in 2015 onderzocht op authenticiteit. Een Carbon-14 test dateert dit koranhandschrift van tussen de jaren 568 en 645 en is daarmee veel ouder dan andere fragmenten die eerder zijn onderzocht. Eerdere soortgelijke onderzoeken, zoals dat in Leiden, dateren koranfragmenten tussen 650 en 715. Het blijft overigens onzeker hoe oud de inkt is. Aangezien bij een Carbon-14 test het oorspronkelijk materiaal verloren gaat is alleen een niet beschreven gedeelte onderzocht. Het is daarom (theoretisch) mogelijk dat de inkt van een veel latere datum is dat het perkament.

Relevant voor dit onderzoek is dat dit koranhandschrift is geschreven in monumentaal Arabisch Hijazi script en nog steeds goed leesbaar is. In het midden van de negentiende eeuw lanceerde Oriëntalist Amari de term Hijazi voor de schrijfstijl zoals deze werd gepraktiseerd in Mekka en Medina, beide gelegen in de Hijaz. Deze term is misleidend aangezien, met uitzondering van het uiterste noordwesten van Saoedi-Arabië, nooit koranfragmenten met deze schrijfstijl zijn gevonden in Mekka, Medina of de Hijaz. Veruit de meeste fragmenten met deze schrijfstijl zijn gevonden in Damascus, Fustat (Egypte) of San'a (Jemen).

In Damascus, destijds onderdeel van Arabia Petraea, vinden we na het begin van de vijfde eeuw meer en meer Arabische teksten die met letters uit het Syro-Aramese alfabet of met letters uit het Griekse alfabet worden geschreven. Er worden volop pogingen gedaan om voor de Arabische bevolking in Palestina en Syrië een eigen schrift te ontwikkelen. Een fragment van psalm 78, uit het begin van de zevende eeuw en gevonden in de Ummayyad moskee (!) te Damascus, is een Arabische tekst dat qua stijl en grammatica lijkt op de vroegste koranische manuscripten in klassiek Arabisch (Imāla).

Om deze ontwikkelingen te kunnen begrijpen moeten we onderzoeken welke talen aan het begin van de zevende eeuw taalkundig in het Midden-Oosten worden gesproken. Op dit moment in tijd is de Levant en het Arabische schiereiland een complex mozaïek van culturen, religies en talen. Het is een wijdverbreid misverstand dat Arabieren voor de komst van de Islamitische godsdienst analfabeten waren. In de Antieke wereld was de Arabische wereld onderverdeeld in drie geografische regio's: Arabia Felix, Deserta en Petraea. Elke regio had haar eigen linguïstische en literaire traditie.

Afbeelding

In de zuidwestelijke hoek van het Arabisch schiereiland (het moderne Yemen) lag Arabia Felix waar destijds meerdere Zuid-Semitische talen werden gesproken waarvan de Sabeaanse taal de voornaamste was. Het Sabeaanse schrift was een Semitisch schrift dat reeds sinds de bronstijd een eigen ontwikkeling doormaakte en sterk verschilde van de Syro-Palestijnse traditie.
Meer naar het noorden, in wat nu min of meer Saoedi-Arabië is, lag Arabia Deserta. Deze regio was slechts spaarzaam bevolkt. Nomadische stammen tokken rond in de kustvlaktes en hier en daar kon men nederzettingen bij oases aantreffen. Er is geen archeologisch bewijs dat voor de negende eeuw steden van enig formaat in Arabia Deserta bestonden. De dialecten die destijds in deze regio werden gesproken behoren tot de Noord-Semitische talen maar spelen geen rol in het ontstaan van het Klassiek Arabisch. De geschreven cultuur van Arabia Deserta was geleend van Arabia Felix en dus een variant van het epigrafische Sabeaanse schrift.

Verder naar het noorden, in het Syro-Aramese cultuurgebied (dat delen van de Sinaï, Israël, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije en Irak omvatte), lag Arabia Petraea. Deze Provincia Arabia was de Romeinse grensprovincie die als bufferzone diende tegen invallen van Arabische stammen. Deze regio, met als hoofdstad de beroemde woestijnstad Petra, was in de zevende eeuw bijna een millennium lang beïnvloed door de Hellenistische cultuur. De belangrijkste geschreven talen waren het Grieks en verscheidene Aramese dialecten waarbij Syriac domineerde. Grote delen van de bevolking in Arabia Petraea hadden zich bekeerd tot een vorm van het Christendom dat aan het begin van de zevende eeuw in vele smaken voorradig was. Arabia Petraea heeft nu een unieke linguïstische omgeving. Hoewel de meeste teksten uit deze periode kunnen worden toegeschreven aan de Nabateeërs, Palmyrianen en anderen die noch van Griekse of Nabateense afkomst waren zijn er veel inscripties gevonden die van etnisch Arabische oorsprong zijn. Deze situatie is te vergelijken met het Middeleeuwse West-Europa waar destijds het Latijn de geschreven taal was maar de gesproken talen de voorlopers zijn van de talen die hier tegenwoordig worden gesproken.

Algemeen wordt aangenomen dat het Arabische alfabet en taal zich ontwikkelde uit het Nabateense schrift of uit het Syro-Aramees. Voor de komst van de Islam waren Aramese teksten nauwelijks voorhanden ten zuiden van Jordanië en dan alleen in het uiterste noordwesten van het moderne Saoedi-Arabië. In Arabia Felix en Deserta werden andere Semitische talen gesproken. Het is juist in Arabia Petraea waar vroeg Arabische teksten in een Aramees alfabet worden geschreven en soms zelfs met Griekse karakters. Maar veel belangrijker is dat er twee onafhankelijke bronnen zijn die aantonen dat het klassiek Arabisch in Arabia Petraea is ontstaan Enerzijds door duidelijke taalkundige kenmerken die door verschillende talen in het zelfde geografische gebied worden gedeeld als gevolg van culturele diffusie (stapsgewijze vermenging van culturen en talen) en anderzijds door distributie van het Arabische alfabet in de eeuwen die volgen. Indien de Koran daadwerkelijk een product van de Hijaz zou zijn dan zou het geschreven zijn in een andere Noord-Semitische taal met een epigrafisch Zuid-Semitische alfabet. En aangezien dit niet het geval is is er geen linguïstisch bewijs voor de traditionele opvattingen over het ontstaan van de Koran.


De oudste tekst geschreven in het Arabische alfabet dateert uit 512 en werd gevonden in Zabad in het huidige Syrië. Het is een drietalig document geschreven in Grieks, Syro-Aramees (Syriac) en Arabisch. De onderstaande illustratie toont de sterke overeenkomsten tussen het Nabateense alfabet en het oudste Arabische alfabet.

Afbeelding

Het Nabateense alfabet werd voor het eerst gebruikt in de tweede eeuw en was een vorm van Aramees. Nabateeërs spraken zelf een vorm van Arabisch maar hadden geen eigen schrift. Daarom maakten ze gebruik van het Aramees dat in deze eeuw de taal van de handel was. Na de tweede eeuw ontwikkelt het Nabateense alfabet zich in twee vormen: één vorm werd gebruikt voor inscripties en de andere cursieve vorm werd gebruikt voor het schrijven op papyrusrollen. Deze cursieve vorm ontwikkelde zich geleidelijk tot het Arabische alfabet dat later gebruikt zou worden voor de Koran, waarschijnlijk tussen an-Namāra inscriptie uit 328 en de Jabal Ramm inscriptie uit rond 400.

Het Nabateense alfabet onderscheidde 22 verschillende klanken terwijl het Arabisch 28 klanken kent. Foefjes waren dus nodig om een bruikbaar alfabet te ontwikkelen. Het oudst bekende Arabische alfabet kent dan ook 22 letters waarvan 6 letters twee verschillende klanken duiden.

Semitische talen
Semitische talen gebruiken concatenatieve morfologie waarbij karaktersets (de wortel, morfeem) doorgaans zelf geen woord of lettergrepen zijn maar geïsoleerde karaktersets zijn en doorgaans uit drie karakters bestaan, de zogenaamde trilaterale morfologische wortel. Bij Semitische talen worden woorden samengesteld door klinkers tussen de medeklinkers te plaatsen. Bijvoorbeeld de Semitische wortel mlk kan gebruikt worden om equivalente woorden te maken in verschillende Semitische talen zoals Aramees, Arabisch en Hebreeuws. Koning (van stam mlk) wordt dan in het Hebreeuws mĕlĕḵ, in het Arabisch malik en in het Aramees malkā.

Morfemen, een deel van een woord met en eigen betekenis dat niet in kleinere woorddelen met eigen betekenissen kan worden opgesplitst, zijn dus de fundamentele bouwstenen van iedere taal en kunnen binnen een taalgroep vergeleken worden. Morfemen zijn algemeen genomen zeer stabiel en veranderen minder snel dan woorden en klanken. Cruciaal is dat de morfologie van een taal doorgaans betrouwbare informatie levert over de oudere fasen van een taal. Aan de hand van de morfologie kan de opbouw van een woord worden bekeken.

Etymologie
Dit deelgebied van de taalkunde bestudeert de herkomst van woorden en levert eigenlijk een historische verklaring voor de wijze waarop de vorm van het woord tot stand is gekomen. De afgelopen jaren zijn interessante studies verschenen ten aanzien van de etymologische oorsprong van veel Koranische woorden. Niet alleen bevat de Arabische Koran veel buitenlandse woorden (vooral Aramees), het aantal gebruikte woorden of morfemen is zeer beperkt en van veel woorden is niet duidelijk wat ze precies betekenen. Etymologie en morfologie zijn dus bij uitstel disciplines die ons kunnen helpen in dit onderzoek want het Klassieke Arabisch van de Koran is een Semitische taal.

Semitische talen hebben een grote hoeveelheid woorden met een vergelijkbare vorm en betekenis en dus wordt aangenomen dat deze talen uit één en dezelfde brontaal hebben ontwikkeld. In de loop van de tijd ontwikkelden zich binnen verschillende Semitische talen zogenaamde verwante woorden (cognaten) die terug te leiden zijn naar een stamwoord van de brontaal.

Wanneer de Koran gecodificeerd wordt is het Klassiek Arabisch nog een zeer jonge taal met een literaire traditie die iets meer dan 100 jaar omvat. Beter gezegd: los van een paar fragmenten met gedichten is er eigenlijk helemaal geen literaire traditie in het Klassiek Arabisch voordat de Koran wordt gecodificeerd. Het ontbreken hiervan kan verklaren waarom de Koran zoveel anderstalige leenwoorden bevat, de woordenschat relatief klein is maar niet waarom een flink aantal Koranische woorden slechts met veel moeite een betekenis krijgen die niet altijd rijmt met de Islamitische context van de Koran. Het is zonder meer verbazingwekkend dat Arabische geleerden honderden jaren na de codificatie nog bezig waren met het doorgronden van Koranische teksten. En juist daarom zijn er de afgelopen jaren een redelijk aantal publicaties verschenen die hier nieuwe verklaringen voor aandragen.

Ontwikkeling Arabisch alfabet
Het meest merkwaardige van het huidige Arabische alfabet is dat het diakritische tekens nodig heeft om verschillen tussen anders congruente karakters te duiden. Een diakritisch teken is een schriftteken dat onder of door een letter wordt gezet ter aanduiding van de uitspraak, met name voor het apart uitspraken van een letter. Diakritische tekens komen vooral voor in talen die in een ander alfabet werden geschreven zoals bijvoorbeeld de Turkse taal dat vroeger in het Arabische en nu in het Latijnse alfabet wordt geschreven. Het Arabische karakter 'u' kan bijvoorbeeld op vier verschillende manieren worden gebruikt met behulp van schrifttekens: ث (th), ت (t), ن (n) en ي (y). Het Arabische alfabet onderscheidt achttien karakters die met behulp van diakritische tekens worden gebruikt om achtentwintig fonemen te maken. Een foneem verwijst naar een verzameling klanken die allemaal dezelfde betekenisonderscheidende functie hebben.

Het ontstaan van deze fonemen is grotendeels af te leiden uit de overgang van het Aramese alfabet dat uit 22 karakters bestaat naar het alfabet dat het Klassiek Arabisch gebruikt. Aangezien in het cultuurgebied van Arabia Petraea de Arabische bevolking niet kon bouwen op een eigen literaire traditie werd het Aramese alfabet stapsgewijs uitgebouwd om Arabische klankgroepen of fonemen te faciliteren. Hiertoe werden diakritische tekens toegevoegd aan Aramese karakters, een praktijk die werd overgenomen uit de Palmyraanse versie van het Aramees. Tevens duiden het gebruik van Aramese orthografische gebruiken en het markeren van klinkers dat de Arabische taal alleen ontstaan kan zijn in een regio waar Arabieren langdurig zijn beïnvloed door de Aramese cultuur, taal en schriftelijke traditie.

Gebruik van klinkertekens en voordrachttekens
Het gebruik van diakritische tekenen ontstaat aan het einde van de zesde eeuw. Om problemen rond de uitspraak van Hebreeuwse woorden op te lossen voegden de Masoreten klinker en voordrachttekens toe aan originele Hebreeuwse teksten om klanken met verschillende betekenissen beter van elkaar te kunnen onderscheiden.Masoreten waren Joodse geleerden uit de laat Antieke periode en vroege middeleeuwen die een probleem oplosten dat reeds lang in de Hebreeuwse literaire traditie bestond. Aangezien de Joden in de loop der tijd meer en meer Aramees gingen spreken werd de beheersing van het Hebreeuws een rabbinale traditie. Het Hebreeuwse schrift dat (net als andere Semitische talen) een medeklinkerschrift is ontstond steeds meer discussie over de juiste uitspraak en interpretatie van religieuze teksten. Om de 'juiste betekenis' te duiden werden een systeem ontwikkeld van klinkertekens en voordrachttekens bestaande uit puntjes en streepjes die onder en boven de oorspronkelijke letters geschreven werden.

Algemeen wordt aangenomen dat de Masoretische periode ergens begint in de zesde eeuw, waarschijnlijk ergens na het jaar 550. Er is vrijwel niets bekend over de werkwijze van Masoretische geleerden en hoe zij hun methodieken ontwikkelden. De Masoreten waren actief in Syro-Palestina en in latere eeuwen ook in Irak. De Masoretische systematiek was in ieder geval zeer succesvol; al snel namen andere culturele groepen het over verbeteringen in hun eigen alfabet aan te brengen, zoals in het Palmyraanse versie van het Aramese alfabet. Zoals we in het volgende hoofdstuk zien is dit een ontwikkeling die zeer bruikbaar is bij het bepalen van de locatie waar Mohammed en de Koran zijn geopenbaard.

Afbeelding
Voorbeeld van het aanbrengen van klinkertekens en voordrachttekens bestaande uit puntjes en streepjes in religieuze Hebreeuwse teksten

De betekenisleer van de liturgische en religieuze woordenschat in de Koran, de wijze waarop de namen van Bijbelse figuren worden gespeld en de intieme kennis van Joodse en Christelijke literatuur is rechtstreeks afkomstig uit de Aramese traditie. Alle beschikbare epigrafische, literaire en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran en in een later stadium de Islam producten zijn van Arabieren die in Syro-Palestina leefden. Deze visie wordt ondersteund door de archeologie: voor de traditionele visie dat dit gebied vanuit de Hijaz via een Blitzkrieg is veroverd is geen bewijs. Opgravingen en archeologische studies tonen aan dat dit gebied in de eeuwen na Mohammed een langzame en continue transformatie ondergaat waarbij de bevolkingsomvang tot de negende eeuw redelijk stabiel blijft. De enige veranderingen die opvallen is het gebruik van keramiek en geglazuurde voorwerpen in de achtste eeuw en de toename van kleine plaatsen op het platteland. Alle voorhanden archeologische, literaire, epigrafische en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran alleen het product kan zijn van het Hellenistische Syro-Palestina.

Het Aramese alfabet en literaire traditie werd dus stapsgewijs of mogelijk heel snel werd gearabiseerd. De enige aannemelijke plaats waar dit proces heeft plaats kunnen vinden in Arabia Petraea. Indien de Koran een product van de Hijaz (westelijke kuststreek in Saoedi-Arabië) is zou het niet alleen in een andere Semitische taal zijn geschreven met een Zuid-Semitisch alfabet. Het feit dat zowel het alfabet als de taal van de Koran naar Arabia Petraea wijst wordt verder onderbouwd door het feit dat de woordenschat van de Koran grotendeels geleend is van het Aramees en dan met name van de liturgische taal van de Christelijke kerken in Syro-Palestina, het Syriac. Dit fenomeen zal later in dit onderzoek nader worden uitgewerkt.

Buitenlandse woorden in de Koran
De aanwezigheid van buitenlandse leenwoorden in de Koran is reeds lang een strijdpunt binnen de Islamitische traditie. Muhammad Ahmad al-Qurtubī stelt dat binnen de Islamitische gemeenschap unaniem wordt aangenomen dat er geen zinnen of uitdrukkingen in de Koran staan die geen Arabische oorsprong hebben. Al Tabari redeneert dat Koranische woorden die ook in andere talen voorkwamen of uit het Arabisch waren overgenomen of tegelijkertijd in gebruik waren genomen. In zijn beroemde werk al-Risālah schrijft Al Shafi dat diegenen die claimen dat de Koran buitenlandse woorden bevat onwetend en ontdaan zijn van wijsheid en kennis. Zowel Al Tabari als Al Shafi baseerden zich op de Koranische verzen die stellen dat de Koran is geschreven in puur Arabisch. Anderzijds waren er Islamitische autoriteiten die geen probleem hadden met de aanwezigheid van buitenlandse leenwoorden in de Koran. Zo schreef al-Suyūtī rond 1500 het werk al-Muhadhab fī ma waqa’a fī al-Qur’ān min al-mu’arrab waarin hij 55 voorbeelden van buitenlandse leenwoorden aanhaalt. Het meest prominente werk over buitenlandse leenwoorden in de Koran werd geschreven door Arthur Jeffery (The Foreign Vocabulary of the Qur'an) waarin aannemelijk wordt gemaakt dat de Koran woorden van Aramese, Syrische, Hebreeuwse, Griekse en Perzische oorsprong bevat.

Archeologisch bewijs: Petra Papyri met een Arabische inscriptie
In 1993 werd een opzienbarende vondst gedaan in de beroemde woestijnstad Petra. In een kamer naast de belangrijkste Byzantijnse kerk van Petra werd een verzameling verkoolde papyrusrollen gevonden die dateren uit de zesde eeuw. Het is een privéverzameling Griekse documenten van een welgestelde familie uit de zesde eeuw die voornamelijk de financiële aangelegenheden vastlegt. Beschreven wordt hoe in de loop der tijd de familie omgaat met huwelijken, erfenissen, commerciële transacties, geschillen en belastingaanslagen. De Petra Papyri (soms ook de Koningsrollen genoemd) zijn één van de belangrijkste vondsten van oude historische teksten die ooit in het Midden-Oosten zijn gedaan.

De ontdekking van de Petra papyrusrollen heeft, vanwege de enorme hoeveelheid informatie, de aandacht van zowel historici als archeologen getrokken. Dit verslag van Theodoros van Obodianos geeft gedetailleerd weer wat er gebeurde in Petra en omgeving tussen het jaar 537 en 593. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen blijkt dat de stad ook in de zesde eeuw bruisend en zeer welvarend was. Eeuwenlang was de stad het knooppunt van de Arabische handelsroutes en het zenuwcentrum van de Arabische cultuur en taal. Petra was het politieke, economische en culturele centrum van Romeins Arabië. Hoe belangrijk de stad was blijkt wel uit de eretitels die in dit verslag genoemd worden: Petra Augustocolonia, Petra Antoniana, Metrocolonia, Petra Hadriana en Petra Metropolis (van de provincie Tertia Palaestina Salutaris. Petra wordt omschreven als een keizerlijke imperiale stad, als verheven, als heilig en als 'Moeder Aller Steden'. In ieder geval wordt duidelijk dat in de zesde eeuw de inwoners van Petra zichzelf belangrijk achten, relatief rijk waren en een belangrijke rol in de Byzantijnse economie vervulden. Niettemin had de stad iets van haar eerdere grandeur verloren. Na de aardbeving van 363 werden niet alle vernielde gebouwen hersteld en werd veel puin gebruikt om een nieuwe stadsmuur te bouwen en werd Petra stapsgewijs een agrarisch handelscentrum met nieuwe patronen van urbanisatie. Deze patronen worden gedefinieerd als de transformatie van 'polis naar madina', een proces dat begon zo ergens halverwege de vijfde eeuw.

Arabische inscriptie met diakritische tekens
Naast de papyrusrollen werd een verkoold stuk hout gevonden met een Arabische inscriptie. De archeologische context suggereert dat deze inscriptie dateert uit de tweede helft van de zesde eeuw of het begin van de zevende eeuw en de paleografische analyse postuleert dezelfde periode. Het bijzondere aan deze vondst is dat deze inscripties diakritische tekens gebruikt en hiermee het eerste bewijs voor het gebruik van diakritische tekens in het Arabische schrift is. Een Arabisch alfabet dat duidelijk pre-islamitische en post-Nabateens is.

De inscriptie luidt 'nayif' of 'nāyiq' en betekend verheven of scherp van geest. Het is niet duidelijk of deze inscriptie mogelijk onderdeel was van een groter object dat meer woorden omvatte. Duiding van deze inscriptie kan slechts plaatsvinden op basis van de vier letters waarbij de laatste letter kan worden gelezen als ف of ق indien deze twee medeklinkers reeds in eind zesde eeuw met een enkele punt werden geschreven.

Uit deze vondst kunnen een aantal dingen worden afgeleid. De auteur had toegang tot de Masoretische systematiek die na 550 in Byzantijns Arabië ontstond. Gezien de ligging en importantie van Petra is het aannemelijk dat Masoretische geleerden ook ten oosten van de Jordaan actief waren. Dat deze inscriptie naast christelijk Byzantijnse documenten werd gevonden indiceert dat de ontwikkeling van het Arabische schrift mogelijk gefaciliteerd werd door de Byzantijnse elite in de stad Petra of door nauwe samenwerkingsverbanden met andere Semitische groepen.

Afbeelding
De Byzantijnse Kerk in Petra waar in 1993 de Petra Papyrusrollenw werden gevonden. Nop opmerkelijker is de vondst van de oudste Arabische tekst met diakritische tekens.

Conclusie
We hebben nu dus niet alleen literaire, epigrafische en linguïstische bewijzen maar ook archeologische en paleografische bewijzen dat de Koran alleen het product kan zijn van het Hellenistische Syro-Palestina of Arabia Petraea. We zoeken dus naar een plaats in Romeins Syrië dat een epicentrum is van culturele en linguïstische interactie, bekend is met Christelijke en Aramese literaire tradities, toegang heeft tot de Masoretische systematiek, contacten onderhoudt met en beïnvloedt wordt door de Perzische cultuur en waar zowel het Nabateense als Arabische schrift gebruikt werd.

De vondst van de Petra papyrusrollen in 1993 indiceert dat deze plaats mogelijk Petra is. Maar voordat we dit nader zullen duiden onderzoeken we eerst eerst of de traditionele geografische context van de Koran, de Hijaz, voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden.









Nog in te voegen
- Perzische leenwoorden in het Arabisch
- Buitenlandse leenwoorden versus de Koranische context
Bron: Robert Kerr


Hoofdstuk 2: Pre-Islamitisch Hijaz als onderdeel van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar

De ontdekking van de oudst bekende pre-islamitische Arabische inscripties in Saoedi-Arabië, gedateerd op circa 470 NC zorgde voor enige consternatie gezien de Joods-christelijke aard van deze inscripties.

In 2014 ontdekten wetenschappers, leden van een gezamenlijke Frans-Saoedische expeditie die in het zuiden van Saoedi-Arabië pre-islamitische rots inscripties onderzochten, mogelijk de oudst bekende teksten geschreven in het Arabische alfabet. Twee jaar lang hebben ze deze ontdekking verzwegen omdat de context van deze teksten mogelijk confronterend is voor traditionele religieuze opvattingen. Rond de bergpassen van Bir Hima – een archeologische onderzoekssite ongeveer honderd kilometer ten noorden van de stad Najran – zijn twaalf inscripties gevonden waarvan twee rotstekeningen datums tonen die overeenkomen met het jaar 469 of 470. De zachte zandstenen bergen rondom Bir Hirma zijn overigens overdekt met duizenden inscripties en rotstekeningen.

Deze ontdekking was niets minder dan een sensatie omdat deze rotstekeningen het pre-islamitische alfabet gebruiken die tot nu toe alleen in Syrië zijn aangetroffen en dateren uit de periode 510 tot 520. Dit is sensationeel omdat het direct impliceert dat het Koranische alfabet reeds lang voor de openbaring van de profeet Mohammed werd ontwikkeld en in gebruik was. Zeg gerust zo'n 200 jaar voor de officiële codificatie van de Koran. Niettemin was de initiële aankondiging van deze ontdekking zonder meer ingetogen. Slechts enkele Franse (waaronder Le Monde) en Arabische Media rapporteerden summier over deze vondst die werd aangekondigd als de ontbrekende schakel tussen het Klassiek Arabisch (fuSha) en pre-islamitische alfabetten zoals bijvoorbeeld het Nabateense alfabet. Het was, tot voor kort, onmogelijk om een afbeelding van deze rotstekeningen of een referentie naar de feitelijke inhoud te vinden.

Thawban, zoon van Malik
Slechts door te graven in een rapport van de Franse Académie des Inscriptions et Belles-Lettres is te achterhalen dat tekst – “Thawban, zoon van Malik” wordt gedecoreerd door een Christelijk kruis. Deze afbeelding van een christelijk kruis wordt systematisch aangetroffen op rotstekeningen uit de vijfde en zesde eeuw verspreid over een gebied dat zich uitstrekt van Jordanië tot de Najran nabij het huidige Jemen. De inscriptie is geschreven is een doorontwikkelde versie van het Nabateense alfabet en linkt naar een oud Joods Koninkrijk dat in de vijfde en zesde eeuw regeerde over Jemen en grote delen van Saoedi-Arabië. En dat is Himyar.

Conflicterend met de Islamitische traditie
Het Islamitische dogma is duidelijk over de situatie in de Hijaz voor de komst van de profeet Mohammed. De algemene indruk is dat het pre-islamitische Arabië een omgeving is van anarchie en chaos. De Hijaz ( de westelijke kuststrook van Saoedi-Arabië met Mekka en Medina) wordt volgens de traditie gedomineerd door jahilliya, het tijdperk van onwetendheid, rechteloosheid, analfabetisme en barbaarse heidenen. Wat de Islamitische traditie niet vermeld was dat de Hijaz, met uitzondering het uiterste noordwesten, behoorde tot het grondgebied van het Himyaritische koninkrijk.

De decennia voor de start van de Islamitische kalender (de veronderstelde verhuizing na Mohammed van Mekka naar Medina in 622) worden overheerst door oorlogen tussen de Byzantijnse en Perzische rijken waarbij Arabische stammen veelal als hulptroepen werden ingezet. De sombere voorstelling van pre-islamitisch Arabië is niets meer dan een literaire metafoor om de verenigende en verhelderende kracht van Mohammed's boodschap te benadrukken. De sombere voorstelling van pre-islamitische Arabië was minder een nauwkeurige beschrijving, zo lijkt het, dan een literair metafoor om de verenigende en verhelderende kracht van de boodschap van Mohammed benadrukken.
Nieuw onderzoek naar de werken van Islamitische en Christelijke kroniekschrijvers én nieuw archeologisch onderzoek in Saoedi-Arabië toont aan dat het Arabisch schiereiland een veel rijkere en complexere geschiedenis kent dat de Islamitische traditie ons wil doen geloven. En een van de belangrijkste maar vaak vergeten spelers was op dat moment het koninkrijk van Himyar.

Himyar
Opgericht in de tweede eeuw na Christus wordt Himyar al snel een regionale grootmacht in Arabia Felix en verovert het grote gebieden in wat vandaag Jemen wordt genoemd. Opmerkelijk is dat de rond het jaar 380 de elites van het koninkrijk van Himyar zich hebben bekeerd tot een of andere vorm van het jodendom. De Franse epigraphist en historicus Christian-Julien Robin heeft veel bijgedragen aan wat we nu weten over het tot voor kort mysterieuze Himyar.

Rond 425 had het grootste gedeelte van de bevolking zich bekeerd en kunnen we spreken van een Joods koninkrijk in zuidwest Arabië. Gedurende de honderd jaar die volgen heersen koningen die zich zo strikt mogelijk aan de Joodse wetten houden en, met slechts een kleine onderbreking, de christelijke bekeerlingen in Arabia Felix meedogenloos vervolgen. Hoewel deze gebeurtenissen vermeld zijn in Arabische, Griekse en Syrische verslagen hebben onverschillige of onbekwame wetenschappers dit lang gezien als niet meer dan een lokaal incident waarbij monotheïstische attributen waren geleend uit het Joodse geloof.
Het is pas in de laatste decennia dat er voldoende bewijs uit rotstekeningen en inscripties is verzameld om de conclusie te rechtvaardigen dan een natie van etnische Arabieren zich had bekeerd tot het Jodendom en dat als officiële staatsreligie instelde. Het militante koninkrijk Himyar raakte in de vijfde eeuw in conflict met christelijke groepen die poogden te evangeliseren vanuit Najran en de nabijgelegen kusstreek. Christelijke troepen uit Ethiopisch Axum, vergezeld door Byzantijnse versterkingen uit Constantinopel, vernietigden de militaire kracht van Himyar. Het is aan de wetenschappers Christian Julien Robin en Andrei Korotayev te danken dat dit verloren hoofdstuk uit de laat antieke geschiedenis is herontdekt.

Invloedssfeer van Himyar
De Himyaritische koningen zagen in het Jodendom een potentieel verenigende kracht voor het nieuwe en cultureel diverse imperium dat omring werd door verschillende rijken die voortdurend trachten hun invloedssferen uit te breiden. Zo was er het Ethiopische Axum dat reeds in derde eeuw grote gebieden in zuidwest Arabië had veroverd en loerde naar mogelijkheden om zich opnieuw in Arabische aangelegenheden te roeren. Nog belangrijker waren de Byzantijnse en de Perzische inspanningen om vaste voet aan de grond in Jemen te krijgen.

De opkomst van de Joodse religie was duidelijk zichtbaar in de Himyaritische hoofdstad Zafar, gelegen ten zuiden van het moderne Sana'a. Zafar werd gebouwd als een kasteel in de hemel gelegen op de top van een uitgedoofde vulkaan . Ongeveer 25.000 inwoners leefden hier op een hoogte van bijna drie kilometer wat doet denken aan de Edomitische steden in Zuid-Jordanië die bijvoorkeur ook op de top van een berg werden gebouwd.


Afbeelding
De Himyaritische invloedssfeer bereikt in 552 een voorlopig hoogtepunt met de verovering van Yathrib

De opkomst van de Joodse religie was duidelijk zichtbaar in de Himyaritische hoofdstad Zafar, gelegen ten zuiden van het moderne Sana'a. Verwijzingen naar heidense goden verdwijnen stapsgewijs uit koninklijke inscripties en teksten op openbare gebouwen om plaats te maken voor inscripties die verwijzen naar één enkele godheid. Deze inscripties worden vooral in de lokale Sabeaanse taal geschreven en in een enkel geval in het Hebreeuws. Deze monotheïstische god wordt omschreven als 'Rahmanan' de barmhartige, de 'Heer van de hemelen en de aarde', de 'God van Israël' en de 'Heer van de Joden.' Gebeden beginnen met de zegeningen van Rahmanan voor het volk van Israël en eindigen doorgaans met invocaties als sjalom en amen. Gedurende de komende anderhalve eeuw die volgt breidt het Himyaritische koninkrijk haar invloed uit naar het centrum van Arabië, de Perzische Golf en de Hijaz zoals blijkt uit koninklijke inscripties die niet alleen in Bir Hima zijn gevonden maar ook in de buurt van wat tegenwoordig de Saoedische hoofdstad Riyad is.

Welke vorm van Judaïsme werd in Himyar gepraktiseerd?
Een belangrijke vraag is de vorm van Judaïsme die in Himyar werd gepraktiseerd. Namen ze de sabbat in acht? Of volgden ze de regels van de kasjroet (het geheel van spijswetten dat in het Jodendom bepaalt of voedsel wel of niet gegeten mag worden)? Bepaalde Oriëntalisten, zoals bijvoorbeeld de Joods-Franse wetenschapper Joseph Halevy, weigerden te gelovigen dat Joodse heersers christelijke onderdanen konden vervolgen en vermoorden en oordeelden daarom dat de Himyarieten één van de vele christelijke sekten was die in de laat Antieke tijd werden aangetroffen op het Arabische schiereiland. De Franse epigraphist Robin stelt dat de officiële religie van Himyar het best kan worden omschreven als een 'Joodse vorm van monotheïsme', een soort compacte of minimalistische uitvoering van het Jodendom dat slechts enkele principes van deze religie volgde.

Helaas zijn er enerzijds te weinig inscripties gevonden en zijn anderzijds veel teksten van latere kroniekschrijvers mogelijk bevooroordeeld tegen het Himyaritische koninkrijk zodat het moeilijk is een duidelijk beeld van van de religieuze beleving en traditie te schetsen. Maar misschien is er een andere manier om deze vraag te beantwoorden. Gezien de talloze overeenkomsten tussen het Joodse en het Islamitische geloof is het aannemelijk dat etnische Arabieren van Arabia Felix tradities en gebruiken overnemen van diegenen die de Joodse religie naar het zuiden van het Arabisch schiereiland brachten. Dit vraagstuk zal in komende hoofdstukken nader onder de loep worden genomen.

Thawban de martelaar
Het Frans-Saoedische onderzoeksteam dat onderzoek doet naar inscripties in Bir Hima ontdekt dat de naam ' Thawban, zoon van Malik' verschijnt in acht inscripties, samen met de namen van andere christenen in wat waarschijnlijk een vorm van herdenking is. Volgens Christelijke kroniekschrijvers werden rond het jaar 470 (de datum die bij de Thawban inscriptie is vermeld) christelijke inwoners van het nabijgelegen Najran getroffen door opeenvolgende vervolgingen door Himyarieten. De Franse onderzoekers van de Franse Académie des Inscriptions et Belles-Lettres vermoeden dat deze Christenen zijn gestorven als martelaar en dat de keuze voor het vroeg Noord-Arabische schrift om hen te gedenken een krachtig symbool van verzet is tegen Himyar dat het Sabeaanse schrift hanteert.

Dit pre-islamitisch alfabet is het Nabateense Arabisch alfabet wat eerder is beschreven is het voorgaande hoofdstuk. Op zich is dit niet verbazingwekkend aangezien de Nabateeërs vanuit Petra alle Arabische handelsroutes beheersten voordat zij door de Romeinen werden ingelijfd. Het hanteren van een noordelijk Arabisch alfabet in Sabeaans cultuurgebied is een krachtig signaal van culturele unificatie, de vereniging van Arabia Felix met Arabia Petraea en het ontstaan van een meer uniforme schrijfwijze tussen de Eufraat en Najran.

Christelijke repercussie
De voortdurende vervolgingen door Himyaritische heersers resulteerden uiteindelijk, ergens rond het jaar 500, in een Ethiopische inval. De Negus van Axum installeert een vazal die de komende 20 jaar over het zuidelijk deel van het Arabisch schiereiland zal regeren. In 522 rebelleert de Joodse leider Yoesoef As'ar Yath'ar en vernietigd het Ethiopische legioen, belegert Najran en slacht een groot deel van zijn christelijke bevolking. Juist dat laatste gaat als een schokgolf door de christelijke wereld van het Midden-Oosten en vergelding laat dan ook niet lang op zich wachten.
In 2014 wordt bij Bir Hima een inscriptie ontdekt die vermeldt hoe Yoesoef met twaalfduizend soldaten het noorden marcheert om zijn gezag in de Hijaz te herstellen. Zijn succes houdt echter niet lang stand. Christelijke kroniekschrijvers vermelden dat in 525 Ethiopische troepen zijn leger verslaan.

Gedurende de honderd jaar die volgen is Himyar een christelijk koninkrijk dat het zuidelijke deel van het Arabisch schiereiland domineert. Uit inscripties blijkt dat de Ethiopische generaal Abraha al-Asham, nadat hij zichzelf tot koning van Himyar heeft gekroond, regelmatig veldtochten naar de Hijaz en Centraal-Arabië organiseert. In 552 verovert hij de grootste delen van de Hijaz met inbegrip van Yathrib, de woestijn oase die volgens de Islamitische traditie ruim zestig jaar bekend zou worden als Madinat al-Nabi, de stad van de Profeet. Hoe machtig Abraha was blijkt wel uit kronieken die beweren dat hij poogde drie bisschoppen te bevrijden uit Perzische gevangenschap door een militaire expeditie te sturen naar Nisibis dat tegenwoordig in Turkije ligt.

Afbeelding
Abraha's inscriptie in Jemen

Uit een in 2004 ontdekte inscriptie, Abraha's inscriptie, blijkt dat de Hijaz tot minimaal 570 onder bestuur blijft staan van het nu christelijke Himyar. De inscriptie vertelt hoe Abraha, de “koning van Saba, Zoeridan, Jemen en de stammen van de bergen en de kust” het centraal gelegen Kinda verovert en een vazal op de troon zet in “het jaar tweeënzestig en zeshonderd.”

Volgens de Islamitische overlevering sterft Abraha al-Asham kort na een mislukte expeditie in 570 naar Mekka om de Kaba te vernietigen. Het probleem met deze overlevering is dat er geen archeologisch bewijs is dat de stad Mekka voor de tiende eeuw bestond en zelfs de vele inscripties die Abraha achterliet vermelden nergens de naam Mekka. In ieder geval zou Abraha een grote kathedraal in Sanaa hebben gebouwd die zou moeten wedijveren met de Kaba in Mekka.

Al-Qalis
Het moge duidelijk zijn dat naast militaire expedities Abraha een andere manier zocht om het christendom in het overwegend Joodse Himyar een belangrijke positie te geven. Hij gaf daarom opdracht tot de bouw van de Al-Qalis kathedraal (ook bekend al Al-Qoelays – afgeleid van het Griekse woord voor kerk Ekklesia) en verzocht zowel Aksum als Constantinopel om marmer, ambachtslieden en mozaïeken aangezien in de Arabische wereld deze vaardigheden destijds nog onbekend waren. Historicus Procopius schrijft dat de Byzantijnse keizer Justianus I een gezantschap naar Jemen en Abraha stuurt waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kathedraal ergens tussen 527 en 560 is gebouwd.

Volgens Islamitische kroniekschrijvers functioneerde de kathedraal meer en meer als een bedevaartsoord die poogde te concurreren met de Kaba in Mekka. Enkele inwoners van Mekka zouden de Al-Qalis hebben bevuild wat voor Abraha de reden was om in 570 een expeditie tegen Mekka te ondernemen. Het Koranische hoofdstuk 105 legt uit waarom zijn veldtocht mislukte: God had een zwerm vogels uitgerust met zware kleiballen die als kogels op de christelijke soldaten neerdaalden. In 685 zou de troonpretendent van de Ommaijaden, ibn al-Zubayr, mozaïeken uit de kathedraal van Sanaa hebben meegenomen met de intentie deze te gebruiken voor de herinrichting van de Grote Moskee in Mekka. Uiteindelijk verdwijnt de Al-Qalis rond 775 uit de geschiedenis wanneer deze voor de zoveelste keer wordt geplunderd.

Wat zou er nu waar kunnen zijn van deze Islamitische overleveringen? We beschikken dus over historisch bewijs dat Abraha de Hijaz, Kinda en de gebieden rond het latere Mekka controleerde tot mogelijk het jaar 570. In het oudste werk over Mekka, van de Arabische geschiedschrijver Asraki, staat dat hier een christelijke begraafplaats lag. Uit klimaatdata blijkt dat het zuidelijke gedeelte van het Arabisch schiereiland rond het midden van de zesde eeuw getroffen werd door een verschrikkelijke droogte. De Arabische wereld getroffen na 541 geraakt door een pestepidemie die decennia zou aanhouden en in Jemen brak een grote dam door waardoor een belangrijk agrarisch gebied verloren ging. De toch al fragiele ecologie in de hooglanden van Arabia Felix werd hierdoor zwaar getroffen met als gevolg dat de bevolking langdurig honger had.

Al deze factoren zouden voor de Himyaritische koning Abraha aanleiding geweest kunnen zijn om nieuwe gebieden voor zijn onderdanen te veroveren die, en dat blijkt uit bronnen die later zullen worden aangehaald, migreerden naar leefgebieden met meer potentieel. Zo verhaalt Ibn Ishak dat Mohammed als jong kind werd bedreigd door ziekte en honger en dan zijn verzorgster dief bezorgd was toen verteld werd dat Mohammed zou terugkeren naar zijn geboortestad.

Perzische hegemonie in Himyar (570-630)
Hoe Abraha sterft is niet geheel duidelijk. Sommige wetenschappers dateren zijn dood enige tijd na 553 op basis van de inscriptie van Murayghän. Volgens de Islamitische traditie sterft hij onmiddellijk na de veldtocht naar Mekka en bestijgen zijn zonen Yaksum en Masruq de Himyaritische troon en vallen de Sassanidische legers uit Perzië ergens na 570 Himyar binnen en beheersen tot minstens 630 het zuidelijk deel van het Arabische schiereiland. De uitdaging bij het begrijpen van deze gebeurtenissen is het ontbreken van eigentijds bewijs. We kunnen slechts bouwen op enkele Byzantijnse bronnen terwijl de details van de Perzische campagne alleen zijn opgetekend in Arabische kronieken die pas eeuwen later verschijnen.

Het eerste verslag is afkomstig van Theophanes van Byzantium (581) dat is opgenomen als een synopsis in het werk van Photios I van Constantinopel. Het vertelt summier hoe de Perzen, onder leiding van generaal Miranus, de Ethiopische vazalkoning gevangen nemen, de hoofdstad plundert en een Sassanidisch regime installeert.

Hoewel de namen van de hoofdpersonen in dit verslag niet overeenkomen met de latere Arabische kronieken is dat niet noodzakelijk een diskwalificatie. Byzantijnse kroniekschrijvers gebruikten doorgaans officiële of koninklijke titels terwijl Arabische historici de voorkeur gaven aan zogenaamde formele korte namen (laqabs of koenya). De Arabische historicus Shahid identificeert de Perzische generaal Miranus als Aboe Moerra, de korte naam van de Himyaritische prins Sayf ibn Dhi Yazan. Aangezien voor deze identificatie alleen literair bewijs beschikbaar is moeten we een slag om de arm houden.

Omdat eigentijds bewijs ontbreekt zullen we belichten wat de Arabische historische traditie vertelt over de Perzische invasie. Drie alternatieve verslagen gebaseerd op ogenschijnlijk ouder materiaal zijn gepreserveerd in de werken van negende en tiende-eeuwse Arabische kroniekschrijvers.

Het oudste verslag is van de hand van Wabh ibn Nunnabbih (overleden tussen 735 en 737) dat later werd geciteerd n in de werken van Ibn Hisham (833) en Nashwan ibn Sa'id al-Himyari. Daarna komt het verslag van Ibn Ishaq (overleden in 761) en wordt geciteerd in Ibn Hisham (833) en al-Tabari (923). Tenslotte is er het verslag van Ibn al-Kalbi (819) dat wordt aangehaald in de werken van al-Masudi (956) en al-Tabari. Algemeen genomen vertellen al deze kroniekschrijvers hetzelfde relaas met hier en daar afwijkende details die uiteraard heftig bediscussieerd zijn in de loop der tijd.

Alle versies beginnen met de introductie van een Himyaritische prins die een alliantie tegen de Ethiopische bezettingsmacht op de been probeert te brengen. Na een Byzantijnse afwijzing richt hij een verzoek tot de Perzische Sassaniden. In de eerste versie is dit prins Sayf ibn Dhi Yazan en de laatste versie is het zijn zoon, Ma'di Karib. Opmerkelijk is dat de Arabische traditie de Banu Yazan (letterlijk: de afstammelingen van Yazan) aanwijst als de heersers in Himyar overeenstemmend met inscripties die dateren van rond 550.

In het oudste verslag, van Wabh ibn Nunnabbih, is de Ethiopische vazalkoning in Jemen 'Aksum ibn Abraha'. Deze naam wordt vermeld in de eerder genoemde 'Inscriptie van Abraha' dat spreekt over 'Aksum zoon van de Koning'. Wat al deze versies, met vele andere Arabische kronieken, gemeen hebben is dat de hoofdrolspelers eerst afgezanten sturen naar de grote machten van die tijd, het Byzantijnse en Perzische Rijk, alsof het een literair concept is. De hoofdrolspeler reist naar de glamoureuze omgeving van grote paleizen en edele heersers waar zijn verzoeken op dramatische wijze worden afgewezen. Uiteindelijk, na veel tegenslagen en strijd behaalt hij dan toch het ultieme succes en dat is uiteraard enerzijds het herstel van de Joodse religie dat door het grootse deel van de bevolking wordt aangehangen en anderzijds het verdrijven van de buitenlandse christelijke overheersers.

Achtergronden
Hoe dan ook, de Perzische legers vallen rond het jaar 570 Himyar binnen en blijven, voor zover we nu weten nog decennia lang de heersende macht in zuidelijke gedeelte van het Arabisch schiereiland. Een algemeen geaccepteerd argument voor deze inval is het het langdurige conflict tussen het supermachten Byzantium en het Sassanidische Rijk.

Na het vredesakkoord in 532 vechten Byzantium en Perzië tussen 540 en 562 een langdurige conflict uit over de hegemonie in de Kaukasus gevolgd door de een nieuw bestand in 562. Lang duurde de rustige periode die volgde niet. Al in 569 kregen de Arabische vazal- en bufferstaten van Byzantium en Perzië, de Ghassaniden en Lakhmiden, ruzie en slechts een jaar later sloot Byzantium een geheime alliantie met Armenië. De Sassaniden proberen de Byzantijnen met eigen munt terug te betalen door de Himyarieten eerst aan te sporen om in opstand te komen tegen de Ethiopische vazalkoning. Toen dat mislukte, zo schrijft de Byzantijnse historicus Menander in 582, vielen de Perzische legers Himyar binnen.1 Mogelijk speelden ook andere geopolitieke factoren een rol. Het is heel wel mogelijk dat de Sassaniden vreesden in de nabije toekomst een oorlog op twee fronten te moeten voeren, zowel op het Arabisch schiereiland als in de zuidelijke Kaukasus met vijandige cliëntstaten van Byzantium.

Maar toch is een dergelijke geopolitieke analyse mogelijk veel te beperkt. In de Arabische kronieken speelt de religieuze identiteit van de hoofdpersonen een belangrijke zo niet dominante rol. Himyar is op dat moment al langere tijd het doelwit van religieuze zendingsdrang dat begint op het moment dat deze staat een Joodse identiteit heeft gevormd. Byzantium en Ethiopië steunen christelijke zendingsmissies naar de zuidelijke Hijaz en helpen openlijk als de belangen van christelijke inwoners van Himyar worden bedreigd. We zouden inderdaad kunnen beargumenteren dat Byzantium en Aksum geen prijs stelden op de aanwezigheid van een Joodse staat in Himyar, dat beide staten mogelijk aasden op gebiedsuitbreiding of de zeeroutes naar India poogden te beveiligen. Al deze opties zijn echter voornamelijk speculatief terwijl op de achtergrond een eeuwenoud conflict sluimert dat het hele Midden-Oosten zou veranderen.

Dat conflict is de strijd om de eenheid van God, een onderwerp waar we in latere hoofdstukken uitgebreid in zullen gaan. Voor nu volstaat de vermelding dat de Byzantijnse keizers harde oorlogen voerden tegen paganisten, Joden en christelijke sekten die het concept van de drie-eenheid afwijzen en een agressieve bekeringspolitiek voeren. Zo worden in bijvoorbeeld Romeins Palestina veel Joodse heiligdommen en synagogen afgebroken om plaats te maken voor Oosters-orthodoxe kerken. Het ligt voor de hand dat ook Himyar door dit conflict wordt getroffen. Na 380 wordt het Jodendom de staatsreligie en blijft dominant tot de periode 470-500 als er steeds meer conflicten met christelijke groepen ontstaan. Uit de hierboven omschreven machtswisselingen blijkt dat het primaire motief voor buitenlandse interventies of opstanden van religieuze aard was. Tijdens deze machtswisselingen ontstonden samenwerkingsverbanden die voor ons onderzoek buitengewoon interessant zijn. Maar voordat we dit hoofdstuk met een beschouwing daarover afsluiten gaan we eerst terug naar de veronderstelde culturele interactie tussen Noord en Zuid-Arabië.

Culturele Unificatie
Indien we kunnen bewijzen dat er reeds voor de komst van de profeet Mohammed kunnen bewijzen dat er reeds een proces van culturele unificatie plaatsvond in de Arabische wereld dan geeft dat ons veel mogelijkheden om later in dit onderzoek een gesloten en logisch model te ontwikkelen dat niet alleen de snelle opkomst van de Arabische wereld na 630 verklaart maar ook waarom er geen archeologische bewijzen voor de Islamitische traditie zijn. Dit proces zal later in een afzonderlijk hoofdstuk worden behandeld maar voorlopig zullen we volstaan met een aantal cruciale aanwijzingen.

De vondst van twaalf twaalf inscripties in Bir Hima met het pre-islamitische alfabet dat hoofdzakelijk in Syrië is aangetroffen en de christelijke decoraties indiceren dat de culturele unificatie voornamelijk religieus gedreven was.
Zo is de naam Allah talloze malen aangetroffen in de kronieken over en lijsten van Christelijke martelaren in het zuiden van het Arabische schiereiland. Tegelijkertijd plaatsen Arabische Christenen in Noord-Jordanië, en dan met name rond Umm el-Jimal, inscripties op kerken en tombes met een verwijzing naar Allah als de juiste naam van God. Op graven werd regelmatig de naam 'Abd Allah' gebruikt dat de dienaar of slaag van god betekent. In 523 werd in Najran de Christelijk leider Abd Allah ibn Abu Bakr ibn Muhammad geëxecuteerd terwijl hij een ring droeg met de inscriptie 'Allah is mijn heer'.

Maar er zijn ook allerlei literaire aanwijzingen. Zo heeft de Joodse monotheïstische god van Himyar, Rahmanan, heeft een eigen hoofdstuk in de Koran genaamd ar-Rahman. De beste vriend van de profeet Mohammed komt uit Himyar en heet Abd al-Rahman ibn Awf.

Verder zijn er ook historische sociaal-geografische aanwijzingen. Rond 570 vinden er allerlei gebeurtenissen in het Himyaritische Jemen plaats waarna veel inwoners migreren naar het Syrisch-Aramese cultuurgebied rond Petra en Kharka (Medina) dat reflecteert in nieuwe vestigingspatronen. Afijn, u voelt waarschijnlijk aan waar dit later naar toe leidt.

Conclusie
In navolging van Hoofdstuk 1 waarin we argumenteren dat epigrafische, literaire en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran en in een later stadium de Islam producten zijn van Arabieren die in Syro-Palestina leefden toont onderzoek naar Jemen in de zesde eeuw aan dat ook Himyar onder sterke invloed stond van deze Arabieren. Dit indiceert culturele unificatie wat later mogelijk mede kan verklaren waarom er geen archeologisch bewijs is voor de islamitische traditie.

Onderzoek naar de geopolitieke machtsstructuur in de Hijaz wijst uit dat tot ongeveer het veronderstelde geboortejaar van Mohammed (570) de Hijaz overheerst wordt door het dan christelijke Himyar en dan tot de lijn Yathrib – Kinda – Riad. Hiermee wordt duidelijk dat het Islamitische dogma jahilliya (het tijdperk van onwetendheid, rechteloosheid, analfabetisme en barbaarse heidenen in de Hijaz) niet houdbaar is tenzij we later, met alle aanwijzingen die we zullen bespreken, kunnen aantonen dat de profeet Mohammed elders werd geboren.

Tenslotte hebben we beschreven hoe de Joodse inwoners van Himyar in nauwe samenwerking met de Perzische Sassaniden rond 570 de Christelijke bezetters verslaan. Buitengewoon interessant is dat deze samenwerking enkele decennia later wederom gestalte krijgt bij de verovering van Jeruzalem in 614 door Joodse rebellen en Perzische legers.

Dit hoofdstuk is in ontwikkeling.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Za Mar 11, 2017 4:47 pm, 31 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Di Nov 22, 2016 7:39 pm

Hoofdstuk 3 Koranische Geografie

Achtergrond
In 2011 publiceerde de Canadese historicus Dan Gibson een boek, Qur'ānic Geography, dat alle geografische referenties uit de Koran onderzoekt en waar nodig oplossingen suggereert. Voortbouwend op zijn studies van het Arabisch schiereiland en de Nabateeërs trekt Gibson zeer controversiële conclusies over de werkelijke locatie van Mekka. Nadat hij talloze contradicties had ontdekt in het werken van traditionele Oriëntalisten had ontdekt ontwikkelde hij een geheel eigen onderzoeksmethodiek. Door de teksten van de Bijbel en de Koran zo letterlijk mogelijk te nemen probeert hij te verklaren waarom (delen van) traditionele teksten uit de Islamitische traditie niet overeenkomen met bijvoorbeeld met eigentijdse manuscripten of archeologische vondsten uit de zesde en zevende eeuw.
Zonder meer moet worden vastgesteld dat Gibson's motivatie, als kind van zeer religieuze ouders mogelijk niet geheel wetenschappelijk is. Niettemin in zijn centrale onderzoeksvraag geheel legitiem; de meest cruciale en essentiële vragen kunnen niet door huidige Islamologen, archeologen of historici worden beantwoord. Uiteraard is de belangrijkste vraag hoe het mogelijk is dat een plaats die in de zesde eeuw niet bestond, wordt gelokaliseerd in een gebied waar niets groeit of bloeit en geen mensen wonen door traditionele wetenschappers wordt aangewezen als de plek waar een wereldreligie is geboren.

De conclusies die Dan Gibson in zijn boek trekt:
(a) De geografische referenties in de Koran zijn te herleiden op Noordwest Arabië en Transjordanië.
(b) Tot 724 wijzen de meeste Arabische heiligdommen (qibla) in de richting van Petra en niet naar Jeruzalem of Mekka. Pas na 822 wijzen alle moskeeën naar Mekka.
(c) Mekka voldoet niet aan de omschrijvingen van deze stad in de Koran, hadith en de Islamitische traditie. Er zijn geen archeologische vondsten gedaan in Mekka van voor de tiende eeuw en Archaeobotanisch onderzoek toont aan dat de planten die de Koran noemt nooit in Mekka of omgeving groeiden. Petra voldoet volgens Gibson wel aan de beschikbare omschrijvingen.
(d) Afstanden die in de Koran worden genoemd zijn logisch indien Petra de geboorteplaats van de profeet Mohammed is.

Dit boek werd met grote tegenzin ontvangen door Islamologen en historici. Enerzijds komt dit door methodische fouten en anderzijds door gebrek aan research dat kan worden herleid tot een gebrek aan ervaring. Maar evidenter is de gevoeligheid van dit onderwerp. Zo schrijft Professor Michael Lecker in een review van Gibson's Qur'ānic Geography dat (Journal of Semitic Studies, 2014): “This book’s imaginative writing may have its followers, perhaps even in academic circles. But the study of early Islamic history is better served by small steps, one at a time.”

Eerste verificatie
Indien Petra de oorsprong van de Islam is dan moeten daar, los van Qur'ānic Geography, aanwijzingen voor zijn. We beginnen onze speurtocht met een analyse van de Islamitische verovering van de Levant. Vertelt de Islamitische traditie iets over Petra? Of hoe de stad in de zevende eeuw door moslims werd veroverd?

Afbeelding
De offerplaats nabij Petra met op de achtergrond de berg Nebo. Deze plaats komt overeen met omschrijvingen uit de Bijbel, Christelijke en Islamitische traditie.

Volgens de Islamitische traditie begint de invasie van de Levant vijf jaar na na de slag bij Mu'tah in september 629. Tijdens de slag van Mu'tah, iets ten oosten van al-Karak, worden haar troepen verslagen door Byzantijnse garnizoenen. De Byzantijnen hebben in 628 Jeruzalem heroverd op de Sassaniden en zijn druk doende om verloren gebieden opnieuw in bezit te nemen. De traditie vertelt dat Mohammed vervolgens, op zoek naar versterking, een gezant stuurt die op weg naar Bosra door de Ghassanidische bevelhebber wordt vermoord. Dit is opmerkelijk aangezien de Ghassanidische federatie al rond 584 door de Byzantijnen werd ontbonden.
Na deze veldslag vertelt de traditie dat de Moslims afdruipen naar Medina waar ze worden beschuldigd van lafheid. Dit lijkt merkwaardig: waarom zou een leger 834 kilometer afleggen naar haar thuisbasis? Op het eerste oog al een uitzonderlijk vreemde strategische en logistieke nachtmerrie.
In 634 begint dan onder leiding van Khalid ibn al-Walid de echte invasie. De traditie beschrijft een aantal veldtochten waarbij snel Palestina, Jordanië en Zuid-Syrië worden veroverd en Jeruzalem en Caesarea tot 637 in Byzantijnse handen blijven. Opmerkelijk is dat in de traditie, niet in de sirat (biografie van de profeet Mohammed) of vroeg Islamitische werken, geen vermelding wordt gemaakt van de stad Petra. Ook Al-Karak wordt niet genoemd. Opmerkelijk want dit zijn de dominante steden in Jordanië zo aan het begin van de zevende eeuw.

Waarom Petra: Omschrijvingen van Mohammeds woonplaats
Mekka (of Makkah) wordt slechts éénmaal genoemd in de Koran (soera 48). Tegelijkertijd refereert de Koran talloze malen aan de Ka'ba (kubus), 'Het Huis' en de 'Heilige Plek'. Helaas vertelt de Koran ons niet dat de Ka'ba, zoals de islamitische theologie stelt, in Mekka zetelt.
Aan het begin van de zevende eeuw zijn er meerdere steden in het Nabateense cultuurgebied met een eigen Ka'ba. Deze steden fungeerden als regionaal religieus centrum waar doden begraven werden en stammen eens per jaar samenkwamen voor de jaarmarkt en religieuze festivals. Als referenties of bewijzen ontbreken is het niet meer dan logisch om de volgende vraag te stellen: is Mekka (of Makkah) zoals genoemd in vers 48:24 eigenlijk wel een plaatsbepaling? Aangezien we weten dat het klassiek Arabisch een Semitische taal is en stapsgewijs is ontstaan uit het Nabateense schrift kunnen we een eenvoudige etymologische analyse toepassen. De stam m-k-k betekent zowel in het Aramees als Syro-Aramees laag gelegen zijn, laag, laag zijn, nederig. Het mannelijke adjectief makkah betekent dan zoveel als 'lager gelegen zijn'. In vers 48:24 staat dus dat de Kaba laaggelegen is, of gesitueerd is in een lager gedeelte van een plaats of stad. Dat lijkt nu triviaal maar is het zeker niet. Als we straks de context van de Koran hebben bepaald is dit een toetsbare aanwijzing. Laten we daarom kijken naar aanwijzingen die ons kunnen helpen bij het vinden van deze context.

Aanwijzingen
De Koran en de ahadith geven verschillende omschrijvingen van de geboorteplaats van de profeet Mohammed. Hadith 3:891 Boekhari stelt dat Mekka in een vallei ligt. Hadith 4:583 Boekhari vertelt dat Abraham (de stichter van de stad) Hagar verbande naar een vallei naast de Ka'ba. Dut suggereert dat de Ka'ba een zustervallei heeft. Ibn Ishaq, een Arabische historicus uit de achtste eeuw, schrijft dat omstanders vanaf de omliggende bergen konden zien hoe Jemenitische olifanten de Ka'ba aanvielen. Al Tabari vertelt (Volume VI, 1079, pagina 6) hoe Abdallah (de vader van Mohammed) zich moest verschonen nadat hij de hele dag op de akker had gewerkt.

Bakka
In soera 48:24 wordt de woonplaats van Mohammed aangeduid met Bakka. Traditioneel maken Islamitische wetenschappers de link tussen Bakka en de Kaba en haar directe omgeving in Mekka en fungeert Bakkah voornamelijk als oude naam voor Mekka. Tegelijkertijd is Bakka is een oud Semitisch woord en dat al herhaaldelijk in de Bijbel gebruikt en verschillende mogelijke betekenissen heeft. Het probleem hierbij is dat de herkomst van het woord, net als dat van Mekka etymologisch gezien enigszins mistig of zelfs obscuur is. 3

Maar aangezien er geen bewijs is dat Mekka voor de negende eeuw bestond (als meer dan een soort geïmproviseerde plaats voor gebed) onderzoeken we verschillende etymologische opties. Volgens Dan Gibson betekent bakkah zoveel als huilen of treuren. In en rond Palestina worden meerdere plaatsen aangeduid met Bakka, om aan te geven dat hier ooit een grote tragedie plaatsvond. Door de geboorteplaats van Mohammed te associëren met Bakka indiceert de Koran mogelijk dat hier grote catastrofes hebben plaatsgevonden. Uit studies van de Universiteit van Arkansas (2012) blijkt dat Petra in de vierde en vijfde eeuw getroffen werd door catastrofale overstromingen die delen van de stad wegspoelden. De stad ligt dat ook in een nauwe vallei omgeven door een doolhof van smalle bergkloven. Ook werd Petra regelmatig getroffen door aardbevingen zoals in 363 en 551.

Wanneer we naar de Bijbelse versies kijken waarin het woord bakkah/bakah voorkomt kunnen we het woord associëren met boom. In de Hebreeuwse versie van het Oude Testament wordt de 'Vallei van Baca' aangeduid met 'emeq ha-Baka' dat 'vallei van de boom' of 'vallei der bomen' betekent. Bakka of Baca wordt ook wel vertaald naar balsemboom, een boom waarvin de hars welriekende harsachtige stoffen oplevert. Interessant is dat de Balsamodendron Opobalsamum ook wel wordt aangeduid als de Balsamboom of Mekka boom. Als Petra het oorspronkelijke Mekka is dan kan verklaard worden hoe de Balsemboom Palestina bereikte aangezien Petra in de tijd van de Nabateeërs waarschijnlijk de eerste plantage van Balsembomen had voordat de boom in de vallei van Jericho verschijnt. Dit lijkt overeen te komen met een recentelijke ontdekking van tweeduizend jaar botanische tuin in Petra met uitgebreide irrigatiesystemen en zelfs een zwembad.

Los van dit alles stond deze regio al in de oudheid bekend voor de productie en export van hoogwaardige balsem. Palestina exporteerde relatief weinig in de Klassieke Oudheid (voornamelijke graan en olijfolie) en het enige exportproduct van waarde was balsam. Palestina was de enige plaats in het Byzantijnse rijk waar deze boom groeide en dan met name in de oases van Jerico, En-Gedi en op de vlakte van Moab aan de oostelijke kant van de Jordaan. Hoe waardevol Balsem kon zijn blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in de dagen van Alexander de Grote de prijs van Balsem dat van zilver ver oversteeg. Het is daarom niet verwonderlijk dat Balsem, het meest lucratieve exportproduct van de Arabische wereld in de antieke wereld, wordt geassocieerd met Mohammed en zijn geboorteplaats. Probleem echter is dat Petra in deze periode het centrale punt van deze handel was en dat er aanwijzingen zijn dat hier een grote plantage stond voordat de boom werd geëxporteerd naar Palestina.

Safa en Marwa
Uit de biografie van Mohammed blijkt dat Mohammed zijn revelaties ontving in een grot onderaan de berg Hira. Hoewel Ibn Isḥāq Hira lokaliseert op het hooggelegen gedeelte van de stad is het probleem dat het huidige Mekka op een vlakte is gebouwd zonder hoge of lage delen. Een ander probleem is dat Mekka niet omgeven wordt door bergen maar door langzaam oplopende heuvels. Twee van deze bergen zijn belangrijk in de islamitische traditie: Safa en Marwa. De overlevering vertelt dat Mohammed een tawaf (ritueel, letterlijk betekenis is omcirkelen) verrichtte door tussen deze bergen heen en weer te rennen langs een watergeul. De oorsprong van de tawaf is te herleiden naar Hagar, de vrouw van Abraham, die tussen beide bergen naar water zocht voor haar kind (Hadith Boekhari 4:583,584 en Fiqh as Sunnah 5:85). Deze tawaf vereiste dat de pelgrim 7 keer tussen beide bergen liep. Uit Fiwh-as-Sannah (5:90) blijkt dat dit ritueel zo zwaar was dat sommigen, zoals de vrouw van Urwah bin al-Zubair, er drie dagen over deden. Tegenwoordig maken Safa en Marwa onderdeel uit van het complex van de heilige moskee in Mekka en bedraagt de onderlinge afstand ongeveer 150 meter en zijn ze minder dan 20 meter hoog. Wat je noemt een bijzonder geval van erosie.

Hoge en lage zijde en bergpassen
De ahadith vertelt hoe Mohammed van en naar zijn geboorteplaats reist. “Wanneer de profeet naar Mekka reisde kwam hij de stad binnen via de hoge zijde en verliet hij haar via de lage zijde”, zo vertelt Al-Boekhari in hadith 2:647. In hadith 2:815 vertelt Boekhari hoe Aïsha Mohammed ontmoette terwijl hij op weg was naar de hoogten rond de stad. Het huidige Mekka heeft geen hogere of lagere gedeelten rond de stad. In ieder geval zijn er nog vele andere vermeldingen van hoogteverschillen in de ahadith (Al-Boekhari 5:586, 4:227, 4:231 en tussen 2:645 en 2:657). Boekhari vertelt ons dat Mohammed Mekka binnenkwam via de hoge thaniya en vertrok via de lage thaniya (Al-Boekhari 2:645). Een thaniya is een bergpas, kloof of een lager gelegen deel van een bergrug. Ook in andere hadiths wordt verteld hoe Mohammed de stad betreed via een bergkloof aan de hoge zijde of lage zijde van de stad (3:891, 2:820). De geboorteplaats van Mohammed heeft dus een hoog- en laaggelegen plateau met beide een bergpas die toegang geeft tot de stad.

Afbeelding
De oostelijke thaniya die toegang biedt tot het hoog gelegen gedeelte van Petra. "Wanneer de profeet naar Mekka reisde kwam hij de stad binnen via de hoge zijde en verliet hij haar via de lage zijde”, zo vertelt Al-Boekhari in hadith 2:647. Links op de foto is de watergeul te zien die van het westen naar het oosten loopt.

Ibn Isḥāq vertelt in de biografie van Mohammed dat zijn geboortestad stadsmuren heeft. Al-Boekhari vertelt in hadith 2:685 dat wanneer Mohammed zijn rituelen verricht, zoals voorgeschreven door de gemeenschap van de Kaba, hij zevenmaal de afstand tussen Safa en Marwa aflegt al lopend in het midden van een irrigatiekanaal tussen beide bergen. Dit indiceert dat de geboortestad van Mohammed een Nabateense stad is. Nabateense steden beschikten over geavanceerde technieken voor irrigatie en waterbeheer.

De ahadith en de Koran suggereren dat de omgeving van Mohammed's stad vruchtbaar is. Vijanden van de profeet Mohammed (Koran vers 4:119) zijn vooral boeren en veehouders van buiten de stad. Al-Ṭabarī vertelt in volume 6 dat de stad is omringd door gecultiveerd land, onderverdeeld in verschillende districten (Ṣaḥīḥ al-Tirmidhi Ḥadīth 153). De vruchtbaarheid van de regio rondom wordt ook nog eens bevestigd in Mohammed's biografie van Ibn Ishaq: “Toen zij in Mekka arriveerden zagen zij dat de stad gezegend was met water en bomen en vestigden zij zich aldaar.”

Qibla (bidrichting)
Dan Gibson maakt in zijn boek Qur'ānic Geography een uitgebreide studie van vroeg Arabische gebedsplaatsen en komt tot de conclusie dat tot 750 alle heiligdommen (moskeeën) in de richting van Petra werden gebouwd. Uit ander onderzoek blijkt dat er minstens twee cultuurgebieden waren die elk een eigen bidrichting hadden.

Qibla -> Meda'in Saleh
Creswell en Fehervaro onderzochten oude islamitische heiligdommen uit de zevende eeuw in Wasit en Bagdad. Beide heiligdommen hadden een qibla die 33 respectievelijk 30 graden afwijkt van de huidige gebedsrichting naar Mekka. Het oorspronkelijke grondplan van de Amr al As moskee in Fustat nabij Caïro heeft een gebedsrichting die ook in de richting van Noordwest Arabië wijst. Volgens Ahmad B. al Maqrizi, een Egyptische historicus uit de veertiende eeuw, wees de Qibla vanuit Fustat naar een locatie iets ten zuiden van het oosten. Als we deze qibla's projecteren op een kaart van het Midden-Oosten dan vallen zij samen in de omgeving van Al Hijer (Meda'in Saleh), in het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië.

Qibla -> Petra
De eerste Arabische dynastie die over een groot deel van het Midden-Oosten heersten, de Umayyaden, bouwden befaamde paleizen en gebedshuizen. In 724, honderd jaar na de dood van Mohammed, wordt nabij Jericho de Khirbat al Mafjar moskee gebouwd. Opmerkelijk is dat qibla recht naar het zuiden wijst. In Bosra, gelegen op de huidige grens tussen Syrië en Jordanië, wordt in 720 de Umar Moskee gebouwd die niet in de richting van Mekka maar naar het zuidwesten wijst.
In 743 bouwt deze dynastie een groot paleis complex, Qasr al-Mushatta, ten zuiden van Amman. De moskee binnen dit complex wijst naar het zuidwesten en niet naar Mekka dat zuidzuidoost van Amman ligt. De belangrijkste aanwijzing met betrekking tot deze Qibla echter is dat in de nabijheid van de Jordaanse havenstad al Aqba en Humeima gebedshuizen uit de 7 eeuw zijn gevonden met een Qibla die naar het noorden wijst. Als deze lijnen worden doorgetrokken dan is Petra het snijpunt.

Profielschets
Resumerend, de Koran en de overleveringen bieden voldoende aanknopingspunten om een profielschets voor Mohammed's geboortestad op te stellen. De stad heeft een Kaba, ligt in een vallei met daaraan parallel een zustervallei, beschikt over geavanceerde technieken voor waterbeheer, heeft twee bergen (Safa en Marwah) waartussen watergeul loopt, heeft twee bergpassen die toegang geven tot de hoge zijde en lage zijde van de stad, een vruchtbaar achterland dat is onderverdeeld in verschillende districten. Verder weten we dat de stad welvarend is, stadsmuren geeft, grote legers en karavanen op de been kan brengen en op het kruispunt van belangrijke handelsroutes ligt.

Dan Gibson legt in zijn boek Qur'ānic Geography uit dat alleen Petra aan deze profielschets kan voldoen. De stad ligt op een vlakte omringd door lage heuvels, kent geen waterlopen, heeft geen zustervallei, geen bergpassen en al helemaal (gelegen in een dorre woestijn) geen agrarisch achterland. Het moge duidelijk zijn dat Mekka niet beantwoordt aan deze schets. De stad ligt op een vlakte omringd door lage heuvels, kent geen waterlopen, heeft geen zustervallei, geen bergpassen en al helemaal (gelegen in een dorre woestijn) geen agrarisch achterland. Pas in 741 verschijnt de eerste literaire vermelding van Mekka in de Continuatio Byzantia Arabica en daarna duurt het nog decennia voordat de naam Mekka in Arabische publicaties voorkomt, hoewel de naam zo nu en dan opduikt in vroeg Islamitische correspondentie. De stad zelf wordt pas rond het jaar 900 voor het eerst aangegeven op kaarten.

Verder zijn er ook andere bronnen (die later uitgebreid aan bod zullen komen) die dit beeld bevestigen. De Petra Papyri beschrijven het agrarische achterland van Petra met een eigen districtenstelsel en beschrijven religieuze gebruiken die nauw aansluiten bij het centrale thema van de Koran, de eenheid van God. In Petra en de Nabateense stad Nessana wordt het concept van de christelijke drie-eenheid zoveel mogelijk genegeerd. Verder zijn er overeenkomsten tussen de beschrijvingen van rechtsprocedures in de Koran en de papyri van Petra en Nessana.

Later in dit onderzoek zullen we ook op andere manieren aantonen waarom Petra de geboortestad van de profeet Mohammed is. Het bronmateriaal waar de Koran uitvoerig uit citeert en regelmatig becommentarieert is voor de codificatie is ruim voorhanden in M'adina en Petra. Zo is het Koranische commentaar op Jezus afkomstig uit een evangelisch manuscript dat de Bijbel niet heeft gehaald en op enkele kilometers afstand van M'adina (Al-Karak) werd geschreven, aan de oevers van de dode zee. Het gebied rond de Dode Zee was tussen 250 voor Christus en 100 AD het epicentrum van allerlei sektes en groeperingen die vele religieuze epistels hebben nagelaten, zoals de befaamde Dode Zee Rollen (Qumran rollen) . Het feit dat de Koran zelfs een passage aan het leven van Alexander de Grote wijdt wordt begrijpelijk in de wetenschap dat Petra een filosofische school had die zelfs de Atheense intelligentsia heeft beïnvloed. Ook vertelt de Koran het verhaal over de zeven slapers (gezellen van de grot). Een groep van zeven Christelijke jongelingen die, om aan vervolging te ontkomen, zich verstoppen in een grot. In de oorspronkelijke versie speelt dit verhaal zich af in de Byzantijnse stad Ephesus. De Koran verplaatst in soera 18 (verzen 9-26) de locatie naar Al Raqim. Al Raqim is de Semitische naam van Petra (rqm/rkm).

Matching M'adina met Al-Karak
Ten oosten van de Dode Zee ligt aan de beroemde Koningsweg het strategisch gelegen Kerak plateau (ook gespeld als Karak). Op het uiterste zuidpuntje ligt op 950 meter hoogte de stad Al-Karak, een stad die al in de Bijbel bekend was als Qir-hareseth. Omdat de stad zeer strategisch is gelegen bouwden de Kruisvaarders er een beroemd kasteel dat nu nog het zicht van de stad bepaald. Wat ons fascineert is dat deze stad (en Petra) ontbreekt in het verslag over de verovering van Palestina, de eerste militaire campagne van Mohammed en zijn beweging. Hoe belangrijk deze stad was blijkt uit de Madaba mozaïek kaart, de oudste kaart van Palestina en omliggende gebieden. Deze kaart dateert uit de zesde eeuw en toont het gebied tussen het westelijke en moderne Jubayl in Libanon tot de oostelijke steden Petra en Al-Karak.

Afbeelding
Fragment van de beroemde Madaba mozaïek kaart met de stad Petra

In de eerste eeuwen na Christus is het Kerakplateau druk bewoond. Vanaf de vierde eeuw tot halverwege de zesde eeuw neemt de bevolking langzaam in aantal af. Nederzettingen worden verlaten en de hoeveelheid bewerkte grond wordt significant kleiner. En dan ineens, gedurende de laatste decennia van de zesde eeuw vindt er een bevolkingsexplosie plaats. Veel dorpen worden weer bewoond en het agrarische areaal is duidelijke zichtbaar. Het is nu moeilijk voor te stellen maar in de zesde eeuw waren de klimatologische omstandigheden in Palestina of Transjordanië relatief gunstig. Dankzij Nabateense technieken was het waterbeheer effectief en konden relatief grote populaties leven in een verder ontoegankelijk gebied. Nabateeërs en voorgaande culturen bouwden hun plaatsen bij voorkeur naast op of een plateau waarbij een stelsel aan ondergrondse waterkanalen en opslagtanks zorgden voor voldoende water in droge periodes. Overigens het patroon van hervestiging waarneembaar van ruwweg het Kerakplateau tot het oosten van Petra in de laatste decennia van de zesde eeuw.

Bevolking
In de zesde eeuw wordt het driehoekige Kerka plateau gedomineerd door twee steden. De stad Kharkka (het moderne Al-Karak) aan de zuidelijke rand heeft een Aramese signatuur. Ten noorden ligt het Byzantijnse Aeropolis (het moderne Jordaanse Rabbah). Al-Karak wordt door Bijbelse onderzoekers geassocieerd met Qer Harreseth en Moab Rabbath. De stad wordt al sinds de IJzertijd bewoond. Zoals de meeste steden langs de Koningsweg is de bevolking van Kharkka sterk gemêleerd. De stadselite is Griekstalig en de Christelijke eredienst wordt in het Syro-Aramees gehouden. Een groot deel van de bevolking bestaat uit de afstammelingen van Nabateense inwoners en nieuwkomers uit de zuidelijke woestijn. Dit deel van de bevolking spreekt een vorm van Arabisch, heeft nog geen eigen schrift en is niet echt ontvankelijk voor het kernstuk van de Byzantijnse orthodoxie, de christelijke drie-eenheid.
In de eerste helft van de zesde eeuw vormt het Kerak plateau tevens de scheidslijn tussen het gebied waar Constantinopel rechtstreeks bestuurt en die gebieden waar het openbaar bestuur wordt overgelaten aan een vazalstaat, het Ghassanidische koninkrijk. Dit Arabische koninkrijk was als het een ware een bufferzone voor Constantinopel tegen het Perzische Rijk van de Sassaniden en de Lakhmiden in Irak. Door de intensieve oorlog met het Perzische Rijk had Constantinopel in de loop van de vijfde eeuw steeds minder middelen om het bestuur in Palestina en Transjordanië zelf te regelen. In ruil voor zelfbestuur leverden de Ghassaniden troepen voor de strijd tegen de Perzen.

Afbeelding
De Dode Zee met op de achtergrond het Kerak plateau.

Veranderende machtsverhoudingen op het Kerak plateau
Deze constructie werkte goed totdat koning al-Harith ibn Jabalah aan het einde van zijn heerschappij (na 560) de Jacobijnen steunde (Jacobijnen veronderstelden dat de natuur van Christus zowel menselijk als goddelijk is). In ieder geval is dit tegen het zere been van Byzantijnse geestelijken die al-harith van ketterij beschuldigen en een groot deel van zijn onderdanen die neigen naar een vorm van monofysisme, dat de natuur van Christus als menselijk omschrijft. In 572 verbreekt Constantinopel voor drie jaar de diplomatieke betrekkingen met de nieuwe heerser Al-Mundhir. Nadat in 575 de relaties worden hersteld vallen de Ghassaniden met een Byzantijns leger in 581 gezamenlijk de Perzische hoofdstad Ctesiphon aan. Deze campagne mislukt en Al-Mundhir wordt tot zondebok uitgeroepen. Het Ghassanidische Koninkrijk, feitelijk een stammenverbond, valt in 584 uiteen. Het machtsvacuüm dat nu ontstaat schept de noodzakelijke ruimte voor het ontstaan nieuwe stammenfederaties in Transjordanië, een proces dat uitvoerig belicht zal worden.

Voordat we terugkeren naar de situatie rond het Kerak plateau moet eerst de nalatenschap van de Ghassaniden worden geduid. De militaire kracht van haar leger was de cavalerie en vormde de mobiele slagkracht van de Byzantijnse legers. Tijdens conflicten met de Sassaniden vormden Ghassanidische eenheden de voorhoede, voerden ze verkenningsmissies uit. De Ghassanidische cavalerie voerde politionele acties uit tegen Arabische bondgenoten van de Perzen. Bijzonder effectief is haar slagkracht tegen de Lakhmiden die haar cavalerie nog hoofdzakelijk formeert met kamelen. Wanneer in 584 de Ghassanidische federatie wordt ontbonden verdwijnt de vazalstaat maar blijft de militaire slagkracht die, tot de komst van de nieuwe stammenfederatie is verdeeld over verschillende gebieden en stadstaten, aanwezig. Deze ontbinding heeft strategische consequenties voor het Kerak plateau. Aeropolis houdt in het noorden een klein Byzantijns legioen maar ten zuiden ontstaat een soort niemandsland zonder centraal gezag.

M'adina
De Islamitische traditie zelf geeft maar weinig aanwijzingen over en voor de positie van M'adina. In vers 9:101 zegt de Koran dat M'adina een stad is en dat haar inwoners eerstens afwijzend tegenover de ideeën van Mohammed staan. In vers 9:230 staat dat de stad wordt omgeven door nomadische stammen. Uit hadith (Al-Boekhari 3:113) valt af te leiden dat M'adina naast een vallei ligt. Deze vallei bevat 'onzuiver en gekleurd water' dat blijkbaar zorgt voor allerlei ziektes binnen het gevolg van Aïsha. Verder vertelt Al-Boekhari dat Mohammed uitkeer over forten of 'hoge huizen' en dat zijn vijand 'Ad-Dajjal ' zal stranden 'in de zoute onvruchtbare gebieden buiten M'adina'. Het huidige Al-Karak is gelegen op de meest zuidelijke uitloper van het Kerak plateau en ligt naast een wadi, een type vallei dat in de winter droogstaat en zomers volloopt. De wadi naast Al-Karak heeft een eigen stroomgebied en het is dan niet moeilijk voor te stellen dat hier zomers een drassig landschap ontstond met stilstaand water van geringe diepte, een ideale voedingsbodem voor ziektes en epidemies. Op het Kerak plateau zelf werden als sinds de IJzertijd burchten en forten gebouwd. Al-Karak kijkt uit over de Dode Zee – veel zouter kun je het niet krijgen. In de tweede helft van de zesde eeuw wordt Al-Karak in het Aramees aangeduid met Kharkka dat zoveel als 'omwalde stad' betekent. Arabische inwoners noemen de stad dan ook M'adina. De Islamitische traditie stelt dat chaotische taferelen M'adina beheersen voor de komst van Mohammed. Dat is te verklaren met het uiteenvallen van de Ghassanidische federatie in 584. Meerdere steden langs de Koningsweg worden getroffen door een machtsstrijd tussen stamhoofden en warlords.

Ook kunnen we de kronieken van de Armeense bisschop Sebeos gebruiken om Al-Karka aan M'adina te koppelen. Sebeos schrijft dat de eerste Byzantijnse stad die door de 'zonen van Abraham' wordt ingenomen Aeropolis is (Moab Rabbath) wanneer zij optrekken vanuit de P'arhan woestijn, in de Arabische traditie de woestijn rond de heilige steden. En dat is, zoals we nu kunnen aannemen, het gebied rond M'adina en Petra.

Afbeelding
Al-Karak (Medina) in Jordani

Maar de belangrijkste redenen om Al-Karka aan M'adina te koppelen is dat het enerzijds de ideale locatie is waar de doctrine van Mohammed, of zijn beweging kan worden beïnvloedt door Samaritaanse, Christelijke, Joodse en Perzische invloeden en anderzijds dat deze stad de perfecte uitvalplaats is Mohammed bij zijn streven om het nabijgelegen land, Palestina, als eerste te veroveren of te herenigen met zijn eigen beweging. Maar nog belangrijker, er ontstaat zo een nieuwe en logische tijdslijn die we kunnen gebruiken als raamwerk om het leven van Mohammed en zijn Koran te kunnen begrijpen.

Nieuwe Islamitische tijdslijn
Nu we Mekka en Media hebben herleid tot Petra en Al-Karak wordt inzichtelijk wat er precies gebeurde en wat de achtergronden waren. Samengevat is het een ongekende samenloop van omstandigheden die te maken hebben met wraak, Messiaanse profetieën, Byzantijnse vervolgingen en een nieuw religieus bewustzijn. Deze gebeurtenissen zullen in komende hoofdstukken worden uitgewerkt maar hier is alvast een nieuwe tijdslijn.

578: Laatste opstand der Samaritanen wordt neergeslagen. Nog meer Samaritanen migreren naar Transjordanië.
581: Ghassaniden vallen samen Byzantijnse troepen de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon aan. De campagne mislukt en de Ghassanidische koning al-Harith ibn Jabalah krijgt de schuld.
584: Byzantijnen ontbinden Ghassanidische federatie.
600-614: Nieuwe stammenfederatie ontstaat in Transjordanië als opvolger van de Ghassanidische federatie met als hoofdstad Al-Karak/Medina. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe stammenfederaties in Kufa en Noordwest-Arabië.
614: Perzische Sassaniden en de Medinaanse federatie nemen Byzantijns Jeruzalem in.
622: Mohammed migreert vanuit Petra (Mekka) met de Hunifa naar Al-Karak (Medina).
628: Sassaniden sluiten vrede met de Byzantijnse Keizer Heraclius. Leden Medinaanse coalitie wijken uit maar Al-Karak (Medina).
629: Heraclius levert slag met de federatie van Medina op het slagveld van Mu'tah, ten oosten van Al-Karak
630: Byzantijnen trekken op naar Jeruzalem en trekken op 21 maart 630 de stad binnen.
634: De federatie van Al-Karak (Medina), al dan niet onder leiding van Mohammed, verovert Jeruzalem.


Laatst gewijzigd door Wilfred op Za Feb 25, 2017 9:26 pm, 9 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Nov 25, 2016 7:14 pm

Hoofdstuk 4 De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en Byzantijnse strijd tegen paganisme

Inleiding
Veel materiaal over en studies naar de oorsprong van het vroege Christendom is nogal obscuur. De officiële kerkgeschiedenis (orthodox of katholiek) is niet te verifiëren aan de hand van archeologische bestanden of bewijsmateriaal uit de eerste vier eeuwen na Christus. Zeker de West-Romeinse steden zijn volledig gevrijwaard van enige vorm van Christelijke uitingen, kunst of literatuur. Zo zijn de prachtige verhalen over vervolgingen onder Nero of martelaarschap in het Coliseum allen verzonnen. Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk kreeg de kerk het monopolie op cultuur en onderwijs en werden vrijwel alle exemplaren van klassieke werken door haar beheerd en gekopieerd; uiteraard de kans bij uitstek om de geschiedenis naar haar hand te zetten. Historische overzichtswerken werden vanaf de laat antieke periode en vroege Middeleeuwen door geestelijken geschreven waardoor veel feiten mogelijk gekleurd zijn door geloofsovertuiging of door het verlangen om voorgaande gebeurtenissen in het perspectief van de kerkelijke ontwikkeling te plaatsen. Zoals u ziet is het vooruitgangsgeloof tijdloos.

In dit hoofdstuk onderzoeken wij hoe het vroege Christendom het ontstaan van de Islam heeft kunnen beïnvloeden. Hierbij moet, door de versplintering van opvattingen en interpretaties en verschillende geloofsbelevingen onder etnische groepen keuzes worden gemaakt. Waarschijnlijk hebben tientallen Christelijke sekten op geheel eigen wijze bijgedragen aan de ontwikkelingen van eind vijfde en begin zesde eeuw. Daarom concentreren wij eerst ons op de omgang tussen de Byzantijnse orthodoxie en niet-christelijke en semi-christelijke bevolkingsgroepen.

Maar voordat we dat doen nog een aantal opmerkingen over onderzoek naar het vroege Christendom. De stad Petra lijkt ook hier mogelijk een belangrijke rol te spelen. In de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament, geschreven in het Koine Grieks (de lingua franca van het Midden-Oosten tussen de derde eeuw voor en derde eeuw na Christus) staat dat Jezus zijn kerk op Petra zal bouwen waar latere vertalingen Petros gebruiken. De oudste Christelijke kerk dateert uit 293 en werd gebouwd ten zuiden van Petra gebouwd in Aqaba. Nabateense heiligdommen in Petra zijn voorzien van Christelijke kruizen die te dateren zijn naar vroeg tweede eeuw. In Petra werd de 'Here God' (Dushura) aanbeden met naast zich een vrouwelijke drie-eenheid. Duidelijk waarneembaar is hoe, stapsgewijs, Christelijke sekten deze vorm van drie-eenheid transformeren naar de Christelijke drie-eenheid. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de Mariamisten in Transjordanië die in de vijfde eeuw Maria aanbidden als onderdeel van de 'heilige drie-eenheid'. Kortom, er zijn nog genoeg uitdagende onderzoekslijnen voor de toekomst.

Het Christendom nestelt zich in het centrum van de macht
Tot aan het aantreden van Constantijn de Grote in 306 is de macht van het Christendom in het Romeinse Rijk triviaal. Onduidelijk is of Constantijn zich tijdens zijn leven heeft bekeerd; wel staat vast dat voor zijn sterven hij in Niceomedia tot Christen wordt gedoopt. Zijn belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling van het vroege Christendom is zonder meer het besluit om te stoppen met het vervolgen van Christenen.
In 313 publiceert zijn regering het Edict van Milaan dat godsdienstvrijheid aan alle religies toekent. Dit edict was feitelijk de eerste scheiding tussen kerk en staat. Hierbij moet worden opgemerkt dat historici betwijfelen of dit edict ook echt bestond. In ieder geval is het Romeinse Rijks nu een rijk zonder staatsreligie waar de invloed van het Christendom op de staat snel toeneemt.

Dit proces begint op 7 maart 321 wanneer keizer Constantijn de zondag verheft tot een christelijke feestdag. Vanaf dat moment worden regelmatig edicten uitgevaardigd waardoor de Christelijke invloed op het openbare leven snel groter wordt. Tien jaar later begint men met de canonisatie van de bijbel en de verspreiding van de leer. De kerk stelt bisschoppen verantwoordelijk voor verdere ontwikkeling van kerkelijke doctrines terwijl de keizer zich bezig houdt met het opleggen van deze doctrines, het bestrijden van ketterij en behouden van de kerkelijke eenheid. Vlak voordat Constantijn sterft beginnen de eerste vervolgingen van niet-christelijke religies met het vernielen van paganistische tempels en ereplaatsen.

Breuk met het verleden
Deze politiek van Constantijn is een duidelijke breuk met het verleden. Aangezien de Romeinen regeerden over vele volkeren waren ze bovenal praktisch ingesteld. Zo zagen zij dezelfde goden onder verschillende namen verschijnen in diverse delen van het imperium en waren zij algemeen genomen tolerant tegenover nieuwe religies die zij tegenkwamen na het veroveren van nieuwe gebieden. De Romeinse benadering van religie kan als semi-syncretisch worden gedefinieerd. Romeinen waren specialisten in het blenderen van overtuigingen en rituelen uit verschillende stromingen en rijksgebieden.

Maar in tegenstelling tot het veelgodendom van de Romeinen was de nieuwe Christelijke religie monotheïstisch van aard. Dit zorgt voor een trendbreuk in geloofsbeleving. In een polytheïstische samenleving zijn de goden onafhankelijke individuen met verschillende achtergronden, interesses en een specifieke groep aanhangers binnen diezelfde samenleving. In de waarneming van de gelovige is een god afwezig totdat het aanbreken van een specifieke gebeurtenis of kalenderdag zijn aanwezigheid vereist. Zo heeft elke god een specifieke en soms kwalitatieve taak en dus is hij of zij niet altijd van waarde voor de gelovige. De gelovige heeft dus veel vrijheid bij het invullen van zijn eigen geloofsbeleving aangezien de zorgen van vandaag niet de zorgen van morgen hoeven te zijn. Wanneer het monotheïsme zijn intrede doet in het Romeinse Rijk is het basisconcept vrijwel uitontwikkeld: er is één god die alles uniformeert en omvat, schept en beoordeelt. Als logische consequentie is alles wat hiermee conflicteert bedreigend voor een evangelische religie zoals het Christendom.

De Septuagint
De vroeg christelijke kerk baseert zich op de Septuagint, een vertaling van van de Hebreeuwse bijbel en gerelateerde teksten naar het Alexandrijnse dialect van het Grieks (ἡ κοινὴ διάλεκτος), dat later het Bijbelse Grieks zou worden. Deze tekst definieert alle goden van niet-christelijke oorsprong als duivels.
Het was dus slechts een kwestie van tijd voordat de opkomst van het Christendom zorgde voor een cultuurschok in het Romeinse Rijk zo halverwege de vierde eeuw. De nieuwe kerkelijke autoriteiten begonnen met een verbale en schriftelijke demoniseringspolitiek van niet-christelijke religies aangezien zij de gezanten waren van de “ene en ware god” (zie hiervoor o.a. De Brieven van Bisschop Ambrosius, Milaan, 384) en poogden de wereldlijke autoriteiten (Romeinse keizers en gouverneurs) te bewegen om maatregelen tegen heidenen, paganisten en Christelijke sekten in te stellen.

Eerste Maatregelen
Aanvankelijk zijn voornamelijk paganistische tempels en religieuze symbolen het doelwit van deze nieuwe politiek en worden afgebroken. Zijn opvolger, Constantijn de Tweede, gaat een stap verder en vaardigt nieuwe wetten uit die het verbiedt om niet-christelijke erediensten te houden en starten burgers met het vandaliseren van niet-christelijke grafmonumenten en tempels.

Op 20 februari 356 vaardigt keizer Constantijn II een wet uit die het verbiedt om paganistische afbeeldingen te vereren of te aanbidden. Dit resoneert naar latere christelijke stromingen die het afbeelden van heiligen verbieden, omdat afgoderij meerdere malen verboden wordt in het Hebreeuwse en Oude testament. U bent wellicht bekend met de beeldenstorm of het iconoclasme, de vernietiging van religieuze afbeeldingen of iconen. De eerste bekende voorbeelden zijn van die van Melkitische koning Iezid II (bekend als Kalief Iezid II van de Ommaijaden in de Islamitische traditie) II die tussen 720 en 724 de vernietiging van alle afbeeldingen in Christelijke kerken verordonneerde2 en de Byzantijnse keizer Leo III die in 726 tot hetzelfde besluit kwam. In ieder geval zal het verbod op afbeeldingen stapsgewijs uitgroeien naar een totalitair dogma dat in de zesde eeuw het Byzantijnse Rijk verleidt tot een aantal vernietigingsoorlogen tegen niet-christelijke volkeren en dan met name de Samaritanen.

De oorsprong van het iconoclasme vinden we in de leer van het Monofysitisme (hier zullen we later uitgebreid aandacht aan besteden). Al vroeg in de vijfde eeuw verbood de Monofysistische bisschop van Hierapolis, Philoxenus van Mabbug, het afbeelden van heiligen en engelen. Aanhangers van deze leer hadden al lang veelvuldig geklaagd over het gebruik van religieuze afbeeldingen lang voordat de Byzantijnse controversie in 726 uitbrak en waren sterk vertegenwoordigd in de Levant en Egypte. Deze denkbeelden weren later overgenomen door onder meer de Paulicianen, een christelijke sekte uit de zuidelijke Kaukasus, orthodoxe gelovigen op het Byzantijnse platteland en geformaliseerd door Johannes van Damascus rond het jaar 730.

Impact van deze maatregelen
De impact van alle maatregelen tegen heidense praktijken zijn voorlopig gering. De Romeinse en Byzantijnse keizers regeren over een groot rijk, een groot deel van de bevolking is (semi) paganistisch en te talrijk om in een christelijk keurslijf te worden gedwongen.1 . Uitvoering van de wetgeving wordt vooral verhinderd door het grote aantal 'paganistische' magistraten en gouverneurs in het Byzantijnse Rijk.2 Tussen 361 en 375 leven paganisten daarom in relatieve rust. Maar stapsgewijs worden maatregelen doorgevoerd en blijven christelijke proclamaties andersgelovigen beledigen:

    365: Een Byzantijns edict verbiedt paganisten om als officier christelijke gelovigen aan te voeren.
    379: De geloofsbelijdenis van Nicene wordt per keizerlijk decreet de christelijk standaard binnen het Byzantijnse Rijk.
    381: Theodosius I verbiedt het bezoeken van heidense tempels en erediensten. Hiermee begint officieel de vervolging van de Romeinse religie in het Oost-Romeinse Rijk. Keizer Theodosius herbekrachtigd de ban die Constantijn uitsprak over Romeinse tradities. Hij vaardigt nieuwe wetten uit die het mogelijk maken magistraten te vervolgen indien zij niet optreden tegen polytheïsten en staat aanvallen op Romeinse tempels oogluikend toe.
    384: Theodosius I laat heidense tempels in Klein-Azië afbreken.
    389: Vertegenwoordigers van Christelijke stromingen die de standaard van Nicaea niet volgen worden uit de officiële kerk gezet. Arianen worden uit Constantinopel verdreven en hun kerken gesloten.

In 392 wordt Keizer Theodosius I alleenheerser wanneer de troon van het West-Romeinse Rijk hem toekomt. Nadat bisschop Ambrosius van Milaan in 390 Theodosius I bedreigt met excommunicatie escaleert het. Op 8 november 392 verbiedt Theodosius I alle niet-christelijke rituelen als bijgeloof (gentellica superstitio) en verordonneert grootschalige vervolgingen van niet-christelijke religieuzen. Het infame Edict van Theodosius uit 391 verklaart de oorlog aan het paganisme, inclusief de semi-christelijke religies van het Midden-Oosten. Hij beveelt de sluiting en vernietiging van tempels, heilige plekken, iconen en religieuze relikwieën door het gehele Romeinse Rijk.


Paganistische opstanden in Palestina en Transjordanië

Theodosius I draagt Cynegius, Pretoriaanse prefect van het oostelijke rijksdeel, op om de aanbidding van valse goden in Palestina en Egypte te verbieden en hun tempels af te breken. Deze vernietiging van heiligdommen vind plaats onder aanvoering van orthodoxe bisschoppen en monniken. Plaatsen waar deze vernielingen plaatsvinden hebben algemeen genomen in een apart ommuurd stadsdeel een garnizoen, bisschops- of gouverneurszetel. Veel steden in het Byzantijnse deel in Het Midden-Oosten hebben een gemengde bevolking die verschillende religies aanhangen. De Byzantijnse bovenlaag woont, voor de eigen veiligheid, in een eigen wijk. Ook nu blijkt dat regeren vooruitzien is. Er breken hierop opstanden in steden als Petra, Aeropolis en andere steden in de Levant. (241) In deze steden zijn sterke zuilen aanwezig die zich hevig verzetten tegen de politiek van Theodosius I.

In ieder geval is Theodosius I niet onder de indruk. In 393 scherpt hij zijn wetgeving verder aan met het verbieden van elke publieke uiting van niet-christelijke religieuze gebruiken. Tevens pakt hij aanhangers van het manicheïsme, een dualistische filosofische stroming uit de late oudheid, keihard aan. De stroming leerde over de algehele tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen ziel en stof. In dit dualisme zag Mani, de oprichter, zich als de door Jezus beloofde definitieve verlosser. De canon van deze stroming wordt grotendeels geschreven in het Syro-Aramees. Volgens wetenschapper Kurt Rudolph was Manicheïsme de populairste vorm van gnosticisme. Het was zo verspreid dat hij het als een van de vier wereldreligies beschouwt, samen met Boeddhisme, Christendom en de Islam.

De Christelijke Drie-eenheid
Om de 'paganistische' opstanden langs de aloude Koningsweg, in steden als Petra en Aeropolis, te begrijpen moeten we een ontwikkeling duiden die zich langzaam aftekent na de eerste eeuw. Dat begint met een studie van het vroege Christendom.

Het heeft lang geduurd voordat het besef ontstond dat het vroege Christendom helemaal niet zo unitair was als de kerkelijke traditie altijd voorschreef. Tot 1934 waren afwijkende visies over de ontwikkeling van het Christendom heidens omdat vrijwel unaniem werd aangenomen dat de Katholieke en Orthodox-christelijke traditie het authentieke Christendom vertegenwoordigden. De publicatie van Walter Bauer's Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten Christentum maakte echter duidelijk dat het vroege Christendom divers was en verscheidene stromingen omvatte die allen een gelijkwaardige claim op de apostolische traditie konden doen gelden. I
In de tweede en derde eeuw zijn er talloze stromingen die elkaar beconcurreren, bevechten en een plek in de (lokale) machtsstructuur proberen te verwerven. Het oosten van het Romeinse Rijk en de Levant zijn vergeven van profeten, sektes en missionarissen die allen een eigen visie op het christelijke evangelie hebben. Arianen, Ebonieten, Basilidiërs, Mandaeërs, Kaïnieten, Borboriten, Carpocratiërs, Simonianen, Ophiten, Marcionisten, Adoptionisten en andere Gnostici hadden alle aperte visies. Later komen daar nog stromingen bij als het Monofysitisme en Nestorianisme die zelf ook weer versplinteren.

Richtingenstrijd
Het belangrijkste theologische struikelblok hierbij is hoe de relatie tussen God en Jezus moet worden gedefinieerd. Rond het jaar 300 steunen veel theologen het dogma van de drie-eenheid, het idee dat er één God bestaat in drie goddelijke personen (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Helaas is niet iedereen even enthousiast. De Arianen bijvoorbeeld stellen dat zowel Jezus als de Heilige Geest ondergeschikt zijn aan God. Keizer Constantijn moet daarom na zijn aantreden al snel handelend optreden. Om te voorkomen dat hij voortdurend moet bemiddelen bij verschillende religieuze conflicten roept hij in 325 het Concilie van Nicaea bijeen, effectief de eerste Oecumenische bijeenkomst. Het is een eerste poging om een orthodoxe standaard voor de gehele kerk te definiëren.

Het resultaat is een geloofsbelijdenis, de drie-eenheid, die stelt dat God en Jezus Christus, zijn zoon, van “dezelfde substantie” zijn. Substantie refereert hier aan het Griekse woord homoousios dat in religieuze werken van die tijd werd gebruikt om de relatie tussen God en Jezus Christus aan te geven, en dan met name om het dogma van de drie-eenheid te bevestigen. Dit gegeven zullen we later gebruiken worden om te bepalen hoever een christelijke stroming afstaat van de officiële doctrine.

Keizer Constantijn heeft ook een sterk persoonlijk belang bij het Concilie van Nicaea. Na de tumultueuze derde eeuw, waarin Romeinse Keizers maar kort regeerden en de ene staatsgreep de andere opvolgde, kunnen nieuwe vormen en groepen zijn bewind legitimeren. Tot dan toe waren keizers alleen verantwoording schuldig aan de goden, als ze al niet zelf als god werden aanbeden. Na 325 krijgen Romeinse keizers een nieuwe rol: de plicht om als beschermheer van de kerk de orthodoxe standaard te handhaven en te versterken. Dit wordt uiteindelijk de strijd tussen de doctrine van de drie-eenheid van de staatskerk en sektarische stromingen die daar toch iets anders over dachten. Na 325 volgen er talloze conflicten. Nieuwe concilies worden bijeengeroepen en de kerkelijke autoriteiten in Constantinopel werken voortdurend aan de versterking van de orthodoxe doctrine.

Byzantijnse vervolging in de vijfde en zesde eeuw
Aan het begin van der vijfde eeuw zoeken Byzantijnse keizers naar praktische oplossingen voor alle sektarische problematiek binnen het rijk. De standaard van Nicaea heeft voor meer onrust gezorgd en nieuwe theologische conflicten duiken voortdurend op. Wanneer de Byzantijnse Keizer Theodosius de Tweede in 408 wordt bekleed met regeringsmacht zit hij dan ook opgescheept met de rigide wetgeving van zijn voorgangers. Op een van zijn eerste reizen bezoekt hij Petra in Transjordanië. Hij raakt danig onder de druk van de desolaatheid en afgelegenheid van deze stad. Is Petra misschien de ideale plaats om sektarische dissidenten te isoleren?

Ontwikkeling van de Byzantijnse verbanningspolitiek
Verbanning naar grensgebieden of gebieden die onder direct militair gezag stonden waren tot het jaar 400 uiterst zeldzaam. Tenminste, vooral voor senatoren en hoogwaardigheidsbekleders die rechtstreeks door de keizer waren veroordeeld. In de loop van de vierde eeuw ontstaat een patroon waarbij gouverneurs, imperiale magistraten en de Byzantijnse keizer steeds meer kiezen voor verbanning naar de buitengebieden van het Rijk. Steden waar sektarische dissidenten naar toe worden gestuurd liggen voornamelijk in de bisdommen van Thrace en Pontus, het zuiden van Egypte en kerkprovincies in oostelijk Palestina zoals Palmyra, Petra en Aila. Een aantal verbanningsgebieden lagen ook in gebieden waar hevig werd gevochten zoals in de bergen tussen Cappadocia en Armenië.

Met het aantreden van de Romeinse keizer Constantijn veranderen stapsgewijs de overwegingen om iemand wel of niet te verbannen. Zo vindt men nu dat de plek van verbanning in overeenstemming moet zijn met de zwaarte van de misdaad. Tegelijkertijd associeert men verbanning nu met sociale hygiëne. Vooral religieuze misdaad wordt nu geassocieerd met zaken als ziekte, overlijden en besmetting. Om te voorkomen dat de directe omgeving ook werd getroffen door, wat velen zagen als een straf van god, was het niet meer dan redelijk om de dissident zover mogelijk te verbannen. Heidenen en ketters moesten afgezonderd worden zodat de gedachten van de mensen gezuiverd konden worden (tergeantur). Of in de bewoordingen van de Theodosische edicten uit 429:

“Adeant loca, quae eos potissimum quasi vallo quodam ab humana communione secludant.”


Dissidenten werden naar plaatsen gezonden waar zij als het ware door een fortificatie (vallum) gescheiden werden van 'de gemeenschap der mensen'.

Nestorius: gedocumenteerde verbanning naar Petra
Tegen deze achtergrond raakt Theodosius II na 430 bij het conflict rond Nestorius. Eigentijdse bronnen stellen dat deze monnik in 381 of 386 wordt geboren in Germanicia in de Romeinse provincie Syria. Ook Nestorius heeft zo zijn eigen opvattingen over de drie-eenheid en de goddelijke natuur van Jezus Christus. Hij werd destijds door velen beschouwd als een religieuze liberaal die trachtte te bemiddelen tussen verschillende opvattingen. Of dit ook werkelijk zo was valt te betwijfelen. Nadat hij in 428 aartsbisschop van Constantinopel wordt sanctioneert hij gelovigen die Maria de moeder van God noemen. Volgens Nestorius kon Maria alleen moeder zijn van de menselijke Jezus Christus (Christotokos – Χριστοτόκος), aangezien Jezus ook een goddelijke aard heeft. Dat leverde Nestorius uiteraard een theologisch meningsverschil op.

De patriarch van Alexandrië, Cyrillus, legt deze kwestie in 430 voor aan paus Celestinus I. Tijdens het Concilie van Efeze in 431, bijeengeroepen door de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede, wordt Maria definitief gedefinieerd als de Moeder Gods en Nestorius veroordeeld voor zijn opvattingen. Op 22 juni 431 wordt Nestorius veroordeeld en in augustus 431 definitief afgezet. Wat nu vervolgens gebeurd is zeer belangrijk voor dit onderzoek. Theodosius besluit zich te ontdoen van beide kemphanen. Nadat ze eerst onder huisarrest worden geplaatst werden beiden later verbannen.

In Petris exiliari decernimus
In het jaar 435 stuurt Theodosius Nestorius in ballingschap naar Petra. In een brief aan de Pretoriaanse prefect Isidorus schrijft Theodosius II: “In Petris exiliari decernimus” en dat “zondaren is een isolement moeten worden geplaatst opdat zij lijden in eenzaamheid”. Hoewel Petra in de vijfde eeuw zeker niet geïsoleerd was lag het afgelegen en was de bevolking in meerderheid nog paganistisch. Het was zeker een motief om aan het begin van de vijfde eeuw meerdere 'ketters' te verbannen naar Petra. In 435 werden meer aanhangers van Nestorius naar Petra verbannen, waaronder Irenaeus en Photius. Theodosius II instrueert prefect Isidorus om Irenaeus en Photius te laten begeleiden door twee singulares en vier paarden. Twee paarden vervoeren voorraden, de anderen dragen de begeleiders. Irenaeus en Photius worden gedwongen de lange weg naar Petra naar Petra te voet af te leggen.

Blijkbaar werd Petra gezien als de ideale plek voor het afzonderen van religieuze dissidenten. Zij die ongehoorzaam waren aan de orthodox-christelijke doctrine vertrokken veelal naar Petra. De bekendste voorbeelden zijn wel de bisschoppen Flavianus van Antioch, Maras III van Amida en Nestorius van Constantinopel.1 Maar ook minder bekende dissidenten als Irenaeus en Photius werden dus naar Petra gezonden. Petra was blijkbaar de ideale plek om oosterse sektaristen en christelijke dissidenten te dumpen. De stad was gelegen in een grensstreek van het rijk, ver van de hoofdstad, had een extreem en droog klimaat en een paganistische bevolking die zich in het verleden fel had verzet tegen de oplegging van christelijke dogma's. Bovendien was het de zetel van een gelijknamig Bisschopsdom zodat de machthebbers in Constantinopel periodiek rapporten ontvingen over wat de dissidenten zo in ballingschap uitvraten.

Het is nu de vraag wat de gevolgen waren van het concentreren van zoveel dissidenten op een plek. Bisschoppen hebben een entourage en zullen zeker niet alleen in ballingschap zijn gegaan. Sektarische leiders hebben volgelingen die mogelijk meereizen met hun verbannen leider. De volgelingen van Nestorius richtten later een kerk op die tot in China zou reiken.

Kerkelijke Schismas in het Byzantijnse Rijk
Voor de tijdlijn van ons onderzoek is de religieuze politiek van de Ghassanidische koning Al-Harith ibn Jabalah belangrijk. Kort na zijn aantreden in 528 breekt hij, onder druk van zijn bevolking en de Ghassanidische foederati met de kerkelijke leerstellingen van het concilie van Chalcedon. In 451 kiest de kerk voor de het principe tweenaturenleer, de zogenaamde dyophysistische clausule, waarin gesteld wordt dat in Christus zijn twee naturen zijn verenigd, de goddelijke en de menselijke zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden. Dit principe van de twee naturen wordt niet gedragen door de Ghassanidische stammen die neigen naar een monofysitische standpunt: Christus heeft slechts een natuur en dat is een synthese van de goddelijke en menselijke natuur.

Al-Harith probeert waar mogelijk deze Monofysitische visie uit te dragen in Syrië en Transjordanië en draagt zo bij aan de wederopbloei van de Monofysitische Kerk in de zesde eeuw. Hij lobbiet bij de Byzantijnse Keizerin Theodora voor de aanstellingen van nieuwe bisschoppen wat later leidt tot de aanstelling van de activistische Jacobus van Baradeus tot bisschop. Jacob is zeer succesvol in het versterken en uitbreiden van de Monofysistische geloofsbasis in Syrië en Transjordanië. Jacobus opereert vanuit Edessa en onder zijn bezielende leiding ontstaat tussen 550 en 580 de orde der Jacobieten die, net als de Ghassaniden, denken dat in de persoon van Jezus Christus de goddelijke en menselijke natuur zijn verenigd.

Maar dat is niet alles. Jacobus van Baradeus werkte, niet altijd even hartelijk, samen met de bisschop van Antioch, Paulus II, bijgenaamd de Zwarte. Paulus II is, net als Jacobus, een harde monofysiet en krijgt rond 570 ruzie met de orthodoxe leiding in Constantinopel. Hij wordt naar Constantinopel gehaald waar hij twee jaar gemarteld wordt totdat hij, na zijn excommunicatie in 570, de orthodoxe communie van patriarch Johannes Scholasticus aanvaardt. In 572 vlucht Paulus II uit Constantinopel en vindt onderdak bij Al-Mundhir ibn al-Ḥārith, Ghassanidische koning en opvolger van Al-Harith. Hoewel onder zijn leiding de Byzantijnen eerst nog blijven samenwerking blijven samenwerken met Ghassaniden komt het in 584 tot een definitieve breuk.

Net als Jacobus van Baradeus was Paulus II in staat om een grote schare monofysitische gelovigen aan zich te binden. Johannes van Ephesus beschrijft beide groepen als Jacobieten en Paulieten. In ieder geval heeft het Byzantijnse Rijk nu in korte tijd drie groepen gelovigen van zich vervreemdt. De Jacobieten blijven zich roeren in Edessa, de Paulieten in Antioch en de Ghassaniden hebben definitief gebroken met Byzantium.

Vervolgonderzoek
Al deze ontwikkelingen zijn zeer belangrijk voor de tijdlijn in dit onderzoek en kunnen we een aantal conclusues trekken.
(1) Meerdere groepen (waaronder de Jacobieten, Paulieten en Jerfiden) keren zich af van orthodoxe dogmas en houden vast aan een enkele natuur van Christus, een blendering van goddelijk en menselijke aard.
De Ghassaniden hebben definitief gebroken met Byzantium en kiezen ook voor de enkele natuur van Christus.

Dit beweegt uiteraard in de richting van het dogma van de Islam waarin God één is en Christus slechts een menselijke natuur heeft. Het is dan ook noodzakelijk dat we nu onderzoeken of dit onder bepaalde omstandigheden heeft kunnen gebeuren. In de komende hoofdstukken zullen we daartoe aandacht besteden aan de Hanifa, de Samaritanen en het verslag van Sebeos dat steeds concreter lijkt te worden.

Update Islamitische tijdslijn
    540 Ghassaniden kiezen voor de Monofysistische doctrine.
    550-580 Orde der Jacobieten ontstaat in Edessa.
    550-575 Orde der Paulieten ontstaat in Antioch
    578 Laatste opstand der Samaritanen wordt neergeslagen. Nog meer Samaritanen migreren naar Transjordanië.
    580 Paulieten breken met Byzantium.
    581 Ghassaniden vallen samen Byzantijnse troepen de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon aan. De campagne mislukt en de Ghassanidische koning al-Harith ibn Jabalah krijgt de schuld.
    584 Byzantijnen ontbinden Ghassanidische federatie.
    600-614 Nieuwe stammenfederatie ontstaat in Transjordanië als opvolger van de Ghassanidische federatie met als hoofdstad Al-Karak/Medina. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe stammenfederaties in Kufa en Noordwest-Arabië.
    614 Perzische Sassaniden en de Medinaanse federatie nemen Byzantijns Jeruzalem in.
    622 Mohammed migreert vanuit Petra (Mekka) met de Hunifa naar Al-Karak (Medina).
    628 Sassaniden sluiten vrede met de Byzantijnse Keizer Heraclius. Leden Medinaanse coalitie wijken uit maar Al-Karak (Medina).
    629 Heraclius levert slag met de federatie van Medina op het slagveld van Mu'tah, ten oosten van Al-Karak
630 Byzantijnen trekken op naar Jeruzalem en trekken op 21 maart 630 de stad binnen.[/list]
634 De federatie van Al-Karak (Medina), al dan niet onder leiding van Mohammed, verovert Jeruzalem.[/list]
Laatst gewijzigd door Wilfred op Za Feb 25, 2017 9:26 pm, 3 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Wo Nov 30, 2016 3:09 pm

Toelichting: deze paragraaf gaat in op de afwezigheid van de Islamitische doctrine in de zevende en achtste eeuw.

Afwezigheid van Islam in de zevende eeuw
Voordat we kunnen bepalen welke regio's dit zijn moeten we een analyse van de Islamitische tijdslijn en de daarvoor beschikbare bewijsvoering maken. Jeremy Johns uit in zijn essay Archeology and the history of early Islam: The first seventy years zijn frustratie over het feit dat de eerste zeventig jaar van de Islamitische traditie niet ondersteund wordt door archeologisch materiaal. Zo zijn de eerste, incidentele, islamitische uitingen pas zichtbaar na het jaar 691 (Koepelrots Jeruzalem) terwijl een Arabisch Rijk dan reeds bestaat.

Uiteraard is de het ontbreken van bewijs geen bewijs voor de afwezigheid van Mohammed of de Islam in de zevende eeuw. Maar de afwezigheid van bewijs is een groot probleem. Johnson veronderstelt dat pas na 750 of 760 worden de eerste moskeeën gebouwd, of beter gezegd: heiligdommen die als zodanig herkenbaar zijn. Wetenschappers als Julian Raby (Oriental Studies, Oxford) stellen dat de vroegste overblijfselen van de al-Aksa moskee in Jeruzalem te herleiden zijn naar de eerste helft van de zevende eeuw. Voor deze premisse is echter geen archeologisch bewijs en kan Raby slechts op basis van literaire aanknopingspunten dit herleiden uit een eigen opgestelde historische tijdslijn. Zonder nieuw bewijs is de voorlopige conclusie dat tussen de verschijning van de naam Mohammed (691) en de bouw van de eerste moskeeën een kloof van minstens zeventig jaar gaapt, een fenomeen dat overeenkomt met de ontwikkeling van de openlucht moskeeën.

De afwezigheid van archeologisch bewijs indiceert tevens, zoals Wansbrough eerder schreef, dat politieke en/of theologische stromingen van bovenaf een ontwikkeling hebben aangestuurd die stapsgewijs de Islamitische doctrine in het openbare leven introduceerde. Aangezien Jeremy Johns de kans klein acht dat komende archeologische onderzoeken hier nieuwe inzichten zullen verschaffen moeten we of op zoek naar materiaal uit andere wetenschappelijke disciplines of mogelijk het beschikbare materiaal anders interpreteren. Jeremy Johnson concludeert zelf in zijn essay dat de 'afwezigheid van bewijs frustrerend is' naar niet de veronderstelling ondermijnt 'dat er al een cultus was met de essentiële kenmerken van de Islam'. Nog frustrerender vindt hij dat er geen archeologisch onderzoek mogelijk is naar de rol van Mohammed en de vroegste ontwikkelingen op het Arabisch Schiereiland. De twee heiligste moskeeën van de Islam in Mekka en Medina zijn aan het einde van de vorige eeuw tot de grond aan toe afgebroken en zodanig herbouwd dat verder archeologisch vrijwel onmogelijk is. De regering van Saoedi-Arabië ontmoedigt en boycot elke archeologisch onderzoek dat nieuwe bewijzen of inzichten zou kunnen verschaffen over religie en religiositeit in de zesde of zevende eeuw.

Afwezigheid van de Islam in de achtste eeuw
Een ander probleem is dat minstens tot de tweede helft van de achtste eeuw, of mogelijk nog later, de Islam als religieus systeem of geloofszuil grotendeels ontbreekt in het openbare leven. Indien Islam op dit moment de dominante religie is mag je op zijn minst verwachten dat dit zichtbaar wordt in bijvoorbeeld staatsdocumenten, archeologische vondsten, inscripties en historische verhandelingen. Aan de hand van een aantal case studies willen wij onderzoeken of dit ook het geval is. De Koran vertelt dat de Romeinen in adna al-ardi, het dichtstbijzijnde land, zijn verslagen. Met Romeinen refereert de Koran aan Romanoi, zoals de Byzantijnen zichzelf noemden. Zoals we nu weten was dat bij Aeropolis, ten oosten van de Dode Zee en zijn de heilige steden van de Islam Petra en Al-Karak.

Eerste case studie: de Negev
De Negev woestijn, gelegen is het zuidelijke deel van Israël, is een aantrekkelijke locatie voor onze eerste studie. Vanuit Petra is het slechts 20 kilometer reizen naar de Negev dat in de zevende eeuw dichtbevolkt. Grote steden als bijvoorbeeld Nessana waren centra van commercie, hoogwaardige ambachtelijke en agrarische productiviteit. De dynastie der Ommaijaden vestigden na 660 hun hoofdsteden in de onmiddellijke nabijheid van de Negev en hadden dus alle mogelijkheden het openbare leven te conformeren aan de regels van de Islam. We verkeren in de gelukkige omstandigheid dat de Negev uitgebreid is onderzocht en dat we de veronderstelde aanwezigheid van de Islam kunnen toetsen.

Waar aanvankelijk werd aangenomen dat de Arabische veroveringen zorgden voor een bevolkingsafname en het verdwijnen van steden en dorpen toont archeologische data nu dat er sprake is van een geleidelijke transitie van de Byzantijnse naar de Arabische periode. Het is nu misschien moeilijk voor te stellen maar in de zesde eeuw waren er vele steden in de Negev omringd door sterk ontwikkelde agrarische omgevingen. De meeste steden werden bewoond tot ten minstens het jaar 750 of de tiende eeuw. In de stad Shivta werd een moskee of Arabisch heiligdom naast de zuidelijke kerk gebouwd. Opmerkelijk hier is dat pas laat in de achtste eeuw of vroeg in de negende eeuw Arabische inscripties met referenties naar Koranische verzen werden geplaatst. In het nabijgelegen Nessana zijn op de vloer van de centrale kerk Arabische inscripties gevonden met verwijzingen naar koranische verzen en islamitische gebeden die dateren uit het begin van de negende eeuw.

Een van de eerste Islamitische steden die in de centrale Negev werd gebouwd is gevonden nabij Sede Boqer. Deze site bestond uit ongeveer 80 woningen met een open moskee op de top van een nabijgelegen heuvel. In en rond de moskee zijn honderden Arabische inscripties gevonden zonder verwijzing naar Koranische of Islamitische bronnen. Deze site staat centraal in de hevig bekritiseerde revisionistische theorie van Nevo en Koren die stelt dat de formele Islam zich pas na 700 ontwikkelt.

De eerste uiting van formaat werd gevonden nabij de historische stad Ayla waar de Arabische heersers rond 750 een fort bouwden met 24 ronde torens. Bij de Egyptische poort is een monumentale inscriptie uit de achtste eeuw gevonden met een verwijzing naar een koranische tekst. 6 Dat de eerste uiting van formaat in de Negev op een gebouw met een militaire functie is gevonden verwijst wederom naar de visie van John Wansbrough, dat de transitie van Arabische naar Islamitische staat is opgelegd door een heersende klasse of door de staat zelf.

De archeologische data over de Negev indiceert dat het proces van culturele en religieuze transformatie zich langzaam voltrekt en pas relatief laat begint. Zo worden moskeeën naast kerken gebouwd 7 en anderen pas aan het einde van de achtste eeuw in gebruik genomen. 8 Het algemene patroon is dat nieuwe religieuze gebruiken, zoals zichtbaar bij openlucht moskeeën, tot het jaar 800 voornamelijk bij nomadische nederzettingen zichtbaar zijn en de steden in de Negev gedomineerd worden door het Christendom. Het is echter niet duidelijk wat die nieuwe gebruiken nu precies waren.

Openlucht moskeeën (gebedsplaatsen)
Lang voordat Islamitische heersers beginnen met het bouwen van gebedsplaatsen in stedelijke gebieden vindt er in nomadische gebieden een opmerkelijke transformatie plaats. Vanaf de bronstijd bouwen nomadische stammen in Palestina en Transjordanië heiligdommen cirkels met staande stenen om hun goden te eren. 9
In 2015 werden in de bergen nabij Eilat meer dan 100 historische sites (tot 8000 jaar oud) ontdekt die duiden op een vruchtbaarheidscultus. Kleine stenen cirkels, vaak geclusterd, bevatten staande stenen die nog het meest lijken op een fallus. Deze staande erectie wordt regelmatig gecomplementeerd met een uitgehakte gat dat een vulva symboliseert. 10 Naar nu wordt aangenomen symboliseert de cirkel de vrouwelijke essentie en de staande steen de mannelijke erectie. De staande steen is ook verbonden aan begrafenisrituelen – de dood werd uitgedrukt door de steen om te keren. Onderzoeker Uzi Avner verwacht dat ook in de Sinaï en het zuiden van Jordanië nog vele sites zullen worden ontdekt. De geografische verspreiding van deze vorm van aanbidding valt samen met het gebied waar west Semitische talen werd gesproken.

In de loop der tijd worden deze cirkels steeds groter en worden ze in de laat Byzantijnse periode of pas in de achtste eeuw vervangen door open moskeeën. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de openlucht moskee bij Nahal 'Oded waar de staande steen worden vervangen door een mihrab, een opening in de gebedsmuur die de richting van een heilige stad aangeeft. Een andere openlucht moskee nabij Be'er Ora in de Negev heeft twee mihrabs (oosten en zuiden) wat suggereert dat de richting van het gebed wordt gewijzigd. Opmerkelijk is dat deze openlucht moskee pas in de tweede helft van de achtste eeuw wordt gebouwd. Open moskeeën, en dan met name die van het hoogland in de Negev, laten een langzame transitie zien van de voorgaande cultus naar een meer Islamitisch georiënteerde eredienst die zich voltrekt in met name de achtste eeuw.

Afbeelding
Openlucht moskee in de omgeving van Nahal Oded, gedateerd op de tweede helft van de achtste eeuw.

Conclusie
Archeologisch onderzoek toont aan dat in de Negev de transitie van paganistische en Christelijke verering naar Islamitische dominantie zich langzaam voltrekt. Pas na 750 worden overheidsgebouwen gebruikt om het Islamitische dogma te propageren en daar is slechts één voorbeeld van te vinden. De steden worden tot minstens het jaar 800 gedomineerd door het Christendom en Arabische gebedshuizen worden zonder problemen naast kerken gebouwd. Hier spreken wij dus nog van gebedshuizen aangezien pas na het begin van de negende eeuw Koranische verzen worden toegevoegd. Er zijn geen manuscripten gevonden die verwijzen naar Islamitische jurisprudentie, theologie, bureaucratie of erediensten. Kortom, de Islam zoals wij die nu kennen ontbreekt volledig in het openbare leven van de achtste eeuw.

Dit schept overigens ruimte voor allerlei interessante vragen. Is er een verband tussen de aloude rituele verering zoals die in openlucht moskeeën plaatsvond en de Kaba? Zijn het de Nabateeërs die deze nomadische tradities hebben geïntroduceerd in de stedelijke omgeving en dan met name Petra? Is het mogelijk dat eredienst in Petra's Kaba is beïnvloed door het reeds aanwezige monotheïsme? Een blik op de huidige Kaba in Mekka (steen met uitgehakte vulva) is voldoende reden om verder te graven. En tenslotte: wat was dan de religie van de Ommaijaden?

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Dec 04, 2016 5:24 pm

Toelichting: deze paragraaf vat de ontwikkelingen in de vierde en vijfde eeuw samen. Beschreven wordt hoe de sektarische strijd in het vroege christendom leidt tot een Byzantijnse verbanningspolitiek die rechtstreeks aan Petra kan worden gelinkt. Tevens beschrijven we de religieuze beleving van de Arabische bevolking in zuidelijk Palestina en Jordanië. In komende publicaties zullen we deze toetsen aan documenten uit de zesde eeuw.

De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en strijd tegen paganisme.

Tot aan het aantreden van Constantijn de Grote in 306 is de macht van het Christendom in het Romeinse Rijk triviaal. Onduidelijk is of Constantijn zich tijdens zijn leven heeft bekeerd; wel staat vast dat voor zijn sterven hij in Niceomedia tot christen wordt gedoopt. (1) Zijn belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling van het vroege Christendom is zonder meer het besluit om te stoppen met het vervolgen. In 313 publiceerde zijn regering het Edict van Milaan dat godsdienstvrijheid aan alle religies toekende. (2) Dit edict was feitelijk de eerste scheiding tussen kerk en staat. Het Romeinse Rijks was nu een staat zonder staatsreligie. Wel zou tijdens zijn regering de invloed van het Christendom op de staat snel toenemen.(3) En dat begint op 7 maart 321 wanneer keizer Constantijn de zondag verheft tot een christelijke feestdag.(4) Vanaf dat moment worden regelmatig edicten vervaardigt die de christelijke invloed op het openbare leven vergroten. Tien jaar later begint men met de canonisatie van de bijbel en de verspreiding van de leer. De kerk maakte bisschoppen verantwoordelijk voor verdere ontwikkeling van kerkelijke doctrines terwijl de keizer zich bezig hield met het opleggen van de kerkelijke doctrine, het bestrijden van ketterij en behouden van de kerkelijke eenheid. (5) Vlak voordat Constantijn sterft beginnen de eerste vervolgingen van niet-christelijke religies met het vernielen van paganistische tempels en ereplaatsen. (6)

Deze politiek van Constantijn is een duidelijke breuk met het verleden. Aangezien de Romeinen regeerden over vele verschillende volkeren waren ze bovenal praktisch ingesteld. Zo zagen zij dezelfde goden onder verschillende namen verschijnen in diverse delen van het imperium en waren zij algemeen genomen tolerant tegenover nieuwe religies die zij tegenkwamen na het veroveren van nieuwe gebieden. (7) De Romeinse benadering van religie bijna syncretisch (het blenderen van overtuigingen en rituelen uit verschillende stromingen).

In tegenstelling tot het veelgodendom van de Romeinen was de nieuwe Christelijke religie monotheïstisch van aard. (8) De vroeg christelijke kerk daarentegen baseerde zich op de Septuagint, een vertaling van van de Hebreeuwse bijbel en gerelateerde teksten naar het Alexandrijnse dialect van het Grieks (ἡ κοινὴ διάλεκτος), dat later het Bijbelse Grieks zou worden. Deze tekst definieert alle goden van niet-christelijke oorsprong als duivels. (9) Het gevolg was een cultuurschok in het Romeinse Rijk, zo halverwege de vierde eeuw. De nieuwe kerkelijke autoriteiten begonnen met een demoniseringspolitiek van niet-christelijke religies aangezien zij de gezanten waren van de “ene en ware god” ( zie hiervoor o.a. De Brieven van Bisschop Ambrosius, Milaan, 384). Stapje bij stapje probeerden zij nu de wereldlijke autoriteiten (zowel de Keizer als gouverneurs) te bewegen maatregelen tegen deze religies in te stellen.

Eerste Maatregelen
Aanvankelijk zijn het dus voornamelijk tempels en religieuze symbolen het doelwit van deze nieuwe politiek en worden afgebroken. (10) Zijn opvolger, Constantijn de Tweede, gaat een stap verder en vaardigt nieuwe wetten uit die het verbiedt om niet-christelijke erediensten te houden en starten burgers met het vandaliseren van niet-christelijke grafmonumenten en tempels. (11)

Op 20 februari 356 vaardigt keizer Constantijn II een wet uit die het verbiedt om paganistische afbeeldingen te vereren of te aanbidden. (12) Dit resoneert naar latere christelijke stromingen die het afbeelden van heiligen verbieden, omdat afgoderij meerdere malen verboden wordt in het Hebreeuwse en Oude testament. U bent wellicht bekend met de beeldenstorm of het iconoclasme, de vernietiging van religieuze afbeeldingen of iconen. De eerste bekende voorbeelden zijn van die van Melkitische koning Iezid II (bekend als Kalief Iezid II van de Ommaijaden in de Islamitische traditie) II die tussen 720 en 724 de vernietiging van alle afbeeldingen in Christelijke kerken verordonneerde en de Byzantijnse keizer Leo III die in 726 tot hetzelfde besluit kwam. (13) (14)
In ieder geval zal het verbod op afbeeldingen stapsgewijs uitgroeien naar een totalitair dogma dat in de zesde eeuw het Byzantijnse Rijk verleidt tot een aantal vernietigingsoorlogen tegen niet-christelijke volkeren en dan met name de Samaritanen. De oorsprong van het iconoclasme vinden we in de leer van het Monofysitisme (hier zullen we later uitgebreid aandacht aan besteden). Al vroeg in de vijfde eeuw verbood de Monofysistische bisschop van Hierapolis, Philoxenus van Mabbug, het afbeelden van heiligen en engelen. Aanhangers van deze leer hadden al lang veelvuldig geklaagd over het gebruik van religieuze afbeeldingen lang voordat de Byzantijnse controversie in 726 uitbrak en waren sterk vertegenwoordigd in de Levant en Egypte. (15)(16) Deze denkbeelden weren later overgenomen door onder meer de Paulicianen, een christelijke sekte uit de zuidelijke Kaukasus, orthodoxe gelovigen op het Byzantijnse platteland en geformaliseerd door Johannes van Damascus rond het jaar 730. (17)

Impact van deze maatregelen
De impact van alle maatregelen tegen heidense praktijken zijn voorlopig gering. De Byzantijnse keizers regeren over een groot rijk, een groot deel van de bevolking is (semi) paganistisch en te talrijk om in een christelijk keurslijf te worden gedwongen. Uitvoering van de wetgeving wordt vooral verhinderd door het grote aantal 'paganistische' magistraten en gouverneurs in het Byzantijnse Rijk. Tussen 361 en 375 leven paganisten daarom in relatieve rust. Maar stapsgewijs worden maatregelen doorgevoerd en blijven christelijke proclamaties andersgelovigen beledigen:

    365: Een Byzantijns edict verbiedt paganisten om als officier christelijke gelovigen aan te voeren.
    379: De geloofsbelijdenis van Nicene wordt per keizerlijk decreet de christelijk standaard binnen het Byzantijnse Rijk.
    381: Theodosius I verbiedt het bezoeken van heidense tempels en erediensten. Hiermee begint officieel de vervolging van de Romeinse religie in het Oost-Romeinse Rijk. Keizer Theodosius herbekrachtigd de ban die Constantijn uitsprak over Romeinse tradities. Hij vaardigt nieuwe wetten uit die het mogelijk maken magistraten te vervolgen indien zij niet optreden tegen polytheïsten en staat aanvallen op Romeinse tempels oogluikend toe.
    384: Theodosius I laat heidense tempels in Klein-Azië afbreken.
    389: Vertegenwoordigers van Christelijke stromingen die de standaard van Nicaea niet volgen worden uit de officiële kerk gezet. Arianen worden uit Constantinopel verdreven en hun kerken gesloten.

In 392 wordt Keizer Theodosius I alleenheerser wanneer de troon van het West-Romeinse Rijk hem toekomt. Nadat bisschop Ambrosius van Milaan in 390 Theodosius I bedreigt met excommunicatie escaleert het. Op 8 november 392 verbiedt Theodosius I alle niet-christelijke rituelen als bijgeloof (gentellica superstitio) en verordonneert grootschalige vervolgingen van niet-christelijke religieuzen. Het infame Edict van Theodosius uit 391 verklaart de oorlog aan het paganisme, inclusief de semi-christelijke religies van het Midden-Oosten. Hij beveelt de sluiting en vernietiging van tempels, heilige plekken, iconen en religieuze relikwieën door het gehele Romeinse Rijk.

Paganistische opstanden in Palestina en Transjordanië
Theodosius I draagt Cynegius, Pretoriaanse prefect van het oostelijke rijksdeel, op om de aanbidding van valse goden in Palestina en Egypte te verbieden en hun tempels af te breken. Deze vernietiging van heiligdommen vind plaats onder aanvoering van orthodoxe bisschoppen en monniken. Plaatsen waar deze vernielingen plaatsvinden hebben algemeen genomen in een apart ommuurd stadsdeel een garnizoen, bisschops- of gouverneurszetel. Veel steden in het Byzantijnse deel in Het Midden-Oosten hebben een gemengde bevolking die verschillende religies aanhangen. De Byzantijnse bovenlaag woont, voor de eigen veiligheid, in een eigen wijk. Ook nu blijkt dat regeren vooruitzien is. Er breken hierop opstanden in steden als Petra, Aeropolis en andere steden in de Levant. In deze steden zijn sterke zuilen aanwezig die zich hevig verzetten tegen de politiek van Theodosius I.

In ieder geval is Theodosius I niet onder de indruk. In 393 scherpt hij zijn wetgeving verder aan met het verbieden van elke publieke uiting van niet-christelijke religieuze gebruiken. Tevens pakt hij aanhangers van het manicheïsme, een dualistische filosofische stroming uit de late oudheid, keihard aan. De stroming leerde over de algehele tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen ziel en stof. In dit dualisme zag Mani, de oprichter, zich als de door Jezus beloofde definitieve verlosser. De canon van deze stroming wordt grotendeels geschreven in het Syro-Aramees. Volgens wetenschapper Kurt Rudolph was Manicheïsme de populairste vorm van gnosticisme. Het was zo verspreid dat hij het als een van de vier wereldreligies beschouwt, samen met Boeddhisme, Christendom en de Islam.

Arabisch of Paganistisch Christendom
Om de 'paganistische' opstanden langs de aloude Koningsweg, in steden als Petra en Aeropolis, te begrijpen moeten we een ontwikkeling duiden die zich langzaam aftekent na de eerste eeuw. Dat begint met een studie van het vroege Christendom.

Het heeft lang geduurd voordat het besef ontstond dat het vroege Christendom helemaal niet zo unitair was als de kerkelijke traditie altijd voorschreef. Tot 1934 waren afwijkende visies over de ontwikkeling van het Christendom heidens omdat vrijwel unaniem werd aangenomen dat de Katholieke en Orthodox-christelijke traditie het authentieke Christendom vertegenwoordigden. De publicatie van Walter Bauer's Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten Christentum maakte echter duidelijk dat het vroege Christendom divers was en verscheidene stromingen omvatte die allen een gelijkwaardige claim op de apostolische traditie konden doen gelden. I
In de tweede en derde eeuw zijn er talloze stromingen die elkaar beconcurreren, bevechten en een plek in de (lokale) machtsstructuur proberen te verwerven. Het oosten van het Romeinse Rijk en de Levant zijn vergeven van profeten, sektes en missionarissen die allen een eigen visie op het christelijke evangelie hebben. Arianen, Ebonieten, Basilidiërs, Mandaeërs, Kaïnieten, Borboriten, Carpocratiërs, Simonianen, Ophiten, Marcionisten, Adoptionisten en andere Gnostici hadden alle aperte visies. Later komen daar nog stromingen bij als het Monofysitisme en Nestorianisme die zelf ook weer versplinteren.

Richtingenstrijd
Het belangrijkste theologische struikelblok hierbij is hoe de relatie tussen God en Jezus moet worden gedefinieerd. Rond het jaar 300 steunen veel theologen het dogma van de drie-eenheid, het idee dat er één God bestaat in drie goddelijke personen (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Helaas is niet iedereen even enthousiast. De Arianen bijvoorbeeld stellen dat zowel Jezus als de Heilige Geest ondergeschikt zijn aan God. Keizer Constantijn moet daarom na zijn aantreden al snel handelend optreden. Om te voorkomen dat hij voortdurend moet bemiddelen bij verschillende religieuze conflicten roept hij in 325 het Concilie van Nicaea bijeen, effectief de eerste Oecumenische bijeenkomst. Het is een eerste poging om een orthodoxe standaard voor de gehele kerk te definiëren.

Het resultaat is een geloofsbelijdenis, de drie-eenheid, die stelt dat God en Jezus Christus, zijn zoon, van “dezelfde substantie” zijn. Substantie refereert hier aan het Griekse woord homoousios dat in religieuze werken van die tijd werd gebruikt om de relatie tussen God en Jezus Christus aan te geven, en dan met name om het dogma van de drie-eenheid te bevestigen. Dit gegeven zullen we later gebruiken worden om te bepalen hoever een christelijke stroming afstaat van de officiële doctrine.

Keizer Constantijn heeft ook een sterk persoonlijk belang bij het Concilie van Nicaea. Na de tumultueuze derde eeuw, waarin Romeinse Keizers maar kort regeerden en de ene staatsgreep de andere opvolgde, kunnen nieuwe vormen en groepen zijn bewind legitimeren. Tot dan toe waren keizers alleen verantwoording schuldig aan de goden, als ze al niet zelf als god werden aanbeden. Na 325 krijgen Romeinse keizers een nieuwe rol: de plicht om als beschermheer van de kerk de orthodoxe standaard te handhaven en te versterken. Dit wordt uiteindelijk de strijd tussen de doctrine van de drie-eenheid van de staatskerk en sektarische stromingen die daar toch iets anders over dachten. Na 325 volgen er talloze conflicten. Nieuwe concilies worden bijeengeroepen en de kerkelijke autoriteiten in Constantinopel werken voortdurend aan de versterking van de orthodoxe doctrine.

Deze conflicten is de Byzantijnse en Aramese Christelijke gemeenschappen zijn doorgaans goed gedocumenteerd. Een uitzondering is de ontwikkeling binnen de Arabische gemeenschappen van het Byzantijnse Rijk. Deze bevolkingsgroep heeft nog geen eigen schrift hoewel hier en daar pogingen worden gedaan om een Arabisch schrift te ontwikkelen. Toch zijn er voldoende aanwijzingen dat na de eerste eeuw deze groep een aparte ontwikkeling doormaakt. Joodse bronnen zoals de Babylonische Talmoed, Flavius Josephus in de eerste eeuw en Christelijke bronnen als Sozomenos van Gaza (rond het jaar 450) getuigen dat de paganistische religie van Arabische stammen (in het Byzantijnse Rijk) in de laat antieke periode zich langzaam vormt naar een meer hybride vorm waarin Christelijke en Joodse elementen een grote rol spelen. Vooral Abraham en Ismael spelen hier een grote rol. Flavius Josephus indiceert dat zijn publiek weet dat de Arabieren van de Bijbelse Ismael afstammen en hun oorspronkelijke geloofsovertuiging (deels) hebben verlaten. Dit blijkt uit meerdere bronnen zoals bijvoorbeeld het nieuwe testament, iets dat we later zullen uitwerken.

Zeer relevant is wat Sozomenos schrijft ergens tussen 440 en 443 in een werk opgedragen aan Keizer Theodosius II:

“Deze stam vindt zijn oorsprong in Ismaël, de zoon van Abraham en werd ook zo genoemd. De ouden noemden ze Ismaëlieten vanwege deze afkomst. Om niet beschuldigd te worden van onwettige afstamming, Ismaëls moeder had namelijk een lage status, noemden zij zich 'Sara-cenen', alsof zij afstamden van Abrahams vrouw, Sara. Vanwege deze afkomst zijn zij allen besneden, onthouden zij zich van varkensvlees en volgen zij de Joodse gebruiken.
Maar men moet niet denken dat zij altijd op deze wijze hebben geleefd, hetzij door het tijdsverloop of omgang met leden van omringende gemeenschappen.

Zij (de duivelsaanbidders) die in de nabijheid van de Ismaëlieten woonden hebben waarschijnlijk de oorspronkelijke (voorouderlijke) wijze van leven van de Ismaëlieten vernietigd, de enige levenswijze die de oude Hebreeën kenden voor de invoering van de Mozaïsche wetgeving, daarbij steunend op ongeschreven tradities. De Ismaëlieten hebben deze demonen zonder twijfel vereerd en aanbeden op de heidense wijze van hun buurvolkeren en toonden zo waarom zij hun voorouderlijke wetten verwaarloosden. Na een lange periode waren zij sommige wetten vergeten en stonden toe dat andere wetten overbodig werden door veroudering.

Hierna werden sommigen bekend met de levenswijze van de Joden en beseften zodoende wat ze waren geworden. Zij keerden daarop terug naar de levensstijl van hun voorouders en adopteerden Joodse gebruiken en wetten. Vanaf dat moment leven velen onder hun in de Joodse traditie.”


Dit schrijven is uiteraard evident. Minder dan 150 jaar voor de geboorte van de profeet Mohammed hebben we gedetailleerde beschrijving die vertelt hoe de religieuze beleving van Arabische gemeenschappen zich vormde in de vijfde eeuw. Blijkbaar is die vergelijkbaar met, gelijk aan of geïnspireerd door het Jodendom en het Abrahamisme. De observaties van Sozomenos vonden plaats in zuidelijk Palestina alwaar de Arabische bevolking van oudsher nauwe culture banden onderhield met die van Transjordanië. Hoe nauw zal later blijken wanneer we de Petra papyri vergelijken met die van Nessana. In ieder geval maakt het inzichtelijk waarom steden als Petra en Aeropolis in opstand kwamen. De Abrahamistische bevolking verzette zich tegen de rigide Byzantijnse maatregelen, en dan waarschijnlijk in hoge mate tegen het concept van de drie-eenheid.

Maar het verslag van Sozomenos roept nieuwe en mogelijk cruciale onderzoeksvragen op. Welke volkeren en/of gebeurtenissen hebben de Ismaëlieten zodanig kunnen beïnvloeden dat zij tijdelijk hun Abrahamistische oorsprong vergaten? En kunnen wij de beschrijving van Sozomenos toetsen aan de ontwikkelingen in Transjordanië, het gebied tussen Petra en M'adina? Voordat we hier verder op ingaan bestuderen we eerst de ontwikkelingen in de vijfde eeuw.

Byzantijnse vervolgingen in de vijfde en zesde eeuw
Aan het begin van der vijfde eeuw zoeken Byzantijnse keizers naar praktische oplossingen voor alle sektarische problematiek binnen het rijk. De standaard van Nicaea heeft voor meer onrust gezorgd en nieuwe theologische conflicten duiken voortdurend op. Wanneer de Byzantijnse Keizer Theodosius de Tweede in 408 wordt bekleed met regeringsmacht zit hij dan ook opgescheept met de rigide wetgeving van zijn voorgangers. Op een van zijn eerste reizen bezoekt hij Petra in Transjordanië. Hij raakt danig onder de druk van de desolaatheid en afgelegenheid van deze stad. Is Petra misschien de ideale plaats om sektarische dissidenten te isoleren?

Ontwikkeling van de Byzantijnse verbanningspolitiek
Verbanning naar grensgebieden of gebieden die onder direct militair gezag stonden waren tot het jaar 400 uiterst zeldzaam. Tenminste, vooral voor senatoren en hoogwaardigheidsbekleders die rechtstreeks door de keizer waren veroordeeld. In de loop van de vierde eeuw ontstaat een patroon waarbij gouverneurs, imperiale magistraten en de Byzantijnse keizer steeds meer kiezen voor verbanning naar de buitengebieden van het Rijk. Steden waar sektarische dissidenten naar toe worden gestuurd liggen voornamelijk in de bisdommen van Thrace en Pontus, het zuiden van Egypte en kerkprovincies in oostelijk Palestina zoals Palmyra, Petra en Aila. Een aantal verbanningsgebieden lagen ook in gebieden waar hevig werd gevochten zoals in de bergen tussen Cappadocia en Armenië.

Met het aantreden van de Romeinse keizer Constantijn veranderen stapsgewijs de overwegingen om iemand wel of niet te verbannen. Zo vindt men nu dat de plek van verbanning in overeenstemming moet zijn met de zwaarte van de misdaad. Tegelijkertijd associeert men verbanning nu met sociale hygiëne. Vooral religieuze misdaad wordt nu geassocieerd met zaken als ziekte, overlijden en besmetting. Om te voorkomen dat de directe omgeving ook werd getroffen door, wat velen zagen als een straf van god, was het niet meer dan redelijk om de dissident zover mogelijk te verbannen. Heidenen en ketters moesten afgezonderd worden zodat de gedachten van de mensen gezuiverd konden worden (tergeantur). Of in de bewoordingen van de Theodosische edicten uit 429: “Adeant loca, quae eos potissimum quasi vallo quodam ab humana communione secludant.” Dissidenten werden naar plaatsen gezonden waar zij als het ware door een fortificatie (vallum) gescheiden werden van 'de gemeenschap der mensen'.

Het verbannen van dissidenten werd in laat Byzantijnse wetgeving omschreven als trudere, contrudedre of detruderte, begrippen die eerder alleen werden gebruikt of veroordelingen voor gevangenisstraffen of 'taakstraffen' in de mijnen van het Rijk. Hoe dan ook, dissidenten moesten zover mogelijk worden afgezonderd (in aliis locis vicant) zodat zij hun bederfelijke opvattingen niet aan anderen konden overdragen.

Nestorius: gedocumenteerde verbanning naar Petra
Tegen deze achtergrond raakt Theodosius II na 430 bij het conflict rond Nestorius. Eigentijdse bronnen stellen dat deze monnik in 381 of 386 wordt geboren in Germanicia in de Romeinse provincie Syria. Ook Nestorius heeft zo zijn eigen opvattingen over de drie-eenheid en de goddelijke natuur van Jezus Christus. Hij werd destijds door velen beschouwd als een religieuze liberaal die trachtte te bemiddelen tussen verschillende opvattingen. Of dit ook werkelijk zo was valt te betwijfelen. Nadat hij in 428 aartsbisschop van Constantinopel wordt sanctioneert hij gelovigen die Maria de moeder van God noemen. Volgens Nestorius kon Maria alleen moeder zijn van de menselijke Jezus Christus (Christotokos Χριστοτόκος), aangezien Jezus ook een goddelijke aard heeft. Dat leverde Nestorius uiteraard een theologisch meningsverschil op.

De patriarch van Alexandrië, Cyrillus, legt deze kwestie in 430 voor aan paus Celestinus I. Tijdens het Concilie van Efeze in 431, bijeengeroepen door de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede, wordt Maria definitief gedefinieerd als de Moeder Gods en Nestorius veroordeeld voor zijn opvattingen. Op 22 juni 431 wordt Nestorius veroordeeld en in augustus 431 definitief afgezet. Wat nu vervolgens gebeurd is zeer belangrijk voor dit onderzoek. Theodosius besluit zich te ontdoen van beide kemphanen. Nadat ze eerst onder huisarrest worden geplaatst werden beiden later verbannen.

In Petris exiliari decernimus
In het jaar 435 stuurt Theodosius Nestorius in ballingschap naar Petra. In een brief aan de Pretoriaanse prefect Isidorus schrijft Theodosius II: “In Petris exiliari decernimus” en dat “zondaren is een isolement moeten worden geplaatst opdat zij lijden in eenzaamheid”. Hoewel Petra in de vijfde eeuw zeker niet geïsoleerd was lag het afgelegen en was de bevolking in meerderheid nog paganistisch. Het was zeker een motief om aan het begin van de vijfde eeuw meerdere 'ketters' te verbannen naar Petra. In 435 werden meer aanhangers van Nestorius naar Petra verbannen, waaronder Irenaeus en Photius. Theodosius II instrueert prefect Isidorus om Irenaeus en Photius te laten begeleiden door twee singulares en vier paarden. Twee paarden vervoeren voorraden, de anderen dragen de begeleiders. Irenaeus en Photius worden gedwongen de lange weg naar Petra naar Petra te voet af te leggen.

Blijkbaar werd Petra gezien als de ideale plek voor het afzonderen van religieuze dissidenten. Zij die ongehoorzaam waren aan de orthodox-christelijke doctrine vertrokken veelal naar Petra. De bekendste voorbeelden zijn wel de bisschoppen Flavianus van Antioch, Maras III van Amida en Nestorius van Constantinopel.Maar ook minder bekende dissidenten als Irenaeus en Photius werden dus naar Petra gezonden. Petra was blijkbaar de ideale plek om oosterse sektaristen en christelijke dissidenten te dumpen. De stad was gelegen in een grensstreek van het rijk, ver van de hoofdstad, had een extreem en droog klimaat en een paganistische bevolking die zich in het verleden fel had verzet tegen de oplegging van christelijke dogma's. Bovendien was het de zetel van een gelijknamig Bisdom zodat de machthebbers in Constantinopel periodiek rapporten
ontvingen over wat de dissidenten zo in ballingschap uitvraten.

Het is nu de vraag wat de gevolgen waren van het concentreren van zoveel dissidenten op een plek. Bisschoppen hebben een entourage en zullen zeker niet alleen in ballingschap zijn gegaan. Sektarische leiders hebben volgelingen die mogelijk meereizen met hun verbannen leider. De volgelingen van Nestorius richtten later een kerk op die tot in China zou reiken.

Alle vragen die in deze paragraaf zijn geformuleerd zullen in komende bijdragen worden uitgewerkt.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Zo Jan 08, 2017 10:08 pm, 1 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Dec 18, 2016 5:28 pm

In verband met inpassen nieuw materiaal en herindelingen (forum posts hebben maximaal 64000 karakters) nieuwe updates over enkele weken.

Gebruikersavatar
Ariel
Berichten: 59930
Lid geworden op: Wo Apr 07, 2004 10:30 pm

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Ariel » Zo Dec 18, 2016 5:47 pm

Wilfred schreef:In verband met inpassen nieuw materiaal en herindelingen (forum posts hebben maximaal 64000 karakters) nieuwe updates over enkele weken.


Wij wachten geduldig af. Prettige kerstdagen toegewenst.
Wim Camp, CDA... 'De islam is onze bondgenoot"
I Stand with Israel

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Jan 06, 2017 8:45 pm

Waarvoor dank en de beste wensen voor het komende jaar.

Verwijderd: De eerste post - wordt herschreven als inleiding
Toegevoegd: Eerste Hoofdstuk - Koranische Geografie (tweede post in deze draad)

Nieuwe Islamitische tijdslijn
578: Laatste opstand der Samaritanen wordt neergeslagen. Nog meer Samaritanen migreren naar Transjordanië.
581: Ghassaniden vallen samen Byzantijnse troepen de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon aan. De campagne mislukt en de Ghassanidische koning al-Harith ibn Jabalah krijgt de schuld.
584: Byzantijnen ontbinden Ghassanidische federatie.
600-614: Nieuwe stammenfederatie ontstaat in Transjordanië als opvolger van de Ghassanidische federatie met als hoofdstad Al-Karak/Medina. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe stammenfederaties in Kufa en Noordwest-Arabië.
614: Perzische Sassaniden en de Medinaanse federatie nemen Byzantijns Jeruzalem in.
622: Mohammed migreert vanuit Petra (Mekka) met de Hunifa naar Al-Karak (Medina).
628: Sassaniden sluiten vrede met de Byzantijnse Keizer Heraclius. Leden Medinaanse coalitie wijken uit maar Al-Karak (Medina).
629: Heraclius levert slag met de federatie van Medina op het slagveld van Mu'tah, ten oosten van Al-Karak
630: Byzantijnen trekken op naar Jeruzalem en trekken op 21 maart 630 de stad binnen.
634: De federatie van Al-Karak (Medina), al dan niet onder leiding van Mohammed, verovert Jeruzalem.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Jan 16, 2017 10:09 pm

Update:
Onze linguïst deed onlangs een zeer interessante ontdekking. Het Koranische Bakka (als plaatsaanduiding voor de Kaba in Mekka) is met behulp van de etymologie te herleiden tot de beroemde ingang van Petra, de Siq. De West-Semitische morfeem bkk staat voor klieven of openen (zie hiervoor onder meer het werk van JJ Clère, 1968) en het afgeleide zelfstandig naamwoord wordt dan de opening of de kloof. In Koran vers 3:96 staat dat het eerste Huis van God nabij/voorbij/bij Bakkah werd gebouwd.

De beroemde ingang tot Petra heet tegenwoordig de as-Sīq en is een nauwe opening of bergkloof met wanden die honderden meters rechtop rijzen en toegang biedt tot de historische stad. Deze nauwe kloof (thaniya) is versierd met zogenaamde Baetylus, heilige stenen die refereren aan het Huis van God, gemaakt van meteorieten en werden gezien als een symbool van God. Tot aan de vijfde/zesde eeuw was Petra het wall street van de Arabische wereld en dagelijks kwamen tientallen karavanen de stad via deze kloof binnen. Maar belangrijker: Koran vers 3:97 stelt zonder meer de bedevaart naar Bakka een absolute aanrader voor iedere gelovige is. Zo was Petra tot de zesde eeuw het centrum van jaarlijkse bedevaarten. Voordat de pelgrim bij de Kaba komt moet hij eerst door de 'Opening', het 'pad' naar het 'Huis van God'. Nabateense inscripties spreken van 'De Heer van het Huis', Dushura, die naast zich een vrouwelijke drie-eenheid noemt, die allen in de Koran (duivelsverzen) worden genoemd.
Hier valt uit af te leiden dat deze traditie reeds oud was, mogelijk vanaf het moment dat de Nabateeërs een koninkrijk stichten dat de Sinaï, Negev, Jordanië en Syrië omvat en mogelijk overeenkomsten toont met beschrijvingen van pelgrimstochten (naar Zion) en rituelen in het oude Testament.

En waarom is dit belangrijk? Er zijn twee onverklaarde (archeologische/historische) fenomenen:
(1) Vlak nadat de Nabateeërs hun koninkrijk stichten (vierde eeuw voor Christus) en Petra aanwijzen als hun hoofdstad, begint met met de bouw van de (Tweede?) tempel in Jeruzalem, de Samaritaanse tempel nabij Sichem, een tempel in het Zuid-Egyptische Samaria, en verschijnt de Joods intelligentsia in Alexandrië die snel de Pentateuch vertaalt naar het Koiné Grieks. De tempels c.q. plaatsen van eredienst worden allen gebouwd op een hoge plaats en zijn gewijd aan Abraham.
(2) In de Joodse kalender ontbreken ongeveer 150 jaar tussen de destructie van de eerste tempel en bouw van de eerste tempel.

Beide fenomenen zouden kunnen worden verklaard met de eenvoudige theorie dat de intredende Nabateeërs de toenmalige inwoners van de Levant, de Edomieten, hebben verdreven waarna zij op verschillende plekken een nieuwe tempel bouwen. Dat kost enige tijd, zeg zo'n 150 jaar? Er is dan een gezamenlijk plek van oorsprong is waarvoor de meest logische kandidaat wederom Petra en omgeving is en mogelijk als 'Zion' is het oude testament wordt aangeduid.

De belangrijkste aanwijzingen hiervoor:
(1) De naam Jeruzalem wordt niet genoemd in de Pentateuch, de eerste vijf boeken van het Oude testament. Wetende dat de archeologie bewijst dat het Jodendom versplinterd nadat de Nabateeërs de Levant binnen trekken, dat alle verspreide groepen kennis hebben van de Pentateuch andere Bijbelboeken jonger zijn kunnen Jeruzalem en Zion onmogelijk dezelfde plaatsen zijn.
(2) Een epigrafische en etymologische ontleding van 'Zion' leidt via de Semitische morfemen syym en swn wederom naar Petra en omgeving.

Samengevat: de boel moet weer worden omgegooid waarvoor wij enige tijd nodig zullen hebben.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Jan 20, 2017 9:19 pm

Debunk Abrahamistische tijdslijn

Het heeft dan een paar dagen geduurd maar de zoektocht naar Zion heeft een duidelijke tijdslijn opgeleverd die begint rond 600 voor Christus en eindigt voorlopig met het ontstaan van de proto-Islam, het Hunifa Abrahamisme.
De tijdslijn verenigt demografische, archeologische, linguïstische en theologische lijnen op een wijze die vrijwel geheel causaal is: er is altijd een logische oorzaak voor de volgende gebeurtenis. De tijdslijn omvat 1000 jaar om antwoord te geven op vragen als waarom de Israëlieten reeds voor Christus zo graag op bedevaart naar Jordaanse plaatsen gingen, het paleo-Hebreeuws plaatsmaakt voor het Aramees, de Samaritanen een eigen schrift ontwikkelen, waarom er in de eerste eeuwen er twee Joodse groepen in Israël zijn zijn met eigen tempels en hoge plaatsen en uiteindelijk een nieuwe wereldgodsdienst ontstaat onder invloed van een samenloop van omstandigheden.

Herkomst Abrahamisme
Alle vormen van Abrahamisme zijn afkomstig uit het gebied langs de beroemde Koningsweg in Jordanië dat ruwweg een gebied omvat van de Dode Zee vallei tussen het huidige Jordaanse Al-Karak en en de beroemde woestijnstad Petra. Dit gebied wordt in de zesde en vijfde eeuw voor Christus beheerst door een vorm van monotheïsme waar God (al dan niet verbonden aan de zon) wordt aanbeden op hoge plaatsen waar altaren worden gebouwd. Deze hoge plaatsen zijn de burcht van God en staan (via de morfemen van zion: syym en swn) voor burcht. God is de fort of burcht van het geloof en zijn volgelingen volgen het pad naar God door het beklimmen van de berg van God. Dit is zichtbaar in een literair patroon dan duizenden keren terugkeert is de verschillende heilige boeken en liturgische werken van alle Abrahamistische geloven.

Oorsprong Abrahamistische godsdiensten: Jordanië
In de zevende en zesde eeuw voor Christus zijn er in Jordanië twee religieuze plaatsen die elkaar beconcurreren en dat later elders nog eens dunnetjes overdoen. En dat is enerzijds Umm Al-Biyara bij Petra en anderzijds as-Selah, 50 kilometer ten noorden van Petra. Beide plaatsen worden bewoond door Edomieten die hun steden bij voorkeur op hoge plaatsen bouwen, nabij de 'burcht voor God'. Beide plaatsen zijn hoog boven het omringende landschap torende plateaus omgeven door of ravijnen of steile hellingen en slechts toegankelijk door eerst een een pad door een nauwe bergkloof te volgen om vervolgens via een stijl bergpad naar het hoge plateau te klimmen. Op het hoge plateau wordt geofferd (altaar) en voeren de gelovigen rituelen uit. Het is een doorontwikkeling van of een specialisatie van het Caanaitische monotheïsme. In dit gebied worden de eerste vijf Bijbelboeken geschreven die samen de Pentateuch vormen. Het hoogtepunt van de Edomitische* beschaving liogt tussen 1200 en 539 voor Christus.

Afbeelding
Umm Al-Biyara nabij Petra, oorsprong van het Samaritaanse Jodendom.

Afbeelding
Sela of es-Selah, nabij de Dode Zee en 50 kilometer ten noorden van Petra, is de plaats van herkomst van het Jeruzalemse Jodendom.

Migratie van religieuze ideeën
Na de zevende eeuw vinden er grote veranderingen plaats. Eerst veroveren de Babyloniërs en vervolgens de Perzen de gebieden ten oosten van de Jordaan. Tegelijkertijd komt er een nieuwe immigratiestroom op gang vanuit de omliggende Arabische woestijn. De eerste Nabateense nomadische stammen vestigen zich in Transjordanië en vermengen zich met de Edomieten. Hierdoor veranderingen er een aantal zaken op religieus gebied. De belangrijkste wijziging is dat de monotheïstische verering van God op de hoge plaatsen van Umm Al-Biyara en Sela zich vermengen met de oeroude nomadische traditie van het Huis van God (de Kaba) met de aanbidding van zogenaamde staande stenen, veelal meteorieten. Naast de hoge plaatsen worden nu tempels gebouwd en deze worden al snel pelgrimsoorden. De in het Oude testament pelgrimstochten gaan of naar Sela, naar Umm Al-Biyara of naar tombes van Oud-Testamentische profeten in Jordanië, praktijken die al rond het jaar 0 worden beschreven.

In de periode dat de Nabateeërs zich definitief vestigen in Edom en hun eigen koninkrijken stichten ontstaat een nieuw migratiepatroon. De oorspronkelijke Edomieten worden of overdreven of vertrekken. De inwoners van de regio rondom Sela, hoogontwikkeld, vertrekken naar Uur-Shalem in Judea en zullen later intensieve betrekkingen met de Edomitische diaspora in Irak ontwikkelen. De Edomieten van Umm Al-Biyara, inmiddels vermengd met Nabateense migranten vertrekken naar Gerizim waar de Samaritaanse godsdienst en cultuur zal ontstaan. Andere Edomieten vestigen zich in het noorden van de Negev, rond Be'er Sheva, waar een gelijksoortige cultus ontstaat. Weer anderen trekken door naar de Sinaï en later naar Egypte waar in de vierde eeuw voor Christus een Joodse intelligentsia ontstaat.

Belangrijk: alle gemigreerde groepen hebben kennis van de Pentateuch maar verschillen uiteindelijk in de keuze hoe ze de Edomitische religieuze traditie voortzetten. De Edomitische Samaritanen in Gerizim houden het bij de Pentateuch en specialiseren zich in het ontwikkelen van een uitgebreide liturgie waarin de eenheid van God centraal staat. De Edomieten in Uur-Shalem ontwikkelen nieuwe Bijbelboeken (Qumran) en integreren later het werk van de Babylonische Edomieten zoals het boek der Psalmen waarin de plaats van oorsprong (Sela/es-Selah) 74 keer wordt geprezen. Selah refereert in het boek der Psalmen niet alleen aan een plaats maar staat ook symbolisch voor de burcht van God, het fundament van het geloof. De burcht van God stond voor deze Edomieten dus in Selah.
De Edomieten in Alexandrië vertalen de Pentateuch naar het Grieks.

Frappant is dat de rivaliteit van Edom is meegenomen naar Judea. Beide groepen claimen de plaats te zijn waar God het verbond met de mensheid sloot, Abraham zijn zoon wou offeren en waar de oorspronkelijke tempel stond. Deze controverse wordt na de eerste eeuw voor Christus steeds groter en beide groepen verketteren elkaar. In het Israël van de tweede eeuw ontbreekt elk spoort van het Jodendom op Uur-Shalem en Gerizim na. De meeste inwoners volgen nog een vorm van Caanaitisch monotheïsme en dus is er ruimte voor evangelisatie. In de loop van de volgende eeuwen neemt het aantal volgelingen dan ook snel toe en verspreiden het Edomitische idee van de eenheid van God over de Aramese en Arabische wereld.

Conclusie
De verspreiding van dit idee is dat wat later de botsing tussen de Joods-Arabische wereld en de Byzantijnse drie-eenheid veroorzaakt en zo de ruimte schept voor de profeet Mohammed om een nieuwe wereldreligie te inspireren maar zelf niet sticht. En zo hebben we een eenvoudige en begrijpelijke context die verklaart waarom de Samaritanen, Rabbinale Joden, Abrahamisten, Hanifa en christelijke Monofysieten rond het jaar 600 eendrachtig samenwerken met de Perzen om Jeruzalem in te nemen en Judea op de Byzantijnen te veroveren. Ze zijn verbonden door cultuur, etniciteit, taal en een gemeenschappelijke religieuze oorsprong. Tevens vallen kunnen verschillende wetenschappelijke patronen uit de etymologie, archeogie, demografie en theologie met elkaar worden verbonden.


Naschrift: Waarschijnlijk zijn er ook Edomieten rond de vierde eeuw voor Christus gemigreerd naar Saana, Jemen.
Naschrift: Alle religieuze tradities die niet in dit patroon passen zijn verzonnen.
Naschrift: tijdslijn en uitgebreide uitwerking in de komende maanden.

Naschrift: (in reactie op ontvangen commentaren) Ja, dit herschrijft het klassieke Jodendom maar is geen aanval daarop. Het scheelt slechts de eerste tempel en de Exodus. Daarnaast is er geen enkel bewijs archeologisch bewijs voor de meeste Oudtestamentische verhalen. Zo heeft Jeruzalem of Uur-Shalem rond de tiende eeuw helemaal geen bewoners op een paar boeren na op een berghelling. Uit gevonden correspondentie blijkt dat handelaren tribuut of belasting betalen aan een koning nabij Nabloes. In de vijfde eeuw voor Christus wonen er hoogstens 500 boeren achter een lage wel en staat op de oostelijke heuvel een kleine burcht. Er is dus helemaal geen eerste Tempelperiode in Uur-Shalem - die was in Sela, ongeveer 80 ten zuidoosten van Jeruzalem tot de zesde eeuw.

*Waarschijnlijk geen goede naam – maar voorlopig volstaat dit begrip.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Ma Jan 23, 2017 11:13 am, 1 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Jan 22, 2017 5:53 pm

......

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Feb 19, 2017 6:14 pm

Nieuw Hoofdstuk (1) toegevoegd: De Taal van de Koran.

Om deze ontwikkelingen te kunnen begrijpen moeten we onderzoeken welke talen aan het begin van de zevende eeuw taalkundig in het Midden-Oosten worden gesproken. Op dit moment in tijd is de Levant en het Arabische schiereiland een complex mozaïek van culturen, religies en talen. Het is een wijdverbreid misverstand dat Arabieren voor de komst van de Islamitische godsdienst analfabeten waren. In de Antieke wereld was de Arabische wereld onderverdeeld in drie geografische regio's: Arabia Felix, Deserta en Petraea. Elke regio had haar eigen linguïstische en literaire traditie.

Dit nieuwe hoofdstuk is in de tweede post geplaatst.

Gebruikersavatar
Pilgrim
Berichten: 25836
Lid geworden op: Wo Jan 17, 2007 1:00 pm
Locatie: Dhimmistad

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Pilgrim » Zo Feb 19, 2017 8:42 pm

Ik zie het, maar ik zie ook twee keer een hoofdstuk 2. Dat klopt toch niet? :emm2:

Hoofdstuk 2 Koranische Geografie

Hoofdstuk 2 De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en Byzantijnse strijd tegen paganisme
De Islam is een groot gevaar!
Jezus leeft maar Mohammed is dood (en in de hel)

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Feb 20, 2017 2:01 pm

Inderdaad, dat moet anders. De kans is overigens groot dat, ivm het inpassen van nieuw materiaal de indeling nog vaak zal wijzigen. We werken nu aan een nieuwe versie van 'Hoofdstuk 2' dat over een recentelijk gepubliceerd Frans onderzoek zal gaan: uit inscripties ten zuiden van Mekka blijkt dat de Hijaz in de vierde en vijfde eeuw onderdeel was van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar. Dit hoofdstuk vormt dan een logische verbinding tussen H1 en H3 en maakt de visie van Dan Brown - Mekka is Petra - in een keer onbetwistbaar.

Hoofdstuk 2: Pre-Islamitisch Hijaz was onderdeel van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar
Hoofdstuk 3 Koranische Geografie
Hoofdstuk 4 De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en Byzantijnse strijd tegen paganisme

Aanvulling: Hoofdstuk 1, gebaseerd op een recente publicatie van Arabist Robert Kerr, is na een week al achterhaald aangezien de oudste Arabische tekst nu gedateerd is op 470, een vondst uit 2014 te Bir Hima (ergens halverwege Mekka en Najran) en is Nabateens gedecoreerd met een christelijk kruis.

Gebruikersavatar
xplosive
Berichten: 6275
Lid geworden op: Do Jun 30, 2011 11:18 pm

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor xplosive » Di Feb 21, 2017 6:45 am

Aangezien de schrijfsels in ontwikkeling zijn komt het één en ander hier op mij wat verwarrend over. Soms ook (door verkeerd gespelde woorden en weggelaten woorden) moet je soms een passage meerdere keren lezen om te kunnen begrijpen wat er staat. Soms lijken in een latere post stukken tekst uit een eerdere post herhaald te worden, hetgeen verwarring geeft over wat de meest actuele tekst (tot nu toe) is.

Hoe dan ook volg ik het hier gebodene met veel interesse, hoewel ik nog niet alles heb kunnen doorlezen, sommige delen heb ik zeer minutieus doorgelezen en andere stukken tot nu toe vrij vluchtig.

Indien gewenst kan ik eventueel vermelden wat ik tot nu toe aan (wat ik interpreteer als) verschrijvingen ben tegengekomen. Dan is het handig als onnodige herhalingen in de posts verdwijnen, want anders levert dit dubbel correctief werk op.

Wilfred schreef:Aanvulling: Hoofdstuk 1, gebaseerd op een recente publicatie van Arabist Robert Kerr, is na een week al achterhaald aangezien de oudste Arabische tekst nu gedateerd is op 470, een vondst uit 2014 te Bir Hima (ergens halverwege Mekka en Najran) en is Nabateens gedecoreerd met een christelijk kruis.

Kun je aangeven wat volgens jou de belangrijkste consequenties zijn van deze vondst (mocht het niet op een vervalsing berusten) ten opzichte van eerdere veronderstellingen of inzichten?
Gun jezelf wat je een ander toewenst     islam = de hel op aarde voor mens en dier
                                                                    koran = handboek voor criminelen
Moslimlanden bewijzen dagelijks: meer islam = meer verkrachte mensenrechten

Wilfred
Berichten: 27
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Di Feb 21, 2017 2:02 pm

Dat zijn zonder meer terechte opmerkingen. Discrepanties tussen teksten worden veroorzaakt door tijdgebrek, het daardoor onvolledig harmoniseren van teksten, het hanteren van verschillende versies (web/master met voet- en eindnoten), verschillen tussen terminologie en definities in verschillende bronnen en onderlinge meningsverschillen over de volgorde van het te publiceren materiaal. Dat schept verwarring en allerlei fouten. Voorlopig is deze draad slechts een 'proeftuin' die verschillende onderzoekslijnen poogt te verbinden en anderen hiermee hoopt te inspireren.

Daarom is elke kritische beschouwing uiteraard van harte welkom. Een lijst met verschrijvingen, dubbele vermeldingen of herhalingen is zeer bruikbaar. Dus als je deze zou willen maken:gaarne!
“Kun je aangeven wat volgens jou de belangrijkste consequenties zijn van deze vondst (mocht het niet op een vervalsing berusten) ten opzichte van eerdere veronderstellingen of inzichten?”


Deze vondst indiceert dat reeds in de vijfde eeuw een proces van culturele en religieuze eenwording gaande was waarbij het Syro-Aramese schrift en monofysistische sektes stapsgewijs het Sabeaanse/Yemenitische cultuurgebied in Arabia Felix stapsgewijs verdringen of vervormen.

Deze unificatie valt logischerwijs dan overeen met de christelijke evangelisatie vanuit Najran en is het product van sluimerend Arabisch nationalisme dat reeds in de derde eeuw ontstond. Met behulp van dit model kan dan later verklaard worden hoe de Koran na codificatie zo snel kon worden gedistribueerd en dat het aannemelijk is dat het Arabische Rijk begon als stammenfederatie (zoals beschreven in het werk van Jeremy John (Archeology and the history of Early Islam: The First Seventy Years.)

http://www.krc.ox.ac.uk/Publications/Jeremy%20Johns/Johns%202003(a).pdf

De kans dat dit een vervalsing betreft is relatief klein. Zorgelijk is dat de Académie des Inscriptions et Belles-Lettres deze publicaties recentelijk van haar website heeft verwijderd. De auteurs stellen dat dit onder politieke druk van Saoedi-Arabie is gebeurd.


Terug naar “Tegenstrijdige visies over Islam”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast