Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Is de islamitische openbaring uniform? Wordt deze door alle gelovigen op dezelfde manier geïnterpreteerd? Hoe denken anderen zoals de Arabist HANS JANSEN over de islam?
Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Nov 21, 2016 11:31 pm

INLEIDING

De vraag is wat tweehonderd jaar onderzoek naar de Abrahamistische religies nu werkelijk heeft opgeleverd. Zeker, vele publicaties hebben inzichten verschaft die voorheen niet aanwezig waren. Vondsten als de Dode Zee-rollen, een verzameling rollen geschreven tussen de derde eeuw voor en eerste eeuw na Christus, hebben verbluffende inzichten verschaft op het ontstaan van het vroege Jodendom en het Christendom. Tegelijkertijd zien we dat op dat moment er wel bijzonder weinig synagoges zijn in Palestina en dat de Hebreeuwse intellectuele gemeenschap voornamelijk actief is in Alexandrië. Ook is de oudste versie van het belangrijkste Joodse gebed, Shema Israël, hoogst waarschijnlijk afkomstig uit Fayym, een oase en stad 100 kilometer ten zuidwesten van Caïro. Dit alles wil niet zeggen dat de traditionele overleveringen niet kloppen; het is slechts een voorbeeld van patronen die nooit zijn onderzocht.

In 2015 werd een stokoud koranhandschrift onderzocht dat mogelijk dateert van voor de veronderstelde geboortedatum ban de profeet Mohammed. Met de C-14 methode is dit manuscript gedateerd tussen de jaren 568 en 645 en verwacht wordt dat dit fragment een grote rol in het revisionistische debat over het ontstaan van de Islam gaat spelen. Alhoewel de meeste revisionisten een westerse achtergrond steunt een meerderheid in het Westen nog steeds de zienswijze van de Islamitische traditie. Het grote probleem voor traditionalisten is dat er geen archeologisch of andersoortig bewijs is voor het orthodoxe verhaal.

Dat westerse Islamologen, historici en anderen liever hun tijd besteden aan het bestrijden van vernieuwende of afwijkende visies dan aan de vraag waarom er geen bewijs is duidt op een heel groot onderliggend probleem. Grote nieuwe rijken of ideologieën komen niet zomaar uit het niets te voorschijn, zeker in een tijd waarin alles vele malen langzamer verliep dan tegenwoordig. Machthebbers zijn pragmatisch en gebruikten religie in de antieke tijd vooral om hun eigen positie te bestendigen en te versterken. Tegelijkertijd proberen religieuze stromingen zich altijd in het staatsbestel te wurmen om via het onderwijs en cultuur nieuwe aanhang te verwerven en controle uit te kunnen oefenen. Ligt het dan ook niet voor de hand om hier het onderzoek te starten?

Veelal beginnen onderzoeken naar het ontstaan van Abrahamistische religies, zowel revisionistisch als traditioneel, binnen een bepaald vakgebied. Daarnaast zijn het onderzoekers die de wetenschap gebruiken om het eigen gelijk te bewijzen. U wilt een voorbeeld? Over de historische Jezus zijn hele encyclopedieën geschreven terwijl alles is terug te leiden naar slechts een aantal zinnetjes in de werken van de Romeinse historici Tacitus en Josephus. Maar ook hier is de onderzoeker kwetsbaar voor manipulatie. De Orthodoxie nam maar al te graag klassieke werken onder hun hoede die aan de hand van een 'zorgvuldig' kopieerproces werden doorgegeven aan de volgende generatie. Aangezien in de meeste gevallen de originele werken niet meer beschikbaar zijn is manipulatie van teksten mogelijk en zijn tekstuele wijzigingen moeilijk bewijsbaar.

Onderzoek naar de Islam treft precies hetzelfde probleem. Tussen de geboorte van de profeet Mohammed en het verschijnen van zijn biografie zit ene periode van 270 jaar. Volgens de traditie heeft een lange lijn van overleveraars generaties lang de grote gebeurtenissen rond Mohammed mondeling doorgegeven aan de volgende. En dat gebeurde niet zomaar. Elke nieuwe generatie overleveraars kent meer voorgaande overleveraars én heeft ook meer kennis van voorgaande gebeurtenissen dan de huidige. Als de Koran bijvoorbeeld een confrontatie tussen twee partijen meldt dat is dan driehonderd jaar later uitgegroeid tot een complete veldslag met familiestambomen voor de commandanten, beschrijvingen van de tactiek en strategie, verliescijfers en nasleep. De onderliggende suggestie is dat overleveraars in hun vroomheid overdrijven en op eigen wijze de overlevering rechtvaardigen. Een analogie met vorstenhuizen uit de Middeleeuwen levert een treffende indicatie op: heersers maakten veelvuldig gebruik van historici en schrijvers om aan de hand van gefabriceerde stambomen hun bewind te legitimeren en te rechtvaardigen.

In beide scenario's werkt de onderzoeker waarschijnlijk met data die niet te verifiëren is aan de hand van archeologische bestanden of andersoortig bewijs. Ligt het dan niet voor de hand om eerst aan te nemen dat deze gebeurtenissen niet hebben plaatsgevonden totdat het tegendeel bewezen kan worden? Desondanks worden tal van Islamitische historici geciteerd in allerlei standaardwerken en beschouwt men deze bronnen als betrouwbaar en authentiek. Laten we deze problematiek nu eens formeel omschrijven.

Het grote probleem in sociale en aanverwante wetenschappen is circulaire argumentatie. Wetenschapper John van Seeters onderzocht hoe oude vertellingen zich verhouden tot de historische context en literaire ontwikkelingen. Hij concludeert dat (te) vaak onderzoekers eerst een 'sociale en historische context definiëren' om vervolgens 'historische bronnen te selecteren die passen binnen deze context'. En omdat deze bronnen passen wordt dus bevestigd dat deze context realistisch en bewijsbaar is. Dit is wat je noemt circulaire bewijsvoering, het voortdurend herkauwen van argumenten met de wetenschapper als papegaai in zijn eigen discours.

Circulaire bewijsvoering is lang, en misschien nog steeds, toonaangevend geweest in wetenschapsgebieden die het ontstaan en de vroegste periode van de Islamitische tijdslijn onderzoeken. Oriëntalisten laten zich bij het selecteren van bronnen en het definiëren van de historische context waarin het onderzoek zal plaatsvinden gaarne leiden door het gewicht van Islamitische bronnen. Dit is enigszins vergelijkbaar met scorelijsten voor het aantal malen dat een wetenschappelijk auteur wordt geciteerd door collega's. Blijkbaar maakt het niet uit dat de vroegste Islamitische werken pas heel laat verschijnen en vrijwel niet met andere eigentijdse teksten kunnen worden gevalideerd of gefalsificeerd. Veelal volgt de traditionele bewijsvoering hetzelfde en simpele patroon: één enkele oorspronkelijke bron beschrijft een gebeurtenis waarna latere bronnen stapsgewijs deze gebeurtenis van meer duiding en context voorzien. Dit proces van herhaling en herhaling heeft de Islamitische traditie een vorm van natuurlijke autoriteit gegeven die door velen is geïnterpreteerd als authenticiteit. De uiteindelijke consequentie is dan dat weinigen twijfelen aan de waarde van deze traditionele bronnen en dus dezelfde fout begaan door traditionele contexten voortdurend verder uit te werken.

Een ander groot probleem is het gebrek aan interdisciplinaire benaderingen. Waar al halverwege de twintigste eeuw vele onderzoeksgroepen werden samengesteld met experts uit verschillende vakgebieden werken wetenschappers, die onderzoek doen naar de het ontstaan van de Islam, nog veelal solistisch of met collega's uit het eigen vakgebied. Dit leidt tot vernauwing, vergroot de kans dat het onderzoek uiteindelijk niet veel meer is dan een stapeling van hypotheses en wordt verworpen door onderzoekers uit andere vakgebieden.

Circulaire bewijsvoering, wat wij zelf zullen duiden als vicieuze bewijsvoering, zorgt natuurlijk wel voor het sluiten van de gelederen. Vernieuwende theorieën, botsend met heersende overtuigingen binnen het Oriëntalisme en de Islamologie worden niet zozeer verworpen met inhoudelijke of technische argumenten maar eerst bestempelt als revisionistisch en vervolgens geïsoleerd in een cordon sanitair. De overeenkomsten met politiek zijn overduidelijk: ook in de wetenschap draait het om macht en voortbestaan van de eigen of groepsovertuiging.

U vraagt zich nu misschien af hoe dat in de praktijk werkt. Traditionele onderzoeken naar het ontstaan van de Islam presenteren met grote stelligheid tijdslijnen zonder dat er ook maar één Islamitisch document (naast de Koran) is gedateerd tussen de periode 570 en 840. Pas vanaf het einde van de achtste eeuw of begin van de negende eeuw worden Koranische inscripties gebeiteld in Arabische gebedshuizen en openbare gebouwen. De Koran zelf is onbekend met concepten als de Islamitische geloofsbelijdenis, moslims, een Arabisch Rijk dat onder Islamitisch gezag staat of zelfs maar de indicatie dat de Islam vorm geeft aan denkbeelden die in dit boek worden geformuleerd. De Koran spreekt daartegen van de terugkeer naar Abraham, de juiste geloofshouding zoals die door de Hanifa wordt uitgeoefend, de overgave van de gelovige aan de wil van God en de afwijzing van de drie-eenheid omdat God alleen kenbaar is als één. De Koranische god is één en zetelt in het huis van God.

De assumptie dat vanuit een dorre uithoek in de woestijn waar niets groeit of bloeit en bijna niemand woont (nou ja, een paar nomaden dan die in leer handelen) een wereldrijk kan ontstaan is vergelijkbaar met elke theorie over groene mannetjes uit Mars die de aarde komen veroveren. Dat Oriëntalisten, op enkele revisionisten na, bijna twee eeuwen lang deze traditie als uitgangspunt hebben genomen en stellen dat op deze wijze de Islam ontstond in het licht van de geschiedenis (concreet, verifieerbaar, meetbaar) indiceert dus een groot onderliggend probleem binnen de sociale wetenschappen: enerzijds circulaire argumentatie en anderzijds het onvermogen om de juiste vragen te stellen.

Uw scepticisme over dit alles is begrijpelijk. Bedrog op deze schaal is moeilijk voor te stellen. Maar denk even terug naar de afloop van de Tweede Wereldoorlog: Hitler had slechts tien jaar nodig om kindsoldaten op te leiden die wilden sterven voor de mythe van het Arische ras. Hoe zou dat zijn bij een opkomende beschaving die drukdoende is om een eigen schrift te ontwikkelen? Is dat niet het ideale moment om een gemeenschappelijke afkomst en doel te propageren en daar stapsgewijs naartoe te werken?

Zoiets doe je bij voorkeur met een recept dat zich al talloze malen eerder heeft bewezen. Eerst komt de Messiaanse boodschap, dan de Messiaanse boodschapper en tenslotte de apocalyps en verdoemenis voor andersdenkenden. Het is amusant om een vergelijking te maken met de Amerikaanse presidentsverkiezingen: het is niet moeilijk voor te stellen dat indien deze verkiezingen in de Klassieke Oudheid hadden plaatsgevonden de Clintons nu een profetische statuur zouden hebben en een lijn van hogepriesters hadden voortgebracht. Het begint met het controleren van de communicatiekanalen, de culturele elite en het gepeupel zodat je ietwat hoger opgeleiden (in de antieke periode zijn dit de ambachtslieden, filosofen, schrijvers etc.) van alle kanten onder druk kunt zetten en resumeert in een moreel kader dat iedereen de maat neemt. Op precies deze wijze is bijvoorbeeld het Christendom geïntroduceerd in het West-Romeinse Rijk, als speeltje van een rijke elite die via de Keizer voortdurend nieuwe filosofieën op rijksniveau poogden te introduceren.

Hoe intellectuele kortsluiting er in de praktijk uitziet blijkt wel uit de vragen en conclusies die worden getrokken na de vondst van het eerder genoemde stokoude koranhandschrift in 2015. Enerzijds concluderen traditionalisten dat hieruit blijkt dat de Koran authentiek en onveranderlijk is; alsof met de vondst van één manuscript de consistentie van een eeuwenoud kopieerproces en authenticiteit van een boek garandeert. Anderzijds zou de Koran ouder kunnen zijn dan de profeet Mohammed en dan kan hij moeilijk de auteur zijn geweest. Alsof het niet mogelijk zou zijn, bij gebrek aan feiten en zekerheden, om de traditionele tijdslijn enige jaren te verschuiven zodat alles weer past.

Schatplichtigheid
Recentelijk hebben meerdere auteurs nieuwe theorieën over het ontstaan van de Islam gelanceerd. Als lezer bent u misschien bekend met het werk van auteurs als Tom Holland, Karl-Heinz Ohlig, Ibn Warraq of Nevo and Koren. Het is de vraag of deze publicaties nu echt nieuwe inzichten verschaften of meer gericht waren op andere methodieken.
Aan het einde van de jaren zeventig publiceerde John Wansbrough twee baanbrekende werken over het onstaan van de Islam. In zijn Quranic Studies: Sources and Methods of Scriptural Interpretation onderzocht hij de Koran met dezelfde methodieken en instrumenten die eerder werden toegepast bij Bijbelonderzoek.
In zijn The Sectarian Milieu: Content and Composition of Islamic Salvation History onderzoekt Wansbrough de relatie tussen tussen vroeg Islamitische historiografie en haar sectarische omgeving. Hoe onbekend was het verleden voor vroeg Islamitische historici? Hoe kozen zij uit het beschikbare materiaal om tot een reconstructie van dat verleden te komen? En hoe subjectief waren deze geschiedschrijvers? Was hun eigen wereldbeeld bepalend of van grote invloed bij deze reconstructie? Het is vrijwel onmogelijk om deze vragen te beantwoorden omdat over het leven van de vroegste Islamitische theologen en historici ook vrijwel niets bekend is.

In ieder geval was de benadering van Wansbrough vernieuwend, baanbrekend en zo nu en dan provocatief. Hij poogde op systematische wijze te onderzoeken hoe de aan vroeg Islamitische schriftuur toegekende autoriteit kon bijdragen aan het ontstaan van een onafhankelijk en zelfbewuste religieuze gemeenschap. Daarbij heeft Wansbrough bijzondere aandacht voor literaire overeenkomsten met en verbanden tussen de pre-islamitische omgeving en de joods-christelijke geschiedschrijving.

Voor Wansbrough schreven andere Oriëntalisten, zoals Theodor Nöldeke al over de onmiskenbare afhankelijkheid van vroeg Islamitische literatuur op joods-christelijke motieven. Andere auteurs, zoals Arthur Jeffery, hadden al overtuigend de invloed van andere talen op koranische teksten aangetoond. John Wansbrough ging echter veel verder: hij veronderstelde dat mogelijk een pre-islamitische entiteit bestond die het ontstaan van de Islam sterk heeft beïnvloed. Daarmee legde hij mede de basis voor de wijze waarop de hedendaagse wetenschap onderzoek doet naar het ontstaan van de Islam.

Gerald R. Hawting stelt dat Wansbrough hint op een religieuze elite die in staat was om de oorspronkelijke Arabische staat, aanvankelijk zonder religieuze (staats)doctrine, te koppelen aan aan het ontstaan van de Islam zodat het ontstaan van de Arabische Staat samenvalt met de komst van de Islam. Wansbrough veronderstelt dat 'op een bepaalde tijd en onder bepaalde omstandigheden' een nieuwe religieuze gemeenschap ontstaat vanuit een gefragmenteerd sektarisch milieu. In zijn optiek gebeurde dat niet in de zevende eeuw op het Arabisch schiereiland maar elders in de achtste en negende eeuw.

Uiteraard hebben er grootse gebeurtenissen plaatsgevonden en zijn er veel aanwijzingen dat de spirituele boodschap van de Koran authentiek is met Mohammed als intermediair. Om een paar voorbeelden te geven: Fred Donner heeft authentieke brieven gevonden waarin de namen van Mohammed's familieleden voorkomen. De Doctrina Iacobi, een onafhankelijke Griekse bron (634-640) doet verslag van een ontmoeting met Mohammed. Maar aanwijzingen zijn niet natuurlijk niet voldoende en hebben tot nu toe geen logisch kader geboden om alle gebeurtenissen rond het ontstaan van de Islam te kunnen begrijpen, te ordenen en onderling te verbinden. Dit gezegd hebbende kan nu de doelstelling van dit onderzoek worden gedefinieerd: het opstellen van een sluitende en logische tijdslijn.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Za Jan 14, 2017 7:59 pm, 13 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Hoofdstuk 1 De taal van de Koran

Berichtdoor Wilfred » Di Nov 22, 2016 1:43 pm

Hoofdstuk 1 De taal van de Koran

Introductie
Twee zeer oude Koranische manuscripten zijn door de Universiteit van Birmingham in 2015 onderzocht op authenticiteit. Een Carbon-14 test dateert dit koranhandschrift van tussen de jaren 568 en 645 en is daarmee veel ouder dan andere fragmenten die eerder zijn onderzocht. Eerdere soortgelijke onderzoeken, zoals dat in Leiden, dateren koranfragmenten tussen 650 en 715. Het blijft overigens onzeker hoe oud de inkt is. Aangezien bij een Carbon-14 test het oorspronkelijk materiaal verloren gaat is alleen een niet beschreven gedeelte onderzocht. Het is daarom (theoretisch) mogelijk dat de inkt van een veel latere datum is dat het perkament.

Relevant voor dit onderzoek is dat dit koranhandschrift is geschreven in monumentaal Arabisch Hijazi script en nog steeds goed leesbaar is. In het midden van de negentiende eeuw lanceerde Oriëntalist Amari de term Hijazi voor de schrijfstijl zoals deze werd gepraktiseerd in Mekka en Medina, beide gelegen in de Hijaz. Deze term is misleidend aangezien, met uitzondering van het uiterste noordwesten van Saoedi-Arabië, nooit koranfragmenten met deze schrijfstijl zijn gevonden in Mekka, Medina of de Hijaz. Veruit de meeste fragmenten met deze schrijfstijl zijn gevonden in Damascus, Fustat (Egypte) of San'a (Jemen).

In Damascus, destijds onderdeel van Arabia Petraea, vinden we na het begin van de vijfde eeuw meer en meer Arabische teksten die met letters uit het Syro-Aramese alfabet of met letters uit het Griekse alfabet worden geschreven. Er worden volop pogingen gedaan om voor de Arabische bevolking in Palestina en Syrië een eigen schrift te ontwikkelen. Een fragment van psalm 78, uit het begin van de zevende eeuw en gevonden in de Ummayyad moskee (!) te Damascus, is een Arabische tekst dat qua stijl en grammatica lijkt op de vroegste koranische manuscripten in klassiek Arabisch (Imāla).

Om deze ontwikkelingen te kunnen begrijpen moeten we onderzoeken welke talen aan het begin van de zevende eeuw taalkundig in het Midden-Oosten worden gesproken. Op dit moment in tijd is de Levant en het Arabische schiereiland een complex mozaïek van culturen, religies en talen. Het is een wijdverbreid misverstand dat Arabieren voor de komst van de Islamitische godsdienst analfabeten waren. In de Antieke wereld was de Arabische wereld onderverdeeld in drie geografische regio's: Arabia Felix, Deserta en Petraea. Elke regio had haar eigen linguïstische en literaire traditie.

Afbeelding

In de zuidwestelijke hoek van het Arabisch schiereiland (het moderne Yemen) lag Arabia Felix waar destijds meerdere Zuid-Semitische talen werden gesproken waarvan de Sabeaanse taal de voornaamste was. Het Sabeaanse schrift was een Semitisch schrift dat reeds sinds de bronstijd een eigen ontwikkeling doormaakte en sterk verschilde van de Syro-Palestijnse traditie.
Meer naar het noorden, in wat nu min of meer Saoedi-Arabië is, lag Arabia Deserta. Deze regio was slechts spaarzaam bevolkt. Nomadische stammen tokken rond in de kustvlaktes en hier en daar kon men nederzettingen bij oases aantreffen. Er is geen archeologisch bewijs dat voor de negende eeuw steden van enig formaat in Arabia Deserta bestonden. De dialecten die destijds in deze regio werden gesproken behoren tot de Noord-Semitische talen maar spelen geen rol in het ontstaan van het Klassiek Arabisch. De geschreven cultuur van Arabia Deserta was geleend van Arabia Felix en dus een variant van het epigrafische Sabeaanse schrift.

Verder naar het noorden, in het Syro-Aramese cultuurgebied (dat delen van de Sinaï, Israël, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije en Irak omvatte), lag Arabia Petraea. Deze Provincia Arabia was de Romeinse grensprovincie die als bufferzone diende tegen invallen van Arabische stammen. Deze regio, met als hoofdstad de beroemde woestijnstad Petra, was in de zevende eeuw bijna een millennium lang beïnvloed door de Hellenistische cultuur. De belangrijkste geschreven talen waren het Grieks en verscheidene Aramese dialecten waarbij Syriac domineerde. Grote delen van de bevolking in Arabia Petraea hadden zich bekeerd tot een vorm van het Christendom dat aan het begin van de zevende eeuw in vele smaken voorradig was. Arabia Petraea heeft nu een unieke linguïstische omgeving. Hoewel de meeste teksten uit deze periode kunnen worden toegeschreven aan de Nabateeërs, Palmyrianen en anderen die noch van Griekse of Nabateense afkomst waren zijn er veel inscripties gevonden die van etnisch Arabische oorsprong zijn. Deze situatie is te vergelijken met het Middeleeuwse West-Europa waar destijds het Latijn de geschreven taal was maar de gesproken talen de voorlopers zijn van de talen die hier tegenwoordig worden gesproken.

Algemeen wordt aangenomen dat het Arabische alfabet en taal zich ontwikkelde uit het Nabateense schrift of uit het Syro-Aramees. Voor de komst van de Islam waren Aramese teksten nauwelijks voorhanden ten zuiden van Jordanië en dan alleen in het uiterste noordwesten van het moderne Saoedi-Arabië. In Arabia Felix en Deserta werden andere Semitische talen gesproken. Het is juist in Arabia Petraea waar vroeg Arabische teksten in een Aramees alfabet worden geschreven en soms zelfs met Griekse karakters. Maar veel belangrijker is dat er twee onafhankelijke bronnen zijn die aantonen dat het klassiek Arabisch in Arabia Petraea is ontstaan Enerzijds door duidelijke taalkundige kenmerken die door verschillende talen in het zelfde geografische gebied worden gedeeld als gevolg van culturele diffusie (stapsgewijze vermenging van culturen en talen) en anderzijds door distributie van het Arabische alfabet in de eeuwen die volgen. Indien de Koran daadwerkelijk een product van de Hijaz zou zijn dan zou het geschreven zijn in een andere Noord-Semitische taal met een epigrafisch Zuid-Semitische alfabet. En aangezien dit niet het geval is is er geen linguïstisch bewijs voor de traditionele opvattingen over het ontstaan van de Koran.


De oudste tekst geschreven in het Arabische alfabet dateert uit 512 en werd gevonden in Zabad in het huidige Syrië. Het is een drietalig document geschreven in Grieks, Syro-Aramees (Syriac) en Arabisch. De onderstaande illustratie toont de sterke overeenkomsten tussen het Nabateense alfabet en het oudste Arabische alfabet.

Afbeelding

Het Nabateense alfabet werd voor het eerst gebruikt in de tweede eeuw en was een vorm van Aramees. Nabateeërs spraken zelf een vorm van Arabisch maar hadden geen eigen schrift. Daarom maakten ze gebruik van het Aramees dat in deze eeuw de taal van de handel was. Na de tweede eeuw ontwikkelt het Nabateense alfabet zich in twee vormen: één vorm werd gebruikt voor inscripties en de andere cursieve vorm werd gebruikt voor het schrijven op papyrusrollen. Deze cursieve vorm ontwikkelde zich geleidelijk tot het Arabische alfabet dat later gebruikt zou worden voor de Koran, waarschijnlijk tussen an-Namāra inscriptie uit 328 en de Jabal Ramm inscriptie uit rond 400.

Het Nabateense alfabet onderscheidde 22 verschillende klanken terwijl het Arabisch 28 klanken kent. Foefjes waren dus nodig om een bruikbaar alfabet te ontwikkelen. Het oudst bekende Arabische alfabet kent dan ook 22 letters waarvan 6 letters twee verschillende klanken duiden.

Semitische talen
Semitische talen gebruiken concatenatieve morfologie waarbij karaktersets (de wortel, morfeem) doorgaans zelf geen woord of lettergrepen zijn maar geïsoleerde karaktersets zijn en doorgaans uit drie karakters bestaan, de zogenaamde trilaterale morfologische wortel. Bij Semitische talen worden woorden samengesteld door klinkers tussen de medeklinkers te plaatsen. Bijvoorbeeld de Semitische wortel mlk kan gebruikt worden om equivalente woorden te maken in verschillende Semitische talen zoals Aramees, Arabisch en Hebreeuws. Koning (van stam mlk) wordt dan in het Hebreeuws mĕlĕḵ, in het Arabisch malik en in het Aramees malkā.

Morfemen, een deel van een woord met en eigen betekenis dat niet in kleinere woorddelen met eigen betekenissen kan worden opgesplitst, zijn dus de fundamentele bouwstenen van iedere taal en kunnen binnen een taalgroep vergeleken worden. Morfemen zijn algemeen genomen zeer stabiel en veranderen minder snel dan woorden en klanken. Cruciaal is dat de morfologie van een taal doorgaans betrouwbare informatie levert over de oudere fasen van een taal. Aan de hand van de morfologie kan de opbouw van een woord worden bekeken.

Etymologie
Dit deelgebied van de taalkunde bestudeert de herkomst van woorden en levert eigenlijk een historische verklaring voor de wijze waarop de vorm van het woord tot stand is gekomen. De afgelopen jaren zijn interessante studies verschenen ten aanzien van de etymologische oorsprong van veel Koranische woorden. Niet alleen bevat de Arabische Koran veel buitenlandse woorden (vooral Aramees), het aantal gebruikte woorden of morfemen is zeer beperkt en van veel woorden is niet duidelijk wat ze precies betekenen. Etymologie en morfologie zijn dus bij uitstel disciplines die ons kunnen helpen in dit onderzoek want het Klassieke Arabisch van de Koran is een Semitische taal.

Semitische talen hebben een grote hoeveelheid woorden met een vergelijkbare vorm en betekenis en dus wordt aangenomen dat deze talen uit één en dezelfde brontaal hebben ontwikkeld. In de loop van de tijd ontwikkelden zich binnen verschillende Semitische talen zogenaamde verwante woorden (cognaten) die terug te leiden zijn naar een stamwoord van de brontaal.

Wanneer de Koran gecodificeerd wordt is het Klassiek Arabisch nog een zeer jonge taal met een literaire traditie die iets meer dan 100 jaar omvat. Beter gezegd: los van een paar fragmenten met gedichten is er eigenlijk helemaal geen literaire traditie in het Klassiek Arabisch voordat de Koran wordt gecodificeerd. Het ontbreken hiervan kan verklaren waarom de Koran zoveel anderstalige leenwoorden bevat, de woordenschat relatief klein is maar niet waarom een flink aantal Koranische woorden slechts met veel moeite een betekenis krijgen die niet altijd rijmt met de Islamitische context van de Koran. Het is zonder meer verbazingwekkend dat Arabische geleerden honderden jaren na de codificatie nog bezig waren met het doorgronden van Koranische teksten. En juist daarom zijn er de afgelopen jaren een redelijk aantal publicaties verschenen die hier nieuwe verklaringen voor aandragen.

Ontwikkeling Arabisch alfabet
Het meest merkwaardige van het huidige Arabische alfabet is dat het diakritische tekens nodig heeft om verschillen tussen anders congruente karakters te duiden. Een diakritisch teken is een schriftteken dat onder of door een letter wordt gezet ter aanduiding van de uitspraak, met name voor het apart uitspraken van een letter. Diakritische tekens komen vooral voor in talen die in een ander alfabet werden geschreven zoals bijvoorbeeld de Turkse taal dat vroeger in het Arabische en nu in het Latijnse alfabet wordt geschreven. Het Arabische karakter 'u' kan bijvoorbeeld op vier verschillende manieren worden gebruikt met behulp van schrifttekens: ث (th), ت (t), ن (n) en ي (y). Het Arabische alfabet onderscheidt achttien karakters die met behulp van diakritische tekens worden gebruikt om achtentwintig fonemen te maken. Een foneem verwijst naar een verzameling klanken die allemaal dezelfde betekenisonderscheidende functie hebben.

Het ontstaan van deze fonemen is grotendeels af te leiden uit de overgang van het Aramese alfabet dat uit 22 karakters bestaat naar het alfabet dat het Klassiek Arabisch gebruikt. Aangezien in het cultuurgebied van Arabia Petraea de Arabische bevolking niet kon bouwen op een eigen literaire traditie werd het Aramese alfabet stapsgewijs uitgebouwd om Arabische klankgroepen of fonemen te faciliteren. Hiertoe werden diakritische tekens toegevoegd aan Aramese karakters, een praktijk die werd overgenomen uit de Palmyraanse versie van het Aramees. Tevens duiden het gebruik van Aramese orthografische gebruiken en het markeren van klinkers dat de Arabische taal alleen ontstaan kan zijn in een regio waar Arabieren langdurig zijn beïnvloed door de Aramese cultuur, taal en schriftelijke traditie.

Gebruik van klinkertekens en voordrachttekens
Het gebruik van diakritische tekenen ontstaat aan het einde van de zesde eeuw. Om problemen rond de uitspraak van Hebreeuwse woorden op te lossen voegden de Masoreten klinker en voordrachttekens toe aan originele Hebreeuwse teksten om klanken met verschillende betekenissen beter van elkaar te kunnen onderscheiden.Masoreten waren Joodse geleerden uit de laat Antieke periode en vroege middeleeuwen die een probleem oplosten dat reeds lang in de Hebreeuwse literaire traditie bestond. Aangezien de Joden in de loop der tijd meer en meer Aramees gingen spreken werd de beheersing van het Hebreeuws een rabbinale traditie. Het Hebreeuwse schrift dat (net als andere Semitische talen) een medeklinkerschrift is ontstond steeds meer discussie over de juiste uitspraak en interpretatie van religieuze teksten. Om de 'juiste betekenis' te duiden werden een systeem ontwikkeld van klinkertekens en voordrachttekens bestaande uit puntjes en streepjes die onder en boven de oorspronkelijke letters geschreven werden.

Algemeen wordt aangenomen dat de Masoretische periode ergens begint in de zesde eeuw, waarschijnlijk ergens na het jaar 550. Er is vrijwel niets bekend over de werkwijze van Masoretische geleerden en hoe zij hun methodieken ontwikkelden. De Masoreten waren actief in Syro-Palestina en in latere eeuwen ook in Irak. De Masoretische systematiek was in ieder geval zeer succesvol; al snel namen andere culturele groepen het over verbeteringen in hun eigen alfabet aan te brengen, zoals in het Palmyraanse versie van het Aramese alfabet. Zoals we in het volgende hoofdstuk zien is dit een ontwikkeling die zeer bruikbaar is bij het bepalen van de locatie waar Mohammed en de Koran zijn geopenbaard.

Afbeelding
Voorbeeld van het aanbrengen van klinkertekens en voordrachttekens bestaande uit puntjes en streepjes in religieuze Hebreeuwse teksten

De betekenisleer van de liturgische en religieuze woordenschat in de Koran, de wijze waarop de namen van Bijbelse figuren worden gespeld en de intieme kennis van Joodse en Christelijke literatuur is rechtstreeks afkomstig uit de Aramese traditie. Alle beschikbare epigrafische, literaire en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran en in een later stadium de Islam producten zijn van Arabieren die in Syro-Palestina leefden. Deze visie wordt ondersteund door de archeologie: voor de traditionele visie dat dit gebied vanuit de Hijaz via een Blitzkrieg is veroverd is geen bewijs. Opgravingen en archeologische studies tonen aan dat dit gebied in de eeuwen na Mohammed een langzame en continue transformatie ondergaat waarbij de bevolkingsomvang tot de negende eeuw redelijk stabiel blijft. De enige veranderingen die opvallen is het gebruik van keramiek en geglazuurde voorwerpen in de achtste eeuw en de toename van kleine plaatsen op het platteland. Alle voorhanden archeologische, literaire, epigrafische en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran alleen het product kan zijn van het Hellenistische Syro-Palestina.

Het Aramese alfabet en literaire traditie werd dus stapsgewijs of mogelijk heel snel werd gearabiseerd. De enige aannemelijke plaats waar dit proces heeft plaats kunnen vinden in Arabia Petraea. Indien de Koran een product van de Hijaz (westelijke kuststreek in Saoedi-Arabië) is zou het niet alleen in een andere Semitische taal zijn geschreven met een Zuid-Semitisch alfabet. Het feit dat zowel het alfabet als de taal van de Koran naar Arabia Petraea wijst wordt verder onderbouwd door het feit dat de woordenschat van de Koran grotendeels geleend is van het Aramees en dan met name van de liturgische taal van de Christelijke kerken in Syro-Palestina, het Syriac. Dit fenomeen zal later in dit onderzoek nader worden uitgewerkt.

Buitenlandse woorden in de Koran
De aanwezigheid van buitenlandse leenwoorden in de Koran is reeds lang een strijdpunt binnen de Islamitische traditie. Muhammad Ahmad al-Qurtubī stelt dat binnen de Islamitische gemeenschap unaniem wordt aangenomen dat er geen zinnen of uitdrukkingen in de Koran staan die geen Arabische oorsprong hebben. Al Tabari redeneert dat Koranische woorden die ook in andere talen voorkwamen of uit het Arabisch waren overgenomen of tegelijkertijd in gebruik waren genomen. In zijn beroemde werk al-Risālah schrijft Al Shafi dat diegenen die claimen dat de Koran buitenlandse woorden bevat onwetend en ontdaan zijn van wijsheid en kennis. Zowel Al Tabari als Al Shafi baseerden zich op de Koranische verzen die stellen dat de Koran is geschreven in puur Arabisch. Anderzijds waren er Islamitische autoriteiten die geen probleem hadden met de aanwezigheid van buitenlandse leenwoorden in de Koran. Zo schreef al-Suyūtī rond 1500 het werk al-Muhadhab fī ma waqa’a fī al-Qur’ān min al-mu’arrab waarin hij 55 voorbeelden van buitenlandse leenwoorden aanhaalt. Het meest prominente werk over buitenlandse leenwoorden in de Koran werd geschreven door Arthur Jeffery (The Foreign Vocabulary of the Qur'an) waarin aannemelijk wordt gemaakt dat de Koran woorden van Aramese, Syrische, Hebreeuwse, Griekse en Perzische oorsprong bevat.

Archeologisch bewijs: Petra Papyri met een Arabische inscriptie
In 1993 werd een opzienbarende vondst gedaan in de beroemde woestijnstad Petra. In een kamer naast de belangrijkste Byzantijnse kerk van Petra werd een verzameling verkoolde papyrusrollen gevonden die dateren uit de zesde eeuw. Het is een privéverzameling Griekse documenten van een welgestelde familie uit de zesde eeuw die voornamelijk de financiële aangelegenheden vastlegt. Beschreven wordt hoe in de loop der tijd de familie omgaat met huwelijken, erfenissen, commerciële transacties, geschillen en belastingaanslagen. De Petra Papyri (soms ook de Koningsrollen genoemd) zijn één van de belangrijkste vondsten van oude historische teksten die ooit in het Midden-Oosten zijn gedaan.

De ontdekking van de Petra papyrusrollen heeft, vanwege de enorme hoeveelheid informatie, de aandacht van zowel historici als archeologen getrokken. Dit verslag van Theodoros van Obodianos geeft gedetailleerd weer wat er gebeurde in Petra en omgeving tussen het jaar 537 en 593. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen blijkt dat de stad ook in de zesde eeuw bruisend en zeer welvarend was. Eeuwenlang was de stad het knooppunt van de Arabische handelsroutes en het zenuwcentrum van de Arabische cultuur en taal. Petra was het politieke, economische en culturele centrum van Romeins Arabië. Hoe belangrijk de stad was blijkt wel uit de eretitels die in dit verslag genoemd worden: Petra Augustocolonia, Petra Antoniana, Metrocolonia, Petra Hadriana en Petra Metropolis (van de provincie Tertia Palaestina Salutaris. Petra wordt omschreven als een keizerlijke imperiale stad, als verheven, als heilig en als 'Moeder Aller Steden'. In ieder geval wordt duidelijk dat in de zesde eeuw de inwoners van Petra zichzelf belangrijk achten, relatief rijk waren en een belangrijke rol in de Byzantijnse economie vervulden. Niettemin had de stad iets van haar eerdere grandeur verloren. Na de aardbeving van 363 werden niet alle vernielde gebouwen hersteld en werd veel puin gebruikt om een nieuwe stadsmuur te bouwen en werd Petra stapsgewijs een agrarisch handelscentrum met nieuwe patronen van urbanisatie. Deze patronen worden gedefinieerd als de transformatie van 'polis naar madina', een proces dat begon zo ergens halverwege de vijfde eeuw.

Arabische inscriptie met diakritische tekens
Naast de papyrusrollen werd een verkoold stuk hout gevonden met een Arabische inscriptie. De archeologische context suggereert dat deze inscriptie dateert uit de tweede helft van de zesde eeuw of het begin van de zevende eeuw en de paleografische analyse postuleert dezelfde periode. Het bijzondere aan deze vondst is dat deze inscripties diakritische tekens gebruikt en hiermee het eerste bewijs voor het gebruik van diakritische tekens in het Arabische schrift is. Een Arabisch alfabet dat duidelijk pre-islamitische en post-Nabateens is.

De inscriptie luidt 'nayif' of 'nāyiq' en betekend verheven of scherp van geest. Het is niet duidelijk of deze inscriptie mogelijk onderdeel was van een groter object dat meer woorden omvatte. Duiding van deze inscriptie kan slechts plaatsvinden op basis van de vier letters waarbij de laatste letter kan worden gelezen als ف of ق indien deze twee medeklinkers reeds in eind zesde eeuw met een enkele punt werden geschreven.

Uit deze vondst kunnen een aantal dingen worden afgeleid. De auteur had toegang tot de Masoretische systematiek die na 550 in Byzantijns Arabië ontstond. Gezien de ligging en importantie van Petra is het aannemelijk dat Masoretische geleerden ook ten oosten van de Jordaan actief waren. Dat deze inscriptie naast christelijk Byzantijnse documenten werd gevonden indiceert dat de ontwikkeling van het Arabische schrift mogelijk gefaciliteerd werd door de Byzantijnse elite in de stad Petra of door nauwe samenwerkingsverbanden met andere Semitische groepen.

Afbeelding
De Byzantijnse Kerk in Petra waar in 1993 de Petra Papyrusrollenw werden gevonden. Nop opmerkelijker is de vondst van de oudste Arabische tekst met diakritische tekens.

Conclusie
We hebben nu dus niet alleen literaire, epigrafische en linguïstische bewijzen maar ook archeologische en paleografische bewijzen dat de Koran alleen het product kan zijn van het Hellenistische Syro-Palestina of Arabia Petraea. We zoeken dus naar een plaats in Romeins Syrië dat een epicentrum is van culturele en linguïstische interactie, bekend is met Christelijke en Aramese literaire tradities, toegang heeft tot de Masoretische systematiek, contacten onderhoudt met en beïnvloedt wordt door de Perzische cultuur en waar zowel het Nabateense als Arabische schrift gebruikt werd.

De vondst van de Petra papyrusrollen in 1993 indiceert dat deze plaats mogelijk Petra is. Maar voordat we dit nader zullen duiden onderzoeken we eerst eerst of de traditionele geografische context van de Koran, de Hijaz, voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden.









Nog in te voegen
- Perzische leenwoorden in het Arabisch
- Buitenlandse leenwoorden versus de Koranische context
Bron: Robert Kerr


Hoofdstuk 2: Pre-Islamitisch Hijaz als onderdeel van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar

De ontdekking van de oudst bekende pre-islamitische Arabische inscripties in Saoedi-Arabië, gedateerd op circa 470 NC zorgde voor enige consternatie gezien de Joods-christelijke aard van deze inscripties.

In 2014 ontdekten wetenschappers, leden van een gezamenlijke Frans-Saoedische expeditie die in het zuiden van Saoedi-Arabië pre-islamitische rots inscripties onderzochten, mogelijk de oudst bekende teksten geschreven in het Arabische alfabet. Twee jaar lang hebben ze deze ontdekking verzwegen omdat de context van deze teksten mogelijk confronterend is voor traditionele religieuze opvattingen. Rond de bergpassen van Bir Hima – een archeologische onderzoekssite ongeveer honderd kilometer ten noorden van de stad Najran – zijn twaalf inscripties gevonden waarvan twee rotstekeningen datums tonen die overeenkomen met het jaar 469 of 470. De zachte zandstenen bergen rondom Bir Hirma zijn overigens overdekt met duizenden inscripties en rotstekeningen.

Deze ontdekking was niets minder dan een sensatie omdat deze rotstekeningen het pre-islamitische alfabet gebruiken die tot nu toe alleen in Syrië zijn aangetroffen en dateren uit de periode 510 tot 520. Dit is sensationeel omdat het direct impliceert dat het Koranische alfabet reeds lang voor de openbaring van de profeet Mohammed werd ontwikkeld en in gebruik was. Zeg gerust zo'n 200 jaar voor de officiële codificatie van de Koran. Niettemin was de initiële aankondiging van deze ontdekking zonder meer ingetogen. Slechts enkele Franse (waaronder Le Monde) en Arabische Media rapporteerden summier over deze vondst die werd aangekondigd als de ontbrekende schakel tussen het Klassiek Arabisch (fuSha) en pre-islamitische alfabetten zoals bijvoorbeeld het Nabateense alfabet. Het was, tot voor kort, onmogelijk om een afbeelding van deze rotstekeningen of een referentie naar de feitelijke inhoud te vinden.

Thawban, zoon van Malik
Slechts door te graven in een rapport van de Franse Académie des Inscriptions et Belles-Lettres is te achterhalen dat tekst – “Thawban, zoon van Malik” wordt gedecoreerd door een Christelijk kruis. Deze afbeelding van een christelijk kruis wordt systematisch aangetroffen op rotstekeningen uit de vijfde en zesde eeuw verspreid over een gebied dat zich uitstrekt van Jordanië tot de Najran nabij het huidige Jemen. De inscriptie is geschreven is een doorontwikkelde versie van het Nabateense alfabet en linkt naar een oud Joods Koninkrijk dat in de vijfde en zesde eeuw regeerde over Jemen en grote delen van Saoedi-Arabië. En dat is Himyar.

Conflicterend met de Islamitische traditie
Het Islamitische dogma is duidelijk over de situatie in de Hijaz voor de komst van de profeet Mohammed. De algemene indruk is dat het pre-islamitische Arabië een omgeving is van anarchie en chaos. De Hijaz ( de westelijke kuststrook van Saoedi-Arabië met Mekka en Medina) wordt volgens de traditie gedomineerd door jahilliya, het tijdperk van onwetendheid, rechteloosheid, analfabetisme en barbaarse heidenen. Wat de Islamitische traditie niet vermeld was dat de Hijaz, met uitzondering het uiterste noordwesten, behoorde tot het grondgebied van het Himyaritische koninkrijk.

De decennia voor de start van de Islamitische kalender (de veronderstelde verhuizing na Mohammed van Mekka naar Medina in 622) worden overheerst door oorlogen tussen de Byzantijnse en Perzische rijken waarbij Arabische stammen veelal als hulptroepen werden ingezet. De sombere voorstelling van pre-islamitisch Arabië is niets meer dan een literaire metafoor om de verenigende en verhelderende kracht van Mohammed's boodschap te benadrukken. De sombere voorstelling van pre-islamitische Arabië was minder een nauwkeurige beschrijving, zo lijkt het, dan een literair metafoor om de verenigende en verhelderende kracht van de boodschap van Mohammed benadrukken.
Nieuw onderzoek naar de werken van Islamitische en Christelijke kroniekschrijvers én nieuw archeologisch onderzoek in Saoedi-Arabië toont aan dat het Arabisch schiereiland een veel rijkere en complexere geschiedenis kent dat de Islamitische traditie ons wil doen geloven. En een van de belangrijkste maar vaak vergeten spelers was op dat moment het koninkrijk van Himyar.

Himyar
Opgericht in de tweede eeuw na Christus wordt Himyar al snel een regionale grootmacht in Arabia Felix en verovert het grote gebieden in wat vandaag Jemen wordt genoemd. Opmerkelijk is dat de rond het jaar 380 de elites van het koninkrijk van Himyar zich hebben bekeerd tot een of andere vorm van het jodendom. De Franse epigraphist en historicus Christian-Julien Robin heeft veel bijgedragen aan wat we nu weten over het tot voor kort mysterieuze Himyar.

Rond 425 had het grootste gedeelte van de bevolking zich bekeerd en kunnen we spreken van een Joods koninkrijk in zuidwest Arabië. Gedurende de honderd jaar die volgen heersen koningen die zich zo strikt mogelijk aan de Joodse wetten houden en, met slechts een kleine onderbreking, de christelijke bekeerlingen in Arabia Felix meedogenloos vervolgen. Hoewel deze gebeurtenissen vermeld zijn in Arabische, Griekse en Syrische verslagen hebben onverschillige of onbekwame wetenschappers dit lang gezien als niet meer dan een lokaal incident waarbij monotheïstische attributen waren geleend uit het Joodse geloof.
Het is pas in de laatste decennia dat er voldoende bewijs uit rotstekeningen en inscripties is verzameld om de conclusie te rechtvaardigen dan een natie van etnische Arabieren zich had bekeerd tot het Jodendom en dat als officiële staatsreligie instelde. Het militante koninkrijk Himyar raakte in de vijfde eeuw in conflict met christelijke groepen die poogden te evangeliseren vanuit Najran en de nabijgelegen kusstreek. Christelijke troepen uit Ethiopisch Axum, vergezeld door Byzantijnse versterkingen uit Constantinopel, vernietigden de militaire kracht van Himyar. Het is aan de wetenschappers Christian Julien Robin en Andrei Korotayev te danken dat dit verloren hoofdstuk uit de laat antieke geschiedenis is herontdekt.

Invloedssfeer van Himyar
De Himyaritische koningen zagen in het Jodendom een potentieel verenigende kracht voor het nieuwe en cultureel diverse imperium dat omring werd door verschillende rijken die voortdurend trachten hun invloedssferen uit te breiden. Zo was er het Ethiopische Axum dat reeds in derde eeuw grote gebieden in zuidwest Arabië had veroverd en loerde naar mogelijkheden om zich opnieuw in Arabische aangelegenheden te roeren. Nog belangrijker waren de Byzantijnse en de Perzische inspanningen om vaste voet aan de grond in Jemen te krijgen.

De opkomst van de Joodse religie was duidelijk zichtbaar in de Himyaritische hoofdstad Zafar, gelegen ten zuiden van het moderne Sana'a. Zafar werd gebouwd als een kasteel in de hemel gelegen op de top van een uitgedoofde vulkaan . Ongeveer 25.000 inwoners leefden hier op een hoogte van bijna drie kilometer wat doet denken aan de Edomitische steden in Zuid-Jordanië die bijvoorkeur ook op de top van een berg werden gebouwd.


Afbeelding
De Himyaritische invloedssfeer bereikt in 552 een voorlopig hoogtepunt met de verovering van Yathrib

De opkomst van de Joodse religie was duidelijk zichtbaar in de Himyaritische hoofdstad Zafar, gelegen ten zuiden van het moderne Sana'a. Verwijzingen naar heidense goden verdwijnen stapsgewijs uit koninklijke inscripties en teksten op openbare gebouwen om plaats te maken voor inscripties die verwijzen naar één enkele godheid. Deze inscripties worden vooral in de lokale Sabeaanse taal geschreven en in een enkel geval in het Hebreeuws. Deze monotheïstische god wordt omschreven als 'Rahmanan' de barmhartige, de 'Heer van de hemelen en de aarde', de 'God van Israël' en de 'Heer van de Joden.' Gebeden beginnen met de zegeningen van Rahmanan voor het volk van Israël en eindigen doorgaans met invocaties als sjalom en amen. Gedurende de komende anderhalve eeuw die volgt breidt het Himyaritische koninkrijk haar invloed uit naar het centrum van Arabië, de Perzische Golf en de Hijaz zoals blijkt uit koninklijke inscripties die niet alleen in Bir Hima zijn gevonden maar ook in de buurt van wat tegenwoordig de Saoedische hoofdstad Riyad is.

Welke vorm van Judaïsme werd in Himyar gepraktiseerd?
Een belangrijke vraag is de vorm van Judaïsme die in Himyar werd gepraktiseerd. Namen ze de sabbat in acht? Of volgden ze de regels van de kasjroet (het geheel van spijswetten dat in het Jodendom bepaalt of voedsel wel of niet gegeten mag worden)? Bepaalde Oriëntalisten, zoals bijvoorbeeld de Joods-Franse wetenschapper Joseph Halevy, weigerden te gelovigen dat Joodse heersers christelijke onderdanen konden vervolgen en vermoorden en oordeelden daarom dat de Himyarieten één van de vele christelijke sekten was die in de laat Antieke tijd werden aangetroffen op het Arabische schiereiland. De Franse epigraphist Robin stelt dat de officiële religie van Himyar het best kan worden omschreven als een 'Joodse vorm van monotheïsme', een soort compacte of minimalistische uitvoering van het Jodendom dat slechts enkele principes van deze religie volgde.

Helaas zijn er enerzijds te weinig inscripties gevonden en zijn anderzijds veel teksten van latere kroniekschrijvers mogelijk bevooroordeeld tegen het Himyaritische koninkrijk zodat het moeilijk is een duidelijk beeld van van de religieuze beleving en traditie te schetsen. Maar misschien is er een andere manier om deze vraag te beantwoorden. Gezien de talloze overeenkomsten tussen het Joodse en het Islamitische geloof is het aannemelijk dat etnische Arabieren van Arabia Felix tradities en gebruiken overnemen van diegenen die de Joodse religie naar het zuiden van het Arabisch schiereiland brachten. Dit vraagstuk zal in komende hoofdstukken nader onder de loep worden genomen.

Thawban de martelaar
Het Frans-Saoedische onderzoeksteam dat onderzoek doet naar inscripties in Bir Hima ontdekt dat de naam ' Thawban, zoon van Malik' verschijnt in acht inscripties, samen met de namen van andere christenen in wat waarschijnlijk een vorm van herdenking is. Volgens Christelijke kroniekschrijvers werden rond het jaar 470 (de datum die bij de Thawban inscriptie is vermeld) christelijke inwoners van het nabijgelegen Najran getroffen door opeenvolgende vervolgingen door Himyarieten. De Franse onderzoekers van de Franse Académie des Inscriptions et Belles-Lettres vermoeden dat deze Christenen zijn gestorven als martelaar en dat de keuze voor het vroeg Noord-Arabische schrift om hen te gedenken een krachtig symbool van verzet is tegen Himyar dat het Sabeaanse schrift hanteert.

Dit pre-islamitisch alfabet is het Nabateense Arabisch alfabet wat eerder is beschreven is het voorgaande hoofdstuk. Op zich is dit niet verbazingwekkend aangezien de Nabateeërs vanuit Petra alle Arabische handelsroutes beheersten voordat zij door de Romeinen werden ingelijfd. Het hanteren van een noordelijk Arabisch alfabet in Sabeaans cultuurgebied is een krachtig signaal van culturele unificatie, de vereniging van Arabia Felix met Arabia Petraea en het ontstaan van een meer uniforme schrijfwijze tussen de Eufraat en Najran.

Christelijke repercussie
De voortdurende vervolgingen door Himyaritische heersers resulteerden uiteindelijk, ergens rond het jaar 500, in een Ethiopische inval. De Negus van Axum installeert een vazal die de komende 20 jaar over het zuidelijk deel van het Arabisch schiereiland zal regeren. In 522 rebelleert de Joodse leider Yoesoef As'ar Yath'ar en vernietigd het Ethiopische legioen, belegert Najran en slacht een groot deel van zijn christelijke bevolking. Juist dat laatste gaat als een schokgolf door de christelijke wereld van het Midden-Oosten en vergelding laat dan ook niet lang op zich wachten.
In 2014 wordt bij Bir Hima een inscriptie ontdekt die vermeldt hoe Yoesoef met twaalfduizend soldaten het noorden marcheert om zijn gezag in de Hijaz te herstellen. Zijn succes houdt echter niet lang stand. Christelijke kroniekschrijvers vermelden dat in 525 Ethiopische troepen zijn leger verslaan.

Gedurende de honderd jaar die volgen is Himyar een christelijk koninkrijk dat het zuidelijke deel van het Arabisch schiereiland domineert. Uit inscripties blijkt dat de Ethiopische generaal Abraha al-Asham, nadat hij zichzelf tot koning van Himyar heeft gekroond, regelmatig veldtochten naar de Hijaz en Centraal-Arabië organiseert. In 552 verovert hij de grootste delen van de Hijaz met inbegrip van Yathrib, de woestijn oase die volgens de Islamitische traditie ruim zestig jaar bekend zou worden als Madinat al-Nabi, de stad van de Profeet. Hoe machtig Abraha was blijkt wel uit kronieken die beweren dat hij poogde drie bisschoppen te bevrijden uit Perzische gevangenschap door een militaire expeditie te sturen naar Nisibis dat tegenwoordig in Turkije ligt.

Afbeelding
Abraha's inscriptie in Jemen

Uit een in 2004 ontdekte inscriptie, Abraha's inscriptie, blijkt dat de Hijaz tot minimaal 570 onder bestuur blijft staan van het nu christelijke Himyar. De inscriptie vertelt hoe Abraha, de “koning van Saba, Zoeridan, Jemen en de stammen van de bergen en de kust” het centraal gelegen Kinda verovert en een vazal op de troon zet in “het jaar tweeënzestig en zeshonderd.”

Volgens de Islamitische overlevering sterft Abraha al-Asham kort na een mislukte expeditie in 570 naar Mekka om de Kaba te vernietigen. Het probleem met deze overlevering is dat er geen archeologisch bewijs is dat de stad Mekka voor de tiende eeuw bestond en zelfs de vele inscripties die Abraha achterliet vermelden nergens de naam Mekka. In ieder geval zou Abraha een grote kathedraal in Sanaa hebben gebouwd die zou moeten wedijveren met de Kaba in Mekka.

Al-Qalis
Het moge duidelijk zijn dat naast militaire expedities Abraha een andere manier zocht om het christendom in het overwegend Joodse Himyar een belangrijke positie te geven. Hij gaf daarom opdracht tot de bouw van de Al-Qalis kathedraal (ook bekend al Al-Qoelays – afgeleid van het Griekse woord voor kerk Ekklesia) en verzocht zowel Aksum als Constantinopel om marmer, ambachtslieden en mozaïeken aangezien in de Arabische wereld deze vaardigheden destijds nog onbekend waren. Historicus Procopius schrijft dat de Byzantijnse keizer Justianus I een gezantschap naar Jemen en Abraha stuurt waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kathedraal ergens tussen 527 en 560 is gebouwd.

Volgens Islamitische kroniekschrijvers functioneerde de kathedraal meer en meer als een bedevaartsoord die poogde te concurreren met de Kaba in Mekka. Enkele inwoners van Mekka zouden de Al-Qalis hebben bevuild wat voor Abraha de reden was om in 570 een expeditie tegen Mekka te ondernemen. Het Koranische hoofdstuk 105 legt uit waarom zijn veldtocht mislukte: God had een zwerm vogels uitgerust met zware kleiballen die als kogels op de christelijke soldaten neerdaalden. In 685 zou de troonpretendent van de Ommaijaden, ibn al-Zubayr, mozaïeken uit de kathedraal van Sanaa hebben meegenomen met de intentie deze te gebruiken voor de herinrichting van de Grote Moskee in Mekka. Uiteindelijk verdwijnt de Al-Qalis rond 775 uit de geschiedenis wanneer deze voor de zoveelste keer wordt geplunderd.

Wat zou er nu waar kunnen zijn van deze Islamitische overleveringen? We beschikken dus over historisch bewijs dat Abraha de Hijaz, Kinda en de gebieden rond het latere Mekka controleerde tot mogelijk het jaar 570. In het oudste werk over Mekka, van de Arabische geschiedschrijver Asraki, staat dat hier een christelijke begraafplaats lag. Uit klimaatdata blijkt dat het zuidelijke gedeelte van het Arabisch schiereiland rond het midden van de zesde eeuw getroffen werd door een verschrikkelijke droogte. De Arabische wereld getroffen na 541 geraakt door een pestepidemie die decennia zou aanhouden en in Jemen brak een grote dam door waardoor een belangrijk agrarisch gebied verloren ging. De toch al fragiele ecologie in de hooglanden van Arabia Felix werd hierdoor zwaar getroffen met als gevolg dat de bevolking langdurig honger had.

Al deze factoren zouden voor de Himyaritische koning Abraha aanleiding geweest kunnen zijn om nieuwe gebieden voor zijn onderdanen te veroveren die, en dat blijkt uit bronnen die later zullen worden aangehaald, migreerden naar leefgebieden met meer potentieel. Zo verhaalt Ibn Ishak dat Mohammed als jong kind werd bedreigd door ziekte en honger en dan zijn verzorgster dief bezorgd was toen verteld werd dat Mohammed zou terugkeren naar zijn geboortestad.

Perzische hegemonie in Himyar (570-630)
Hoe Abraha sterft is niet geheel duidelijk. Sommige wetenschappers dateren zijn dood enige tijd na 553 op basis van de inscriptie van Murayghän. Volgens de Islamitische traditie sterft hij onmiddellijk na de veldtocht naar Mekka en bestijgen zijn zonen Yaksum en Masruq de Himyaritische troon en vallen de Sassanidische legers uit Perzië ergens na 570 Himyar binnen en beheersen tot minstens 630 het zuidelijk deel van het Arabische schiereiland. De uitdaging bij het begrijpen van deze gebeurtenissen is het ontbreken van eigentijds bewijs. We kunnen slechts bouwen op enkele Byzantijnse bronnen terwijl de details van de Perzische campagne alleen zijn opgetekend in Arabische kronieken die pas eeuwen later verschijnen.

Het eerste verslag is afkomstig van Theophanes van Byzantium (581) dat is opgenomen als een synopsis in het werk van Photios I van Constantinopel. Het vertelt summier hoe de Perzen, onder leiding van generaal Miranus, de Ethiopische vazalkoning gevangen nemen, de hoofdstad plundert en een Sassanidisch regime installeert.

Hoewel de namen van de hoofdpersonen in dit verslag niet overeenkomen met de latere Arabische kronieken is dat niet noodzakelijk een diskwalificatie. Byzantijnse kroniekschrijvers gebruikten doorgaans officiële of koninklijke titels terwijl Arabische historici de voorkeur gaven aan zogenaamde formele korte namen (laqabs of koenya). De Arabische historicus Shahid identificeert de Perzische generaal Miranus als Aboe Moerra, de korte naam van de Himyaritische prins Sayf ibn Dhi Yazan. Aangezien voor deze identificatie alleen literair bewijs beschikbaar is moeten we een slag om de arm houden.

Omdat eigentijds bewijs ontbreekt zullen we belichten wat de Arabische historische traditie vertelt over de Perzische invasie. Drie alternatieve verslagen gebaseerd op ogenschijnlijk ouder materiaal zijn gepreserveerd in de werken van negende en tiende-eeuwse Arabische kroniekschrijvers.

Het oudste verslag is van de hand van Wabh ibn Nunnabbih (overleden tussen 735 en 737) dat later werd geciteerd n in de werken van Ibn Hisham (833) en Nashwan ibn Sa'id al-Himyari. Daarna komt het verslag van Ibn Ishaq (overleden in 761) en wordt geciteerd in Ibn Hisham (833) en al-Tabari (923). Tenslotte is er het verslag van Ibn al-Kalbi (819) dat wordt aangehaald in de werken van al-Masudi (956) en al-Tabari. Algemeen genomen vertellen al deze kroniekschrijvers hetzelfde relaas met hier en daar afwijkende details die uiteraard heftig bediscussieerd zijn in de loop der tijd.

Alle versies beginnen met de introductie van een Himyaritische prins die een alliantie tegen de Ethiopische bezettingsmacht op de been probeert te brengen. Na een Byzantijnse afwijzing richt hij een verzoek tot de Perzische Sassaniden. In de eerste versie is dit prins Sayf ibn Dhi Yazan en de laatste versie is het zijn zoon, Ma'di Karib. Opmerkelijk is dat de Arabische traditie de Banu Yazan (letterlijk: de afstammelingen van Yazan) aanwijst als de heersers in Himyar overeenstemmend met inscripties die dateren van rond 550.

In het oudste verslag, van Wabh ibn Nunnabbih, is de Ethiopische vazalkoning in Jemen 'Aksum ibn Abraha'. Deze naam wordt vermeld in de eerder genoemde 'Inscriptie van Abraha' dat spreekt over 'Aksum zoon van de Koning'. Wat al deze versies, met vele andere Arabische kronieken, gemeen hebben is dat de hoofdrolspelers eerst afgezanten sturen naar de grote machten van die tijd, het Byzantijnse en Perzische Rijk, alsof het een literair concept is. De hoofdrolspeler reist naar de glamoureuze omgeving van grote paleizen en edele heersers waar zijn verzoeken op dramatische wijze worden afgewezen. Uiteindelijk, na veel tegenslagen en strijd behaalt hij dan toch het ultieme succes en dat is uiteraard enerzijds het herstel van de Joodse religie dat door het grootse deel van de bevolking wordt aangehangen en anderzijds het verdrijven van de buitenlandse christelijke overheersers.

Achtergronden
Hoe dan ook, de Perzische legers vallen rond het jaar 570 Himyar binnen en blijven, voor zover we nu weten nog decennia lang de heersende macht in zuidelijke gedeelte van het Arabisch schiereiland. Een algemeen geaccepteerd argument voor deze inval is het het langdurige conflict tussen het supermachten Byzantium en het Sassanidische Rijk.

Na het vredesakkoord in 532 vechten Byzantium en Perzië tussen 540 en 562 een langdurige conflict uit over de hegemonie in de Kaukasus gevolgd door de een nieuw bestand in 562. Lang duurde de rustige periode die volgde niet. Al in 569 kregen de Arabische vazal- en bufferstaten van Byzantium en Perzië, de Ghassaniden en Lakhmiden, ruzie en slechts een jaar later sloot Byzantium een geheime alliantie met Armenië. De Sassaniden proberen de Byzantijnen met eigen munt terug te betalen door de Himyarieten eerst aan te sporen om in opstand te komen tegen de Ethiopische vazalkoning. Toen dat mislukte, zo schrijft de Byzantijnse historicus Menander in 582, vielen de Perzische legers Himyar binnen.1 Mogelijk speelden ook andere geopolitieke factoren een rol. Het is heel wel mogelijk dat de Sassaniden vreesden in de nabije toekomst een oorlog op twee fronten te moeten voeren, zowel op het Arabisch schiereiland als in de zuidelijke Kaukasus met vijandige cliëntstaten van Byzantium.

Maar toch is een dergelijke geopolitieke analyse mogelijk veel te beperkt. In de Arabische kronieken speelt de religieuze identiteit van de hoofdpersonen een belangrijke zo niet dominante rol. Himyar is op dat moment al langere tijd het doelwit van religieuze zendingsdrang dat begint op het moment dat deze staat een Joodse identiteit heeft gevormd. Byzantium en Ethiopië steunen christelijke zendingsmissies naar de zuidelijke Hijaz en helpen openlijk als de belangen van christelijke inwoners van Himyar worden bedreigd. We zouden inderdaad kunnen beargumenteren dat Byzantium en Aksum geen prijs stelden op de aanwezigheid van een Joodse staat in Himyar, dat beide staten mogelijk aasden op gebiedsuitbreiding of de zeeroutes naar India poogden te beveiligen. Al deze opties zijn echter voornamelijk speculatief terwijl op de achtergrond een eeuwenoud conflict sluimert dat het hele Midden-Oosten zou veranderen.

Dat conflict is de strijd om de eenheid van God, een onderwerp waar we in latere hoofdstukken uitgebreid in zullen gaan. Voor nu volstaat de vermelding dat de Byzantijnse keizers harde oorlogen voerden tegen paganisten, Joden en christelijke sekten die het concept van de drie-eenheid afwijzen en een agressieve bekeringspolitiek voeren. Zo worden in bijvoorbeeld Romeins Palestina veel Joodse heiligdommen en synagogen afgebroken om plaats te maken voor Oosters-orthodoxe kerken. Het ligt voor de hand dat ook Himyar door dit conflict wordt getroffen. Na 380 wordt het Jodendom de staatsreligie en blijft dominant tot de periode 470-500 als er steeds meer conflicten met christelijke groepen ontstaan. Uit de hierboven omschreven machtswisselingen blijkt dat het primaire motief voor buitenlandse interventies of opstanden van religieuze aard was. Tijdens deze machtswisselingen ontstonden samenwerkingsverbanden die voor ons onderzoek buitengewoon interessant zijn. Maar voordat we dit hoofdstuk met een beschouwing daarover afsluiten gaan we eerst terug naar de veronderstelde culturele interactie tussen Noord en Zuid-Arabië.

Culturele Unificatie
Indien we kunnen bewijzen dat er reeds voor de komst van de profeet Mohammed kunnen bewijzen dat er reeds een proces van culturele unificatie plaatsvond in de Arabische wereld dan geeft dat ons veel mogelijkheden om later in dit onderzoek een gesloten en logisch model te ontwikkelen dat niet alleen de snelle opkomst van de Arabische wereld na 630 verklaart maar ook waarom er geen archeologische bewijzen voor de Islamitische traditie zijn. Dit proces zal later in een afzonderlijk hoofdstuk worden behandeld maar voorlopig zullen we volstaan met een aantal cruciale aanwijzingen.

De vondst van twaalf twaalf inscripties in Bir Hima met het pre-islamitische alfabet dat hoofdzakelijk in Syrië is aangetroffen en de christelijke decoraties indiceren dat de culturele unificatie voornamelijk religieus gedreven was.
Zo is de naam Allah talloze malen aangetroffen in de kronieken over en lijsten van Christelijke martelaren in het zuiden van het Arabische schiereiland. Tegelijkertijd plaatsen Arabische Christenen in Noord-Jordanië, en dan met name rond Umm el-Jimal, inscripties op kerken en tombes met een verwijzing naar Allah als de juiste naam van God. Op graven werd regelmatig de naam 'Abd Allah' gebruikt dat de dienaar of slaag van god betekent. In 523 werd in Najran de Christelijk leider Abd Allah ibn Abu Bakr ibn Muhammad geëxecuteerd terwijl hij een ring droeg met de inscriptie 'Allah is mijn heer'.

Maar er zijn ook allerlei literaire aanwijzingen. Zo heeft de Joodse monotheïstische god van Himyar, Rahmanan, heeft een eigen hoofdstuk in de Koran genaamd ar-Rahman. De beste vriend van de profeet Mohammed komt uit Himyar en heet Abd al-Rahman ibn Awf.

Maar er zijn ook andere aanwijzingen. Zo heeft de Joodse monotheïstische god van Himyar, Rahmanan, heeft een eigen hoofdstuk in de Koran genaamd ar-Rahman. Maar we leggen de focus op de één van de meest prominente gebeurtenissen in de Arabische traditie en dat is breken van de Mar'ib Dam in 570 of 575.

De dam van Mari'b
Ooit, zo rond de zevende eeuw voor Christus, was de stad Mar'ib de hoofdstad van het koninkrijk Saba en het centrum van handel en controleerde het de routes waar eeuwenlang kruiden werden verhandeld tussen het verre en het Midden-Oosten. Recentelijk archeologisch onderzoek toont aan dat al 2000 jaar voor Christus het gebied rond Mar'ib was omgeven door een uitgebreid netwerk van kanalen en dammen. 1 De grote dam van Mar'ib was de kroon op het werk en maakte het mogelijk om de seizoensregens op te vangen en in het droge seizoen het land te irrigeren. Deze dam, met een hoogte van 15 meter en 650 meter breed, kon 10.000 hectare bevloeien en wordt daarom beschouwd als één van de architectonische wonderen van de oude wereld.

De omvang van de dam maakte onderhoud lastig. Door verzilting, bodemverzouting en sedimentatie moest de dam meerdere malen worden verhoogd. Ondanks deze verhogingen brak de dam meerdere malen door, zoals in 449, 450, 542 en 548. Het laatste geregistreerde onderhoud vond plaats in 557.

In 570 en 575 brak de dam voor de laatste maal door en werd de schade niet hersteld. Deze ramp werd een belangrijke gebeurtenis in de Arabische traditie en wordt zelfs vermeld in de Koran, in het hoofdstuk Saba: “En voorzeker, voor Saba is er in hun woonplaatsen een teken: twee tuinen aan de rechterzijde en de linkerzijde (van de vallei). Eet van de voorzieningen van jullie heer en weest Hem dankbaar. Het is een welvarend land en een Vergevingsgezinde Heer. Daarna wendden zij zich af, waarop Wij een vernietigende overstroming over hen brachten. En wij vervingen hun twee tuinen door twee tuinen met bittere vruchten en Tamarisbomen en een klein aantal Lotusbomen.”

Als gevolg van deze ramp vertrekken na 570 vele tienduizenden Sabeanen, de historische aanspreektitel uit Noord-Arabië voor inwoners van Jemen of Himyar) naar elders, vooral naar Syrië en Irak. Sabanen of Sabeeërs worden commandanten in het leger van Mohammed. Dat is natuurlijk een gegeven dat we nu later nader moeten onderzoeken.

Afbeelding
De huidige dam bij Mari'b, Jemen

De Koran erkent de religieuze rol van de Sabanen: “Voorwaar, degenen die geloven, en degenen die het Jodendom belijden en de Christenen en de Sabeeërs; zij allen geloven in Allah en in de Laatste Dag, en zij verrichten goede werken: voor hen is hun beloning bij hun Heer en geen vrees zal er over hen zijn noch zullen zij treuren.”

De Koran herhaalt in hoofdstuk 5 (vers 69) dat Sabeeërs goede gelovigen zijn: “Voorwaar, degenen die geloven en de Joden en de Sabeeërs en de Christenen en wie er in Allah en de Laatste Dag geloven en goede werk verrichten: voor hen zal er geen angst zijn en zij zullen niet treuren. ”

En ook vertelt de Koran in hoofdstuk 22 (vers 17) dat Allah de Sabeeërs zal oordelen op de dag des oordeels: “Voorwaar, degenen die geloven en de Joden en de Sabeeërs en de Christenen en de magiërs en degenen die deelgenoten toekennen: voorwaar, Allah zal tussen heb oordelen op de Dag der Opstanding. Voorwaar, Allah is van alle zaken Getuige.”

Er is dus geen twijfel over mogelijk: de Koran beschouwt 'Sabanen' als goede gelovigen die, zoals we later zullen uitwerken, leven in de traditie van Abraham. Met wat we weten over Saba, dat na het jaar 275 overgaat in Himyar, is dat ook niet verwonderlijk. Saba verandert stapsgewijs in een Joods koninkrijk en later, onder invloed van Byzantijnse zendingsdrang en Ethiopische interventies in een Christelijk koninkrijk dat heerste over grote delen van de Hijaz en de centrale gedeelten van het Arabisch schiereiland. Jahiliyya, het tijdperk van onwetendheid en rechteloosheid (letterlijk: vervreemding van god) in de Hijaz is dus niets meer dan een theologisch verzinsel. Ook vertelt het 'Boek van de Himyarieten' dat de inwoners van Mar'ib Christenen zijn.

In ieder geval vertrekt de meerderheid van de Himyaritische Christelijke landadel naar de Jordaanse stad Al-Karak waar zijn aanvankelijk bekend werden onder de naam Banū Ḥimyar (zonen van Himyar). Later trekken zijn door naar Madaba in centraal Jordanië. Dit is zonder meer een fascinerend gegeven. De Koran, waarvan we nu veronderstellen dat het alleen geschreven kan zijn in het Hellenistische Syro-Palestina, besteed bijzonder veel aandacht aan Sabanen. Het erkent dat Sabanen oprecht in Allah geloven. Deze Christenen vestigen zich in Al-Karak dat in de zesde eeuw in het Aramees Kharkha (כרכא) werd genoemd. En dat betekent zoveel als (ommuurde) stad. Oftwel M'adina, een naam die ook veelvuldig in de Koran en Ahadith voorkomt.

Het gegeven dat volgens de overleveringen de beste vriend van de profeet Mohammed, Abd al-Rahman ibn Awf, uit Himyar komt en samen met de profeet in M'adina woont wordt nu wel zeer interessant. Maar we hebben geen enkele zekerheid tot we de geboorteplaats van Mohammed hebben bepaald.

Conclusie
In navolging van Hoofdstuk 1 waarin we argumenteren dat epigrafische, literaire en linguïstische bewijzen indiceren dat de Koran en in een later stadium de Islam producten zijn van Arabieren die in Syro-Palestina leefden toont onderzoek naar Jemen in de zesde eeuw aan dat ook Himyar onder sterke invloed stond van deze Arabieren. Dit indiceert culturele unificatie wat later mogelijk mede kan verklaren waarom er geen archeologisch bewijs is voor de voor delen van de Islamitische traditie zoals deze nu geïnterpreteerd worden.

Onderzoek naar de geopolitieke machtsstructuur in de Hijaz wijst uit dat tot ongeveer het veronderstelde geboortejaar van Mohammed (570) de Hijaz overheerst wordt door het dan christelijke Himyar en dan tot de lijn Yathrib – Kinda – Riad. Hiermee wordt duidelijk dat het Islamitische dogma jahilliya (het tijdperk van onwetendheid, rechteloosheid, analfabetisme en barbaarse heidenen in de Hijaz) niet houdbaar is tenzij we later, met alle aanwijzingen die we zullen bespreken, kunnen aantonen dat de profeet Mohammed elders werd geboren.

We beschreven hoe de Joodse inwoners van Himyar in nauwe samenwerking met de Perzische Sassaniden rond 570 de Christelijke bezetters uit Ethiopië, gesteund door Byzantium, verslaan. Als gevolg van deze ontwikkelingen en de ramp van Mari'b in 570 of 575 vertrekken tienduizenden Jemenitische Christenen naar het Jordaanse Kharkka. Deze christenen neigen naar de Monofysistische variant en wijzen de doctrine van de Byzantijnse drie-eenheid merendeels af. In de wetenschap hoe succesvol samenwerking met de Perzen kan zijn is het mogelijk geen toeval dat zij zich vestigen in Kharkka. Vanuit deze stad, hooggelegen aan de oostelijke oever van de Jordaan, kun je op een heldere dag de stad Jeruzalem zien liggen. Jeruzalem, de stad die in 614 door een samenwerkingsverband van gnostici, Joden en Perzen wordt veroverd op de Byzantijnen.

Dit hoofdstuk is in ontwikkeling.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Vr Apr 21, 2017 5:34 pm, 33 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Di Nov 22, 2016 7:39 pm

Hoofdstuk 3: Koranische Geografie: Waar ligt koranisch Mekka?

I Introductie

Achtergrond
De afwezigheid van bewijs is voor veel kritische onderzoekers reden geweest om de traditionele overlevering aan te vallen. Archeologen zoals Jeremy Johns stellen dat er weinig kans is dat de archeologie nieuwe bewijzen voor de eerste zeventig jaar van de Islamitische traditie zal ontdekken of toevoegen. Hiervoor zijn een aantal voor de hand liggende redenen. Zo staat Saoedi-Arabië bijvoorbeeld geen onderzoek toe in de steden Mekka en Medina en heerst er feitelijk een groot taboe op onderzoeken die worden verricht op heilige plaatsen.

Maar de vraag is of er wel op de juiste plaatsen is gezocht. In 1991 plaatsen Judith Koren en Yehuda Nevo grote vraagtekens bij de standaard werkwijze van historici die het ontstaan van de Islam bestudeerden. Het werk van Koren en Nevo wordt sterk beïnvloed door het werk van revisionistische historici zoals Patricia Crone, Michael Cook, Gerald Hawting, Moshe Sharon en de al eerder genoemde John Wansbrough. Geen enkele literaire bron uit de eerste tweehonderd jaar van de Islamitische tijdslijn kan worden gebruikt als bewijs voor wat de traditie beschrijft. Koren en Nevo betogen dat daarom alleen archeologisch materiaal relevant is voor de reconstructie van de vroege Islam.

Stephen Humphreys heeft het problematische karakter van de Islamitische bronnen nauwkeurig en bondig omschreven:
“If our goal is to comprehend the way in which Muslims of the late 2nd/8th and 3rd/9th centuries understood the origins of their society, then we are very well off indeed. But if our aim is to find out what really happened, to develop reliably documented answers to modern questions about the earliest decades of Islamic societies—then we are in trouble. The Arabic narrative sources represent a rather late crystallisation of a fluid oral tradition. These sources can become an adequate foundation for 'scientific' history only when we have learned a great deal more than we presently know about this oral tradition: its origins, the social and cultural institutions by which it was shaped and transmitted, the variations and transformations it underwent in the course of transmission, the circumstances in which it was first committed to writing, the degree of alteration suffered by early written versions before they at last achieved their definitive form in the mid-3rd/9th century, etc. Questions of this kind have been discussed over and over by modern scholars, but so far their conclusions remain more in the realm of speculation than of demonstration. The evidence is such, in fact, that reasonable certainty may be beyond our grasp. . . . The first seventy years of Islamic history command our attention, therefore, not only because of the enormous interest of this period, but also because of the extraordinary methodological problems posed by our principal sources for it.”


Qur'ānic Geography
In 2011 publiceert de Canadese historicus Dan Gibson het boek Qur'ānic Geography, dat alle geografische referenties uit de Koran onderzoekt en waar nodig oplossingen suggereert. Voortbouwend op zijn studies van het Arabisch schiereiland en de Nabateeërs trekt Gibson tegelijkertijd zeer controversiële en pragmatische conclusies over de werkelijke locatie van de in Koran genoemde locatie Mekka. Nadat Gibson talloze contradicties had ontdekt in de werken van traditionele Oriëntalisten ontwikkelde hij een eigen onderzoeksmethodiek. Door de teksten van de Bijbel en de Koran zo letterlijk mogelijk te nemen probeert hij te verklaren waarom (delen van) traditionele teksten uit de Islamitische traditie niet overeenkomen met bijvoorbeeld met eigentijdse manuscripten of archeologische vondsten uit de zesde en zevende eeuw. Simpel gezegd: voor de eerste honderd jaar van de Islamitische traditie ontbreekt elk bewijs. Dat roept natuurlijk veel vragen op.

De belangrijke conclusies die Dan Gibson in zijn boek Qur'ānic Geography trekt zijn dat
    (a) De geografische referenties in de Koran zijn te herleiden op Noordwest Arabië en Transjordanië.
    (b) Tot 724 wijzen de meeste Arabische heiligdommen (qibla) in de richting van Petra en niet naar Jeruzalem of Mekka. Pas na 822 wijzen alle moskeeën naar Mekka.
    (c) Mekka voldoet niet aan de omschrijvingen van deze stad in de Koran, hadith en de Islamitische traditie. Er zijn geen archeologische vondsten gedaan in Mekka van voor de tiende eeuw en Archaeobotanisch onderzoek toont aan dat de planten die de Koran noemt nooit in Mekka of omgeving groeiden. Petra voldoet volgens Gibson wel aan de beschikbare omschrijvingen.
    (d) Afstanden die in de Koran worden genoemd zijn logisch indien Petra de geboorteplaats van de profeet Mohammed is.

Dit boek werd met grote tegenzin ontvangen door Islamologen en historici. Enerzijds komt dit door methodische fouten en anderzijds door gebrek aan research dat kan worden herleid tot een gebrek aan ervaring. Maar evidenter is de gevoeligheid van dit onderwerp. Zo schrijft Professor Michael Lecker in een review van Gibson's Qur'ānic Geography dat (Journal of Semitic Studies, 2014):
“This book’s imaginative writing may have its followers, perhaps even in academic circles. But the study of early Islamic history is better served by small steps, one at a time.”


Of het onderzoek naar de oorsprong van de Islam in kleine stapjes dient te worden genomen is meer een uiting van een beperkt intellect dan dat van een nieuwsgierige onderzoeker die doelgericht te werk gaat. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat eigentijdse bronnen veel meer vertellen dan historische beschouwingen die eeuwen later worden beschouwd. Daarom zal dit onderzoek bewijs voor de stellingen van Gibson uit andere bronnen halen en presenteren in volgende hoofdstukken.

II Geografische referenties naar Mekka
Mekka (of Makkah) wordt slechts éénmaal genoemd in de Koran (soera 48). Tegelijkertijd refereert de Koran talloze malen aan de Kaba als 'Het Huis' of de 'Heilige Plek'. Helaas vertelt de Koran ons niet dat de Kaba, zoals de islamitische theologie dat wel doet, in Mekka zetelt. Dat doen Islamitische historici die eeuwen later de Koran interpreteren en dat is helemaal niet logisch. Steden met Kaba's komen in de zesde eeuw echter alleen voor in het Nabateense cultuurgebied .

De Nabateeërs
Oorspronkelijk zijn de Nabateeërs een nomadisch volk afkomstig uit het Arabisch schiereiland. Tussen de zesde eeuw en derde eeuw voor Christus vestigen ze zich in de Sinaï, Palestina, Jordanië en Syrië. Door de beheersing van de handel worden ze schatrijk en is de befaamde stad Petra eeuwenlang het culturele, politieke en financiële centrum van de Arabische wereld. In de eerste eeuw na Christus wordt Petra een Romeinse vazalstaat en uiteindelijk opgenomen in het Rijk als de provincie Arabia Petraea. In de derde eeuw ruilen de Nabateeërs het Aramese schrift in voor het Grieks en bekeren zich grotendeels tot het Christendom dat in de vijfde en zesde eeuw in alle denkbare kleuren voorkomt. In de zesde eeuw worden de afstammelingen van de Nabateeërs overheerst door nieuwe door nieuwe migranten uit Jemen en Himyar zoals de Ghassaniden. De Ghassanidische stammenfederatie fungeert als bufferstaat voor het Byzantijnse Rijk en levert troepen voor de strijd tegen Perzië.

Nabateense steden fungeren veelal als regionaal religieus centrum waar doden begraven werden in grotten en crypten en stammen een paar keer per jaar samenkomen voor de jaarmarkt en religieuze festivals. Voorbeelden van zulke steden zijn het Jordaanse Petra en Mada 'in Saleh in het noordwesten van Saoedi-Arabië. Deze steden zijn prachtige voorbeelden van hoe de nomadische Nabateeërs, snel rijk geworden door de beheersing van handelsroutes, steden bouwen die geïnspireerd zijn op uitheemse culturen. Tegelijkertijd nemen zij gebruiken over van omringende volkeren (zoals de Israëlieten en Edomieten) terwijl oeroude tradities in stand worden gehouden. Deze tradities worden beschreven in de Nabateense Corpus en zullen later uitvoerig besproken worden.

Mekka ligt buiten het Nabateense cultuurgebied en alle handelsroutes en dus is er niemand die in deze tijd refereert naar deze plaats. Als referenties of bewijzen ontbreken is het niet meer dan logisch om de volgende vraag te stellen: is Mekka (of Makkah) zoals genoemd in vers 48:24 eigenlijk wel een plaatsbepaling? Aangezien we weten dat het klassiek Arabisch een Semitische taal is en stapsgewijs is ontstaan uit het Nabateense schrift kunnen we een eenvoudige etymologische analyse toepassen. De Semitische stam m-k-k betekent in de westelijke variant van het Aramees zoveel als zichzelf verlagen, zichzelf vernederen of buigen voor. Het mannelijk adjectief makkah wordt dan nederig of buigend. Zo krijgt vers 48:24 een nieuwe en duidelijke betekenis en kunnen we deze traditie meteen terzijde schuiven.

We moeten dus onderzoeken of Petra de geboorteplaats van Mohammed is. Laten we dus nu eerst kijken welke geografische referenties auteur Dan Gibson in zijn boek Qur'ānic Geography onderzoekt.

Referenties
De Koran en de ahadith geven verschillende omschrijvingen van de geboorteplaats van de profeet Mohammed. Hadith 3:891 Boekhari stelt dat Mekka in een vallei ligt. Hadith 4:583 Boekhari vertelt dat Abraham (de stichter van de stad) Hagar verbande naar een vallei naast de Ka'ba. Dut suggereert dat de Ka'ba een zustervallei heeft. Ibn Ishaq, een Arabische historicus uit de achtste eeuw, schrijft dat omstanders vanaf de omliggende bergen konden zien hoe Jemenitische olifanten de Ka'ba aanvielen. Al Tabari vertelt (Volume VI, 1079, pagina 6) hoe Abdallah (de vader van Mohammed) zich moest verschonen nadat hij de hele dag op zijn akker had gewerkt.

Bakka
In soera 48:24 wordt de woonplaats van Mohammed aangeduid met Bakka. Traditioneel maken Islamitische wetenschappers de link tussen Bakka en de Kaba en haar directe omgeving in Mekka en fungeert Bakkah voornamelijk als oude naam voor Mekka. 1 2 Tegelijkertijd is Bakka is een oud Semitisch woord dat al herhaaldelijk in de Bijbel wordt genoemd en verschillende mogelijke betekenissen heeft. Het probleem hierbij is dat de herkomst van het woord, net als dat van Mekka etymologisch gezien enigszins mistig of zelfs obscuur is.

Maar aangezien er geen bewijs is dat Mekka voor de negende eeuw als stad bestond onderzoeken we verschillende etymologische opties. Semitische talen gebruiken concatenatieve morfologie waarbij karaktersets (de wortel) zelf geen woord of lettergrepen zijn maar geïsoleerde karaktersets zijn en doorgaans uit drie karakters bestaan, de zogenaamde trilaterale morfologische wortel. Bij Semitische talen worden woorden samengesteld door klinkers tussen de medeklinkers te plaatsen. Bijvoorbeeld de Semitische wortel mlk kan gebruikt worden om equivalente woorden te maken in verschillende Semitische talen zoals Aramees, Arabisch en Hebreeuws. Koning (van stam mlk) wordt dan in het Hebreeuws mĕlĕḵ, in het Arabisch malik en in het Aramees malkā. Met deze kennis kan het woord Bakka herleiden tot de Semitische wortel b-k-k om vervolgens per Semitische taal te onderzoeken of voor deze wortel en afleidingen betekenissen zijn die overeenkomen met de context van dit hoofdstuk.

Dan Gibson kiest voor de Arabische root b-k-k om bakkah te herleiden naar huilen of treuren. In en rond Palestina worden meerdere plaatsen aangeduid met Bakka, om aan te geven dat hier ooit een grote tragedie plaatsvond. Door de geboorteplaats van Mohammed te associëren met Bakka indiceert de Koran mogelijk dat hier grote catastrofes hebben plaatsgevonden. Uit studies van de Universiteit van Arkansas (2012) blijkt dat Petra in de vierde en vijfde eeuw getroffen werd door catastrofale overstromingen die delen van de stad wegspoelen. De stad ligt dat ook in een nauwe vallei omgeven door een doolhof van smalle bergkloven. Ook werd Petra regelmatig getroffen door aardbevingen zoals in 363 en 551.

Wanneer we naar de Bijbelse versies kijken waarin het woord bakkah of bakah voorkomt kunnen we het woord associëren met boom. In de Hebreeuwse versie van het Oude Testament wordt de 'Vallei van Baca' aangeduid met 'emeq ha-Baka' dat 'vallei van de boom' of 'vallei der bomen' betekent. Bakka of Baca wordt ook wel vertaald naar balsemboom, een boom waarvan de hars welriekende harsachtige stoffen oplevert. Interessant is dat de Balsamodendron Opobalsamum ook wel wordt aangeduid als de Balsemboom of Mekka boom.

Als Petra het oorspronkelijke Mekka is dan kan aannemelijk worden gemaakt hoe de Balsemboom Palestina bereikte. In het tijdperk der Nabateeërs is Petra waarschijnlijk de eerste stad met een plantage van Balsembomen voordat deze boom in de vallei van Jericho verschijnt. 1 Dit lijkt overeen te komen met een recentelijke ontdekking van een tweeduizend jaar oude botanische tuin in Petra met uitgebreide irrigatiesystemen en zelfs een zwembad.
Los van dit alles stond Petra al in de oudheid bekend voor de productie en export van hoogwaardige balsemproducten.

Palestina exporteerde relatief weinig in de Klassieke Oudheid (voornamelijke graan en olijfolie) en het enige exportproduct van waarde was balsem. Palestina was tevens de enige plaats in het Byzantijnse rijk waar deze boom groeide en dan met name in de oases van Jerico, En-Gedi en op de vlakte van Moab aan de oostelijke kant van de Jordaan.Hoe waardevol Balsem kon zijn blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat in de dagen van Alexander de Grote de prijs van Balsem dat van zilver ver oversteeg. Het is daarom niet verwonderlijk dat Balsem, het meest lucratieve exportproduct van de Arabische wereld sinds de antieke tijd wordt geassocieerd met Mohammed en zijn geboorteplaats.

Safa en Marwa
Uit de biografie van Mohammed blijkt dat de profeet zijn revelaties ontving in een grot onderaan de berg Hira. Hoewel Ibn Isḥāq, de auteur, Hira lokaliseert op het hooggelegen gedeelte van de stad is het probleem dat het huidige Mekka op een vlakte is gebouwd zonder hoge of lage delen. Een ander probleem is dat Mekka niet omgeven wordt door bergen maar door langzaam oplopende heuvels.

Twee van deze bergen zijn belangrijk in de islamitische traditie: Safa en Marwa. De overlevering vertelt dat Mohammed een tawaf (ritueel, letterlijk betekenis is omcirkelen) verrichtte door tussen deze bergen heen en weer te rennen langs een watergeul. De oorsprong van de tawaf is te herleiden naar Hagar, de vrouw van Abraham, die tussen beide bergen naar water zocht voor haar kind (Hadith Boekhari 4:583,584 en Fiqh as Soennah 5:85). Deze tawaf vereist dat de pelgrim 7 keer tussen beide bergen liep. Uit Fiwh-as-Sannah (5:90) blijkt dat dit ritueel zo zwaar was dat sommigen, zoals de vrouw van Urwah bin al-Zubair, er drie dagen over deden. Tegenwoordig maken Safa en Marwa onderdeel uit van het complex van de heilige moskee in Mekka en bedraagt de onderlinge afstand ongeveer 150 meter en zijn ze minder dan 20 meter hoog. Wat je noemt een bijzonder geval van erosie.

Hoge en lage zijde en bergpassen
De ahadith vertelt hoe Mohammed van en naar zijn geboorteplaats reist. “Wanneer de profeet naar Mekka reisde kwam hij de stad binnen via de hoge zijde en verliet hij haar via de lage zijde”, zo vertelt Al-Boekhari in hadith 2:647. In hadith 2:815 vertelt Boekhari hoe Aïsha Mohammed ontmoette terwijl hij op weg was naar de hoogten rond de stad. Het huidige Mekka heeft geen hogere of lagere gedeelten rond de stad. In ieder geval zijn er nog vele andere vermeldingen van hoogteverschillen in de ahadith (Al-Boekhari 5:586, 4:227, 4:231 en tussen 2:645 en 2:657). Boekhari vertelt ons dat Mohammed Mekka binnenkwam via de hoge thaniya en vertrok via de lage thaniya (Al-Boekhari 2:645). Een thaniya is een bergpas, kloof of een lager gelegen deel van een bergrug. Ook in andere hadiths wordt verteld hoe Mohammed de stad betreed via een bergkloof aan de hoge zijde of lage zijde van de stad (3:891, 2:820). De geboorteplaats van Mohammed heeft dus een hoog- en laaggelegen plateau met beide een bergpas die toegang geeft tot de stad.

Afbeelding
De oostelijke thaniya die toegang biedt tot het hoog gelegen gedeelte van Petra. "Wanneer de profeet naar Mekka reisde kwam hij de stad binnen via de hoge zijde en verliet hij haar via de lage zijde”, zo vertelt Al-Boekhari in hadith 2:647. Links op de foto is de watergeul te zien die van het westen naar het oosten loopt waar Mohammed volgens de overleveringen liep tijdens zijn rituelen.

Stadsmuren en irrigatiewerken
Ibn Isḥāq vertelt in de biografie van Mohammed dat zijn geboortestad stadsmuren heeft. Al-Boekhari vertelt in hadith 2:685 dat wanneer Mohammed zijn rituelen verricht, zoals voorgeschreven door de gemeenschap van de Kaba, hij zevenmaal de afstand tussen Safa en Marwa aflegt al lopend in het midden van een irrigatiekanaal tussen beide bergen. Dit indiceert dat de geboortestad van Mohammed een Nabateense stad is. Nabateense steden beschikten over geavanceerde technieken voor irrigatie en waterbeheer.

Vruchtbaar agrarisch achterland
De ahadith en de Koran suggereren dat de omgeving van Mohammed's stad vruchtbaar is. Vijanden van de profeet Mohammed (Koran vers 4:119) zijn vooral boeren en veehouders van buiten de stad. Al-Ṭabarī vertelt in volume 6 dat de stad is omringd door gecultiveerd land, onderverdeeld in verschillende districten (Ṣaḥīḥ al-Tirmidhi Ḥadīth 153). De vruchtbaarheid van de regio rondom wordt ook nog eens bevestigd in Mohammed's biografie van Ibn Ishaq: “Toen zij in Mekka arriveerden zagen zij dat de stad gezegend was met water en bomen en vestigden zij zich aldaar.”

Profielschets
Resumerend, de Koran en de overleveringen bieden voldoende aanknopingspunten om een profielschets voor Mohammed's geboortestad op te stellen. De stad heeft een Kaba, ligt in een vallei met daaraan parallel een zustervallei, beschikt over geavanceerde technieken voor waterbeheer, heeft twee bergen (Safa en Marwah) waartussen een watergeul loopt, heeft twee bergpassen die respectievelijk toegang geven tot de hoge zijde en lage zijde van de stad en een vruchtbaar achterland heeft dat is onderverdeeld in verschillende districten. Verder weten we dat de stad welvarend is, stadsmuren heeft, grote legers en karavanen op de been kan brengen en op het kruispunt van belangrijke handelsroutes ligt.

Dan Gibson argumenteert in zijn boek Qur'ānic Geography uit dat alleen Petra aan deze profielschets kan voldoen. De andere kandidaat, Mekka, ligt op een vlakte omringd door lage heuvels zonder waterlopen, heeft geen zustervallei, geen irrigatiewerken, geen bergpassen en al helemaal (gelegen in een dorre woestijn) geen agrarisch achterland. Het moge duidelijk zijn dat Mekka niet beantwoordt aan deze schets. Pas in 741 verschijnt de eerste literaire vermelding van Mekka in de Continuatio Byzantia Arabica nota bene gelegen in Irak. Daarna duurt het nog decennia voordat de naam Mekka in Arabische publicaties voorkomt, hoewel de naam zo nu en dan opduikt in vroeg Islamitische correspondentie. De stad zelf wordt pas rond het jaar 900 voor het eerst aangegeven op kaarten.

Matching Petra met de geboorteplaats van de profeet
Voor dit onderzoek hebben we tientallen Nabateense steden vergeleken met de profielschets en dan is slechts één conclusie mogelijk. Als we de naar geografische referenties kijken uit de Koran en de ahadith kijken dan kan alleen de beroemde stad Petra de geboortestad van Mohammed zijn.

Petra is gelegen in een vallei waar twee smalle bergkloven toegang bieden tot de stad. Vanuit de westelijke thaniya (kloof) loopt een irrigatiekanaal, door het centrum van de stad naar de oostelijke kloof. De hoofdstraat (Colonnade) verdeelt de stad in een hoger en lager gedeelte. De westelijke thaniya (onderdeel van een doolhof van bergpassen die leiden naar Wadi Araba) komt uit in het lage gedeelte en de oostelijke kloof komt uit in hoge gedeelte van de stad. Petra werd beschermd door noordelijke en zuidelijke stadsmuren, heeft in de zesde eeuw een uitgebreid agrarisch achterland en heeft hoge toppen ten westen en oosten van de stad. De stad ligt aan een belangrijke handelsroute (de Koningsweg), is welvarend en belangrijk. Het heeft in de zesde eeuw een bisschopszetel voor het noordelijke Byzantijnse deel van de stad en was de hoofdstad van de provincie Arabia Petraea.

III Eerste toetsing: Al-Baydā

Volgens de overlevering marcheert in het zevende jaar van de islamitische jaartelling een Arabisch leger vanuit Medina naar het noorden om te strijden tegen Khaybar, een stad die volgens de traditie 150 kilometer ten noorden van Medina ligt. Nadat Khaybar is verslagen besluit de leider van de expeditie Ḥajjāj naar de Heilige Stad af te reizen omdat zijn vrouw, zoon en bezit in gevaar zouden zijn. Al Tabari beschrijft zijn aankomst:
“Ik vertrok en arriveerde in de Heilige Stad. Nabij het bergpad van al-Bayḍā ontmoette ik enkele leden van de Qoeraysh die benieuwd waren naar wat er gebeurd was met de boodschapper van God. Zij hadden gehoord dat hij naar Khaybar was afgereisd en dat dit de belangrijkste stad in de Hijaz was qua vruchtbaarheid, verdediging en manschappen en dus waren zij bezorgd.”


Dit is opmerkelijk. Beidha of al-Bayḍā is een belangrijke archeologische site op slechts enkele kilometers afstand van Petra en staat op de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Deze plaats wordt meerdere malen genoemd in de overleveringen zoals in de hadith van Anas ibn Malik, één van de gezellen van de profeet, die vertelt:
“De profeet verrichtte zijn middaggebed en reed vervolgens weg op zijn paard. Nadat hij de heuvel van al-Bayḍā had verlaten kwam verhief hij zijn stem in Talbiyah.”


Al-Baydā wordt ook wel 'Klein Petra genoemd' en ligt verborgen in een kloof ten noorden van Petra. Net als het nabijgelegen Petra is deze plaats slechts toegankelijk na het passeren van een nauwe kloof (siq) in de bergwand. Het is een van de meest heimelijke en afgelegen plaatsen rond Petra en bevat tal van historische en archeologische monumenten. Al-Baydā speelde overduidelijk een religieuze rol in het leven van de Nabateeërs. Er zijn verschillende nissen in de rotsen en staande stenen die dienden voor het aanbidden van de oude goden. Na het uitvoeren van religieuze rituelen genoten bezoekers of pelgrims van een maaltijd in één van de vele majlis, in de rots uitgehakte kamers. Verder zijn er meerdere trappen die leiden naar hoge plaatsen, majestueuze tombes en vernuftige irrigatiewerken en waterbakken.

Al-Baydā wordt meerdere malen in verschillende hadiths van zowel Al-Boekhari als Sahih Muslim.

Al-Boekhari, 7:330
Aisha: (the wife of the Prophet): “We set out with Allahs Apostle on one of his journeys till we reached Al-baida.”


Al-Boekhari, 23:375
Aisha: (the wife of the Prophet): “We set out with Allahs Apostle on one of his journeys till we reached Al-baida.”


Al-Boekhari, 26:623
Narrated Anas bin Malik: “Allah's Apostle offered four Rakat of Zuhr prayer at Medina and we were in his company, and two Rakat of the Asr prayer at Dhul-Hulaifa and then passed the night there till it was dawn; then he rode, and when he reached Al-baida', he praised and glorified Allah and said Takbir. Then he and the people along with him recited Talbiya with the intention of performing Hajj(!) and Umra(!). ”


Al-Boekhari, 34:329
Narrated Aisha: “Allah's Apostle said, "An army will invade the Ka'ba and when the invaders reach Al-baida, all the ground will sink and swallow the whole army." ”


Al-Boekhari, 60:132
Narrated Aisha: “A necklace of mine was lost at Al-baida' and we were on our way to Medina.”


Sahih Muslim, 4:2023
“.....for the Messenger of Allah (may peace be upon him) had said:" The dead is punished because of the lamenting of his family for him"? Ibn Abbas then said that Umar used to say someting of that nature, and then narrated saying: I proceeded from Mecca along with 'Umar till we reached al-baida' and there was a party of riders under the shade of a tree..... “


Sahih Muslim, 7:2841
“I would do as Allah's Messenger (may peace be upon him) did. I call you as witness that I have undertaken to perform 'Umra. He then set out until, when he reached the rear side of al-baida', he said: There is one command both for Hajj and Umra. so bear witness.”


Jabir bin 'Abdullah
“When I came to Mecca, I found in the pass of al-Bayda some men of Quraysh trying to get news and asking how the apostle fared because they had heard that he had gone to Khaybar. ”


Bijzonder intrigerend is dat Al-Baydā in de ahadith veelvuldig in verband wordt gebracht met de Haji (jaarlijkse pelgrimstocht naar de heilige plaats) en vaak de laatste halte is voordat men in de heilige plaats arriveert of, zoals bij Aïsha, bij vertrek de eerste plaats is die wordt aangedaan. De traditie beschrijft hoe Mohammed of leden van zijn gevolg regelmatig al-Bayḍā bezochten en daar leden van de Qoeraysh tegenkomen.

Dit levert in ieder geval een aanknopingspunt op voor de zoektocht naar het historische Medina – het ligt ten noorden van de heilige stad – en dus zullen we, indien Petra de geboortestad van Mohammed is, waarschijnlijk ergens moeten zoeken in Centraal-Jordanië.

IV Tweede toetsing: Bakkah

Indien Petra de stad is die we zoeken kunnen we het woord Bakka nu in een ander licht beschouwen. Met behulp van de etymologie en de locatie kunnen het morfeem bkk nu toetsen aan het Semitische morfeem bkk dat klieven of openen betekent. Het zelfstandig naamwoord wordt dan opening of kloof. Koran vers 3:96 vertaalt dan ineens een heel ander verhaal, namelijk dat het 'Huis van God' nabij/voorbij/bij 'de Kloof' werd gebouwd.
De beroemde ingang tot de stad, de as-Sīq, is een nauwe opening in de bergwand en rijst honderden meters rechtop. Deze thaniya (kloof) is versierd met meer dan zestig godsstenen (baetyli) aan weerszijden van het pad die refereren aan het Huis van God. De handelskaravaan of pelgrim die in de zesde eeuw Petra bezocht werd dus ruim van tevoren gewezen op de aanwezigheid van het 'Huis van God'.

Het 'Huis van God' kan hier mogelijk op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Petra is omgeven met zogenaamde staande heilige stenen die ook baityls worden genoemd. Een baityl is een samenvoeging van de Semitische woorden Bet (huis) en El (god). De traditie van staande stenen die worden aanbeden als het 'Huis van God' was in de zesde eeuw na Christus reeds zeer oud en kan geculmineerd hebben in een religieus model waar het 'Huis van God' een tempel is waar slechts een enkele heilige staande steen wordt aanbeden.

De Nabateense religie was, net als voorgaande of oudere religies, gecentreerd rond staande stenen. De naam Petra is dan ook de Griekse naam voor steen of rots. Van Jehova, de god van de Israëlieten, wordt in het Oude Testament gezegd dat hij op een onversierde rots met de naam Bet-El (Huis van God) woonde. Religieuze uitingen als 'De heer is mijn rots' impliceren dat de Nabateense religie voortborduurde op het 'Huis van God' concept en dus kan dan verklaard worden waarom zij hun goden afbeelden met heilige stenen, de zogenaamde 'godstenen'.

Het is dan begrijpelijk waarom Koran vers 3:97 stelt dat de bedevaart naar Bakkah een absolute aanrader is voor iedere gelovige. Maar het is te vroeg voor conclusies: eerst moet de rol van Petra als bedevaartsplaats nader worden onderzocht.

IV Conclusie
Naast de epigrafische, literaire en linguïstische bewijzen die indiceren dat de Koran en in een later stadium de Islam producten zijn van Arabieren die in Syro-Palestina leefden toont een analyse van geografische referenties uit de ahadith aan dat Petra de voornaamste kandidaat is om als geboortestad van Mohammed geduid te worden. De stad voldoet niet alleen aan alle fysieke kenmerken, in haar nabijheid ligt tevens de plaats Al-Baydā die in de ahadith veelvuldig wordt genoemd. Al-Baydā is de plaats die de Mohammed, zijn vrouw of gezellen en de latere kalief Umar aandoen voor zij de heilige stad bezoeken.

Maar we hebben nu ook voor het eerst een link tussen de Koran en de stad Petra. De ahadith zegt dat Mohammed en zijn gezellen nadat al-Bayḍā is bezocht overgaan tot de kleine (umra) en grote (haij) pelgrimstocht. Nadat Mohammed de kleine pelgrimstocht heeft voltooid bezoekt hij al-Bayḍā om god te danken.

Het matchen van de geboortestad van Mohammed met Petra roept dus een groot aantal vragen op. Die zullen wij behandelen in de komende hoofdstukken.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Do Jul 13, 2017 9:02 pm, 29 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Nov 25, 2016 7:14 pm

Hoofdstuk 4: Koranische Geografie: Interdisciplinaire bewijzen voor de rol van Petra

I Introductie

Achtergrond
In het voorgaande hoofdstuk hebben wij de bevindingen van het boek Qur'ānic Geography van de Canadese historicus Dan Gibson nader beschouwt en geconcludeerd dat de befaamde woestijnstad Petra niet alleen voldoet aan alle beschikbare fysieke kenmerken maar dat in haar nabijheid de plaats Al-Baydā ligt die in de ahadith veelvuldig wordt genoemd. Al-Baydā is de plaats die de Mohammed, zijn vrouw of gezellen en de latere kalief Umar aandoen voor zij de heilige stad bezoeken. De traditie beschrijft hoe Mohammed of leden van zijn gevolg regelmatig al-Bayḍā bezochten en daar leden van de Qoeraysh tegenkomen.

Dat laatste is een bijzonder interessant gegeven. De Islamitische traditie beschrijft de geboorteplaats als een rijke handelsstad en de stam waarin Mohammed geboren is omvat handelaren die onder meer naar de Sinaï en Syrië reizen. Het is niet meer dan redelijk om nu eerst te toetsen of Petra deze handelsstad kan zijn en haar achterland of omgeving wordt bewoond door leden van de Qoeraysh.

Methodiek
In een studie uit 2007 onderzoekt Patricia Crone, destijds verbonden aan de School of Oriental and African Studies van Princeton University, in welke mate de Mekkaanse handel de politieke aspecten van de opkomst van de Islam kan hebben beïnvloed.

Volgens Crone maakt de Islamitische traditie duidelijk dat de Qoeraysh de kost verdienden als handelaren en hun goederen wijd en zijd verkochten. Bovenal bezoeken zij het zuiden van Syrië waar pastorale producten als wol, leer, boter en mogelijk ook levend vee verkopen. Dat de Qoeraysh agrarische producten verbouwden en in Syrië verkochten is één van de weinige zaken waar de heren schriftgeleerden geen ruzie overmaken.

De vraag die wij in dit hoofdstuk zullen onderzoeken is of de opkomst van de Islam iets te maken kan hebben met een Arabische gemeenschap die gedomineerd wordt door handelaren die met Zuid-Syrië handelen en Petra mogelijk als speerpunt in hun netwerk hebben opgenomen. Vervolgens moet onderzocht worden of het achterland van Petra deze producten kon leveren. Dat doen wij in de veronderstelling dat dit nieuwe bewijzen voor de veronderstelling uit Qur'ānic Geography dat Petra de geboortestad van Mohammed is.

Nabateense handel:Inleiding
De inwoners van Petra en omstreken waren in de zesde eeuw afstammelingen van de Nabateeërs en Arabische volkeren die later naar de Levant migreerden zoals de Ghassaniden. Historicus Plinius de Oudere schrijft in de eerste eeuw dat de 'Arabieren' 'het rijkste ras op de wereld waren'. (2) Deze rijkdom werd verkregen door het monopolie over de gebieden waar handelswaren als wierook en mirre werden verbouwd. Plinius schrijft dat deze waren tegen hoge vergoedingen werden geëxporteerd naar de Romeinse en Perzische Rijken maar tegelijkertijd weinig tot niets werd geïmporteerd. De waarneming van Plinius de Oudere is gebaseerd op de uitbundige weelde en rijkdom van de befaamde woestijnstad Petra.

De Griekse geograaf en kaartenmaker Claudius Ptolemaeus deelde de Arabische wereld daarom in drie delen: Arabia Deserta, Arabia Petraea en Arabia Felix. Het 'gezegende' Arabië (Arabia Felix) was het deel dat schatrijk was geworden met de energieke handel in mirre en wierook. (3) De Griekse historicus Strabo schreef in de eerste voor Christus dat 'het deel van Arabië dat deze kruiden produceert is klein en het is dit gebied dat gezegend wordt genoemd – omdat zulke handelswaar zeldzaam is in ons deel van de wereld en erg kostbaar is.' (4) Het gezegende Arabië had vooral betrekking op het koninkrijk Saba, zo schrijft Theophrastus al drie eeuwen eerder. Nadat de Romeinen Egypte veroveren wordt het bereik van de handel in mirre en wierook uitgebreid naar Europa. (5)

Rond de derde eeuw van Christus ontstond een nieuwe handelsroute over land dat de stad Gerrha (in het huidige Bahrein) met Petra verbond. Arabische stammen controleerden deze route en werd gebruikt om goederen uit India te vervoeren naar Egypte en Damascus. De Arabische Chaldeeërs vestigden zich na de zesde eeuw aan de oostelijke kusten van het Arabisch schiereiland en werden aanvankelijk de handelaren van de woestijn. (6) (7)

Bijzonder interessant is het feit dat de stad Petra al drie eeuwen voor Christus een belangrijk overslagpunt is voor de handel in luxere goederen en dan met name uit India. Voordat de Romeinen via Egypte deze handel (tijdelijk) verstoorden werden producten uit India eerst verscheept naar Aden en vervolgens met karavanen naar Petra vervoerd. (8) Vanuit Petra werden deze producten, gezamenlijk met mirre, wierook en parfums uit Saba (Jemen) verder getransporteerd naar Syrië, Gaza of Egypte (9).

Maar dat is niet alles. Op de handel in luxe goederen als mirre en wierook geen monopolie. Strabo schrijft dat gedurende de Hellenistische periode Arabische stammen voortdurend en stapsgewijs deze handelsgoederen doorgaven aan de volgende stam totdat deze Syrië en Mesopotamië bereiken.(10) Arabische stammen begrepen dus al vroeg dat samenwerking lucratief kon zijn.

Gedurende de eerste eeuw neemt de Romeinse invloed op deze lucratieve handel toe. De ontdekking dat met behulp van moessonwinden zeilboten India makkelijker kunnen bereiken maakt het mogelijk dat jaarlijks honderd Romeinse schepen Indiase havens bereiken, bijna zes keer zoveel als gedurende de Hellenistische periode.(11) Keizer Augustus bouwt versterkte havens aan de kust van de Rode Zee en onttrekt zodoende (tijdelijk) handel van de Nabateeërs.

Nabateense handel: Het Hoogtepunt
Aan het einde van de Hellenistische periode krijgen de Nabateeërs de overhand en domineren ze de lucratieve handelsroutes. Vanaf het einde van de vierde eeuw voor Christus domineren zij de Levant en beveiligen zij de handelsroute van Petra naar Gaza in de Negev met een serie van versterkingen op heuveltoppen.(12) In deze periode neemt de militaire superioriteit van Rome snel toe en komen de Nabateeërs in rechtstreeks contact met de Romeinen. In 129 BCE worden Nabateense karavanen gesignaleerd in Asia Minor en zelfs in China!(13) De Nabateense beheersing van de handel in wierook en specerijen was mogelijk doordat zij reeds eeuwenlang geraffineerde irrigatiewerken op strategische plaatsen in de woestijn aanlegden. Oorspronkelijk waren deze reservoirs onderdeel van een verdedigingsstrategie – wanneer zij werden uitgedaagd trokken zij zich terug in de woestijn. Uiteindelijk faciliteerden deze reservoirs passerende karavanen met drinkwater en werd de handel volledig afhankelijk van de Nabateense infrastructuur. Wanneer een karavaan wierook of mirre vervoerde was het verboden om van de vastgestelde route af te wijken. Overtreders werden berecht en konden de doodstraf krijgen. (14)

Nadat onder Keizer Augustus Egypte is toegevoegd aan het Romeinse Rijk openen zij nieuwe handelsroutes naar Jemen. Door de lagere kosten van vervoer over zee werd aanvankelijk de specerijenhandel van de Nabateeërs een zware slag toegebracht. Om op prijs te kunnen concurreren kwamen de Nabateeërs met een bijzonder slimme oplossing: zij begonnen in Petra zelf geparfumeerde oliën en zalven te produceren van de harsen die uit Jemen werden geïmporteerd. (15)

Aan deze producten werden oliën van lokale planten toegevoegd zoals die van de Pistacia terebinth en de Balanites aegypticus. (16) Plinius de Oudere schrijft in boek 12 dat de Nabateeërs in Petra zalven produceerden met balsem uit het nabijgelegen Gilead, oliën van de pijnbomen uit Petra en wierook en mirre uit Jemen. Maar uiteindelijk werd de winst gemaximaliseerd door wierook en mirre in eigen eigen beheer te verbouwen. Er is archeologisch en epigrafisch bewijs voor het oogsten van wierook uit harsen in Medain Salih, een Nabateense stad op de route naar Zuid-Arabië. Inscripties uit de eerste eeuw tonen aan lokaal harsen werden geperst om vervolgens de oogst te verhandelen.(17)

Zo zijn aan het einde van de eerste eeuw de Nabateeërs naast handelaren ook producenten geworden van luxe goederen. De Nabateeërs hebben op dit moment de handel tussen Rome en het verre oosten vrijwel gemonopoliseerd met producten die in eigen beheer zijn ontwikkeld. (18) De aanvoer van producten van Petra naar Rome verloopt vrijwel exclusief via Gaza stad. Petra is nu op haar hoogtepunt – als centrum van de Arabische handel in luxe goederen in zij schatrijk. Deze rijkdom moet wel de aandacht trekken van De Romeinen en zo word de stad en het grootste deel van het Nabateense Rijk na 106 opgenomen in de nieuwe Romeinse provincie Arabia Petraea. Tot ongeveer 363, het jaar dat de stad wordt getroffen door een zware aardbeving, blijft Petra het centrum van de Arabische wereld en handel.

Nabateense handel: Nasleep
n de twee eeuwen die volgen neemt het belang van Petra in de internationale handel snel af. Het transformeert van metropolis naar een meer (bruisend) regionaal centrum dat voornamelijk agrarische en pastorale producten verbouwt en verhandelt, zo blijkt wel uit de eerder genoemde Petra Papyri. Toch is de grandeur uit het verleden niet vergeten: eretitels uit het verleden worden nog met trots vermeldt zoals Moeder aller Koloniën of Moeder aller Steden. Eretitels die verwijzen naar de tijd dat de stad het knooppunt van handel en zenuwcentrum van de Arabische wereld was.
De bevolking spreekt Arabisch maar schrijft in het Grieks.

Op dit punt in de geschiedenis begint ons onderzoek: kan Petra en haar agrarisch achterland de gemeenschap zijn die wordt geschetst in de Islamitische traditie? Of is het onderdeel van een groter geheel?

Sectie I Analyse van de 'Mekkaanse' handel

Volgens de Islamitische traditie verdient de stam van de profeet Mohammed, de Qoeraysh hoofdzakelijk de kost met de handel in leren goederen en dierlijke producten zoals wol, boter en mogelijk ook de handel in levende dieren. De Qoeraysh handelen bovenal met plaatsen in het zuiden van het huidige Syrië, een feit waarover geen meningsverschillen bestaan binnen de Islamitische traditie. (19) Toch levert deze aanname problemen op. Eerstens worden de stamleden van de Qoeraysh in de Koran soms aangeduid als heidenen (mushriku¯n) die bovenal landbouw bedrijven en geen handelaren zijn. (20)

Anderzijds ligt de door de traditie geschetste omgeving van de Qoeraysh zover van zuidelijk Syrië dat het moeilijk is voor te stellen hoe de inwoners de kost verdienden met het transporteren van bijvoorbeeld boter en leer over afstanden van meer dan 1500 kilometer door een gloeiend hete woestijn. Een dergelijke handelsreis duurde volgens traditionele bronnen meer dan twee maanden.(21) Het is dus veel waarschijnlijker, als Mekka hun woonplaats was, dat de Qoeraysh handelden in lucratieve waren zoals kruiden en balsem om winst te kunnen maken op handel. De Islamitische traditie meldt dat de Mekkaanse handel ook parfum omvatte.

De overlevering vertelt dat de overgrootvader van Mohammed, Hashim, toestemming van de Byzantijnse autoriteiten hebben gekregen om onder meer huiden, leer en kleding te verkopen in Syrië. Andere leden van de Qoeraysh verkochten leer en parfum in Egypte, of ruilden kaas en boter tegen graan in Syrië.(22) Mohammed zou zelf in huiden handelen en altijd werden kamelen gebruikt voor het transport. Dan is het niet meer dan redelijk om jezelf af te vragen hoe de Qoeraysh geld konden verdienen over zulke grote afstanden. Het is als ijs verkopen op IJsland na een zeereis van 1500 kilometer.

De Afnemers
Het is cruciaal om te begrijpen wie de goederen van de Qoeraysh afnamen. De grootste afnemer van leer en huiden waren Byzantijnse legioenen die in het zuiden van Syrië gelegerd waren. Het Byzantijnse leger had grote hoeveelheden leer nodig voor tenten, zwaardschedes, schermen, sandalen, laarzen, riemen, wijn en waterzakken en nog veel meer.(23) Ook werden leren huiden veelvuldig gebruikt in militaire fortificaties.(24) Er wordt geschat dat een klassiek Byzantijns legioen minstens 65,700 geiten of een kleiner aantal kalveren nodig had voor de tenten binnen het kampement.(25) Gedurende de zesde eeuw zou een Byzantijns legioen gemiddeld uit 5000 soldaten bestaan ondanks diverse epidemieën die uitbraken na 541.(26)

In de loop van de zesde eeuw worden, mede door de slepende oorlog met de Perzen, steeds meer forten door de Byzantijnen in Jordanië ontruimd en werden limitanei (grensbewakers) gedemobiliseerd. Het gezag over deze gebieden wordt overgedragen aan vazalstaten zoals dat van de Ghassaniden en de Byzantijnse legioenen trekken zich terug naar Zuid-Syrië en Palestina. (27) Kort voor of na de geboorte van Mohammed trekken de Byzantijnen zich terug uit Petra.
Indien Petra zijn geboorteplaats is en de Qoeraysh hier woonden was het nabijgelegen Syrië een logisch afzetgebied voor dierlijke producten. Dat leidt tot de logische vraag of Petra en omgeving in de zesde eeuw een agrarisch centrum was. Een vraag waar we later in dit hoofdstuk op in zullen gaan.

Door de slepende oorlog met Perzië zijn in de zesde eeuw veel Byzantijnse legioenen in Syrië gelegerd. De schattingen lopen uiteen van 18.000 tot 54.000 soldaten. (28) Na relatief lange periode met weinig confrontaties begint in 502 een nieuwe reeks oorlogen. (29) Dit zorgt voor een enorme vraag naar leer en verwante producten. Het is dus begrijpelijk dat de Qoeraysh grote hoeveelheden leer, huiden , wol en andere dierlijke producten verhandelden met Zuid-Syrië. Maar hoe aannemelijk is dat deze werden geproduceerd in een gortdroge woestijn ver van het Syrische hartland? Precies, dat is totaal niet aannemelijk.

We moeten dus aannemelijk maken dat Arabische stammen in de zesde eeuw reeds veel ervaring hadden met leveren van semi-militaire goederen aan Romeinse en Byzantijnse legioenen. Romeinse troepen infiltreerden sedert de eerste eeuw diep in de Hijaz. Een tweetalige militaire inscriptie bij Rawwafa (ten zuidwesten van Tabuk in het huidige Saoedi-Arabië) memoreert aan de oprichting van een tempel gewijd aan de Romeinse keizers Marcus Aurelius en Lucius Verus. (30)

Tussen Madina Salih en al-Ula zijn inscripties gevonden die de aanwezigheid van Romeinse cavalerie en bereden hulptroepen (dromedarii) aantonen. Dit toont aan dat Romeinse troepen tot vlak ten noorden van Yathrib (het huidige Medina) opereerden. (31) Deze Romeinse expansie zal in de noordelijke Hijaz hebben geleid tot structurele veranderingen in de lokale economie zoals zich dat overal in het Romeinse Rijd voordeed.
Door de behoefte aan dierlijke producten ruilen stammen het nomadenbestaan in voor het 'stadsleven' en de intensieve veeteelt. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat juist in deze tijd de stedelijke bevolking in Romeins Syrië (Arabia Petraea) snel toenam en dat zelfs steppen en hooglanden werden bevolkt. (32) Een patroon dat overeenkomt met de Romeinse expansie in andere delen van de wereld.

Verschuivende vraag
Tot de overwinning van de Byzantijnse keizer Heraclius in 628 zouden beide kemphanen, met af en toe een wapenstilstand, vechten om de hegemonie in Syrië en Mesopotamië. Dat heeft uiteraard grote gevolgen voor de inwoners van vooral Mesopotamië. Niet alleen liepen ze het risico om te sterven gedurende oorlogshandelingen of te worden weggevoerd in gevangenschap maar ze werden veelal uitgeknepen en afgeperst door passerende legers. (33)
De gevolgen liggen voor de hand. Er was sprake van een bevolkingsafname, een dalende landbouwproductie en het vertrek van vakbekwame ambachtslieden en boeren naar veilige gebieden.

Voor de inwoners van het zuidelijk gedeelte van Arabia Petraea (Jordanië en het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië) was dit echter een gouden kans. Dit relatief dunbevolkte gebied, feitelijk buiten bereik van het imperiale belastingstelsel en directe Byzantijnse controle, kon profiteren van het wegvallen van de productie in Mesopotamië. Het aantal vernietigde tenten, wapens en andere uitrustingsstukken over de periode van ruim 120 jaar enorm en de daaruit volgende vervangingsvraag moet enorm zijn geweest.

Het ligt dan voor de hand dat een nabijgelegen gebied dat nog niet door de oorlogshandelingen is getroffen deze producten levert. Palestina en Jordanië zijn dan hier de primaire kandidaten.

Sectie II Eerste analyse van de Qoeraysh

De Islamitische traditie vertelt dat de overgrootvader van Mohammed, Hashim, als eerste een Byzantijnse concessie krijgt voor de export van leren producten en kleren in Syrië. Ook vertelt de traditie over een Mekkaan die in ruil voor een handelsmonopolie de Byzantijnen een tribuut wil betalen in leren huiden en boter. Mohammed handelt volgens de traditie zelf in leren huiden en andere leden van de Qoeraysh, zoals Abd al-Rahman, brengen boter, huiden en kaas naar Medina die worden geruild tegen graan en meel uit Syrië.

Uit het werk van de Arabische historicus Ibn al-Kalbı valt af te leiden dat de Qoeraysh mogelijk handelden met de Byzantijnse legioenen in Syrië. Hashim zou de aandacht van de Byzantijnse heerser in Syrië hebben getrokken door hem een exotisch gerecht (tharid – lamsstoofpot) voor te schotelen. (34) In ruil krijgen leden van de Qoeraysh het recht om leren goederen en kleren te verkopen in Syrië en kregen stammen tussen Syrië en Mekka een vrijgeleide (Ilaf) zodat zij zonder problemen of extra heffingen handel konden drijven. Hashim fungeert hier als tussenpersoon, koopt producten van deze stammen en verkoopt deze aan zijn Byzantijnse klanten in Syrië. (35) (36)

Zonder een vrijgeleide van de Byzantijnse gouverneur in Syrië (ama¯n) zouden de Qoerayshi behandeld zijn als illegale vreemdelingen aangezien de Byzantijnen strenge eisen stelden aan buitenlandse handelaren en stringent toezicht hielden op de heffing van douanebelastingen. (37) Uit het gegeven dat de Qoerayshi boter, huiden en kaas met Syrië verhandelen kunnen we de logische conclusie trekken dat deze stam in de nabijheid van Zuid-Syrië woonde. Dit zijn geen producten die over een afstand van 1500 kilometer door een gloeiend hete woestijn worden vervoerd. Tenzij de Qoerayshi mogelijk een keten van pannenkoekhuizen in Syrië exploiteerden.

De traditie vertelt dat leden van de Qoeraysh handelden in Palestina (37), Jordanië (38) en Egypte.(39) Soms bezoeken zij grote steden als Jeruzalem, Alexandrië of Damascus maar er zijn slechts twee plaatsen waar zij structureel verschijnen: Bosra in Transjordanië en Gaza aan de Middellandse zeekust. Bosra was in de zesde eeuw een Byzantijnse garnizoensstad en de stad die Mohammed zelf tweemaal bezocht. Volgens de Islamitische traditie sterft de overgrootvader van Mohammed in Gaza en zijn vader gestorven zijn in Medina na een succesvolle handelsmissie naar Gaza. Gaza was in deze tijd een belangrijke havenstad en de plaats van waaruit producten van Qoeraysh konden worden geëxporteerd naar Egypte en Caesarea en Alexandrië.

Buitengewoon merkwaardig is het gegeven dat de traditionele bronnen niet kunnen vertellen hoe kooplieden van de Qoeraysh reisden naar Gaza of Bosra.(41) Maar als de Qoeraysh oorspronkelijk uit de omgeving van Petra komen is dat eenvoudig te verklaren. Petra was reeds lang het scharnierpunt tussen Gaza en Bosra waar karavanen reisden overwegen die grotendeels door Petra waren aangelegd. Handelaren uit Syrië of Noordwest Arabië zouden eerst via de beroemde Koningsweg of Via Nova Traiana eerst naar Petra reizen om vervolgens via de Negev naar Gaza te reizen. Indien Petra en haar agrarische achterland de producten leveren die de Qoeraysh in Gaza en Bosra verkopen hebben we een volstrekt logisch model. Maar een logisch model is nog geen bewijs tenzij het uiteindelijk onderdeel is van een lange keten van gelijkenissen of logische gebeurtenissen.

Oorsprong naam Qoeraysh
De negende-eeuwse historicus Hisham Ibn al-Kalbi veronderstelt dat deze stam geen naamgever heeft maar dat haar naam is afgeleid van het Arabische woord taqarroesh dat zoveel betekent als 'het samenkomen' of 'verbond' of 'associatie'. (42) (43) De leden van deze stam zouden oorspronkelijk uit de omgeving van Mekka komen voordat zij zich zouden verspreiden over vele landen. (44)
Opvallend is dat leden van de Qoeraysh gedurende de eerste eeuwen van de Islamitische jaartelling worden aangeduid met hun clannaam en pas na de dertiende eeuw mat hun stamnaam. (45) Volgens de Islamitische traditie krijgt de stam haar naam wanneer Qoesayy ibn Kilab de Jemenitische Khoeza'a stam verdrijft uit de Kaba. Ook hier intrigeren de overeenkomsten met Petra: deze stad heeft een Kaba en ligt in een gebied dat Jemenitische immigranten aantrekt zoals besproken in het voorgaande hoofdstuk.

Syro-Aramese oorsprong
Christoph Luxenberg suggereert dat de term Qoeraysh (zoals het voorkomt in de Arabische Koran in soera 106:1) morfologisch overeenkomt met de mannelijke meervoud van het Syro-Aramese woord qarīsh zoveel betekent als 'samenkomst' in de betekenis van foederati. (46) Het Arabische stamwoord qarasha zou afgeleid zijn van het Aramese qrash dat in beide talen 'verzamelen' of 'samenkomst' betekent. Het Syro-Aramese qarīshē zou in het Arabisch zijn overgenomen als Qarīsh.

Het is dan ook belangrijk om te bepalen of de term Qoeraysh een Arabische of Aramese oorsprong heeft. Probleem is dat zowel qarīshē als qarīsh zeer zeldzaam zijn. De eerste referentie naar het Aramese qarīshē is te vinden in de Kroniek van Zuqnin uit 775 waarin beschreven wordt hoe de verkondiging van de verlosser wordt overgedragen aan die van zijn leerlingen of priesterwijzen. (47) De eerste referentie naar het Arabische stamwoord qarasha is echter veel jonger en dateert uit de elfde eeuw, gevonden in het werk Mukham (een 28-delig woordenboek van het Klassieke Arabisch) van de Andalusische wetenschapper en etymoloog Ibn Sida. (48)

Zoals eerder besproken in het eerste hoofdstuk en naar algemeen wordt aangenomen ontwikkelde het Klassieke Arabisch zich uit het Nabateense schrift zoals dat rond Petra werd geschreven. Uit de Petra Papyri (een reeks perkamentrollen gevonden in 1993) blijkt dat Petra in de zesde eeuw een meertalige stad was waar Grieks, Aramees en Arabisch werd gesproken. En dat deze talen elkaar beïnvloeden.

Arabisch taalgebruik in de Petra Papyri
In volume 17 van de Petra Papyri worden de namen genoemd van twee landbouwpercelen die beide zijn afgeleid van de Semitische root q-s-b. Het eerste perceel wordt aangeduid met al-qeseb terwijl het andere perceel wordt aangeduid met het Aramese achtervoegsel -a dat leidt naar qisba. (49)

In meerdere perkamenten wordt de term al-nasba gebruikt om een boerderij te duiden in wat waarschijnlijk het Arabische equivalent is van het Aramese nasbata. (50) Deze voorbeelden tonen een duidelijke verwantschap tussen het Aramese achtervoegsel -a en het Arabische artikelwoord 'al-' en indiceren een sterke beïnvloeding van het nog jonge Arabische schrift door het Syriac (West-Aramees).

De Petra Papyri tonen tevens voorbeelden van Aramese woorden die als leenwoord in het Arabisch worden overgenomen en de oorspronkelijke Aramese morfologische structuur behouden. Zo wordt in het Arabische dialect van Petra een graanschuur aangeduid als kaffat en in het Aramees als kaffi. (51) Deze papyri tonen hoe in het Petra van de zesde eeuw het Arabisch onder invloed van de Lingua Franca, het Aramees, zich ontwikkelt. Petra is dus niet alleen de plaats waar het oudste Arabische document met diakritische tekens is gevonden maar ook één van de eerste plaatsen (met Nessana en Bosra) waar het Aramese achtervoegsel overgaat in een Arabische bijwoord dat een zelfstandig naamwoord verandert.

Andere aanwijzingen vinden wij in een analyse van Arabische materiaal in de Petra Papyri door etymoloog Omar Al-Ghul. (52) In deze analyse wordt de wederzijdse beïnvloeding in de meertalige omgeving van Petra meer dan overtuigend aangetoond. Deze analyse suggereert dat het klassieke Arabisch mogelijk sterker door het Grieks is beïnvloed dan tot nu toe wordt aangenomen. Vooralsnog zullen we ons nu beperken tot zijn conclusies met betrekking tot de rol van het Arabisch:

    Het Semitische materiaal dat in rol 10 van de Petra Papyri voorkomt is hoofdzakelijk Arabisch. Afgezien van enkele uitzonderingen in de woordenschat is Arabisch de dominante taal. Dit blijkt onder meer door het gebruik van het lidwoord 'al-', vormen van gebroken meervoud waarbij het enkelvoudige woord interne wijzigingen ondergaat waarvoor binnen het Arabisch verschillende woordpatronen bestaan en genitieve constructies waarbij een naamval het voorzetsel bepaalt zoals dat in het Arabisch gebeurt met diakritische tekens. Het feit dat enige woorden Aramese of Caanaitische kenmerken hebben zijn gearabiseerd benadrukt
    slechts de Arabische identiteit van de taal in het zesde-eeuwse Petra.(53)

    Het materiaal in rol 10 toont linguïstische kenmerken die door Arabische en moderne grammatici wordt toegekend aan het pre-islamitische dialect zoals dat gesproken werd in de Hijaz. Voorbeelden hiervan zijn het laten vallen van de Hamza, de ē foneem en het regelmatige gebruik van de klinker u in plaats van de klinker a.(54)

    De conventies voor transliteratie (het omzetten van het ene alfabet in het andere) zoals die in Petra worden gehanteerd zijn hetzelfde als die in Nessana en voor een groot gedeelte hetzelfde als die van Bosra.(55) Dit benadrukt de veronderstelling dat in de zesde eeuw verscheidene steden in de nabijheid van Petra een uniforme methodiek hadden ontwikkeld voor transliteratie en grammatica in het Arabisch.(56)

De conclusies van etymoloog Al-Ghul zijn zeer bruikbaar voor ons onderzoek. Als we de grote lijnen uit de ahadith overnemen dan reizen de kooplieden van de Qoeraysh door een gebied waar de Arabische taal zich snel ontwikkelt, conventies ontwikkelt voor transliteratie en grammatica en feitelijk voor het eerst de belangrijkste kenmerken van wat nu het Hijaz script wordt genoemd worden gebruikt. Dit gebied ligt ruwweg tussen tussen Nessana in de Negev en Bosra gelegen nabij de huidige Syrische/Jordaanse grens.

Het laten vallen van de hamza (ē foneem) past precies in de veronderstelde Arabisering van het Syro-Aramese woord qarīshē. Haar Arabisch equivalent qarīsh krijgt dan een speciale betekenis in de zin van verbond of foederati. Dit verbond kan dan wel hel wel overeenkomen met de stammen gelegen tussen Syrië en Mekka (Petra) die volgens de traditie een vrijgeleide (Ilaf) opdat zij zonder problemen of extra heffingen handel kunnen drijven met steden in Zuid-Syrië. Een stammenverbond dat in de Islamitische traditie wordt omschreven als de Qoeraysh.

Sectie III Qoeraysh als Stammenverbond

We maken nu een sprong in de tijd naar het jaar 660. De eerste heerser van de Omajjaden, Moe'awija, komt in Syrië aan de macht. Hij wordt veelvuldig genoemd in zowel de Islamitische literaire traditie als niet-Islamitische bronnen. (57) Moe'awija is tevens de eerste Islamitische heerser wiens naam op munten wordt geslagen, documenten en monumentale inscripties. (58) (59)

Dit doet vermoeden dat de Omajjidische staat onder Moe'awija strak georganiseerd was, centralistisch en bureaucratisch was en dat belastingen werden geïnd aan de hand van een eigen muntstelsel. Dit wordt echter tegengesproken door een aantal archeologische waarnemingen.

Allereerst blijkt uit de Nessana Papyri (een verzameling papyrusrollen) dat administratieve instituties op lokaal niveau tot minstens het jaar 670 belasting hieven zoals ze dat deden in de Byzantijnse periode. (60) Voor de duidelijkheid: het in de Negev gelegen Nessana werd ergens tussen 630 en 640 veroverd door de Arabische legers. Dat daarna nog decennia op de Byzantijnse wijze belasting werd geheven indiceert het ontbreken van een centraal gezag of bureaucratie. De Nessana Papyri zelf verdelen de wijze van belasting heffing in twee perioden, een voor en en na de troonsbestijging door Abd al-Malik, de opvolger van Moe'awija. (61)

In 674 legt de Arabische gouverneur van Gaza de inwoners van Nessana plotseling een belasting in natura op die ook wel rizq (afgeleid van het Griekse rouzikon). Deze belasting in natura zijn voedselleveringen aan passerende Arabische trepen (62) en bestonden uit gelijke aantallen eenheden tarwe en olie en moest periodiek (eens in de twee maanden) of wanneer nodig worden afgedragen. Deze inning van belastingen duidt erop dat er geen uniform en centraal geleid fiscaal systeem was maar dat er belasting werd geheven wanneer dat nodig was. (63)

Er is geen bewijs dat deze heffingen door Damascus of een andere centrale instantie werden geheven. Uit de Nessana Papyri blijkt dat deze voedselheffingen werden geleverd aan vertegenwoordigers van verschillende Arabische stammen (64) die waarschijnlijk door de Negev trokken op weg naar Egypte. Pas na 680, met aantreden van Abd al-Malik, verdwijnt de rizq en maakt deze stapsgewijs plaats voor een hoofdelijke belasting. (65)

Het op onregelmatige wijze innen van belasting door vertegenwoordigers van verschillende stammen duidt op een confederatie van Arabische stammen. Het definitieve bewijs wordt geleverd door de Maronitische Kronieken, geschreven door Syrische Christelijke Maronieten in het midden van de zevende eeuw.

“... In het jaar 660 verzamelden veel Arabieren in Jeruzalem en kozen Moe'awija tot hun koning. Moe'awija ging vervolgend naar Golgotha en de tombe van Maria om te bidden. … In de maand juli van hetzelfde jaar kwamen emirs en anderen bijeen en erkenden het gezag van Moe'awija … Zij sturen gezanten naar alle steden in het domein om zijn gezag te propageren.... Moe'awija liet gouden en zilveren munten slaan die niet geaccepteerd werden daar het (christelijke) kruis ontbrak.... Moe'awija maakte Damascus tot zijn hoofdstad en weigerde af te reizen naar de plaats van Mohammed....” (66)


Dat de emirs (stamhoofden) bijeenkwamen voor het kiezen van een nieuwe aanvoerder is typerend voor de Arabische traditie en de vele confederaties van stammen die hoer aan voorafgingen. Wat onderscheidend is dat Moe'awija een monarchie probeert te stichten. Deze poging zal later tot een grote burgeroorlog leiden.

Conclusie
Er kan aan de hand van de Nessana Papyri en de Maronitische Kronieken, beide eigentijdse waarnemingen, aannemelijk worden gemaakt dat gedurende de eerste 70 jaar het nieuwe Arabische Rijk functioneerden als een confederatie van Arabische stammen zoals dat destijds veelvuldig voorkwam. Door de aanwezigheid van deze foederati in de nabijheid van Petra en het traditionele Nabateense hartland zoals de Negev maakt het mogelijk deze archeologische en literaire waarnemingen te koppelen aan het verhaal van de Qoeraysh uit de traditie.

Sectie IV De Qoeraysh in Koranisch Perspectief

De leden van de Qoeraysh worden in de Koran soms geduid als heidenen (mushriku¯n) die bovenal landbouw bedrijven en geen handelaren zijn. (67) Het is belangrijk om te begrijpen wat hier bedoeld wordt met heidenen. Zijn het polytheïsten en veelgodendienaren? Of gebruikt de Koran het begrip heidenen misschien in een andere context?


Deze context kunnen we introduceren aan de hand van Koran vers 39:65. Deze vers vertelt dat zij die zich 'associëren' tot de verliezers zullen behoren. Associëren betekent hier de omgang met polytheïsten of het hebben van 'polytheistische' gedachten. De Arabische root sh-r-k wordt in de Koranische context doorgaans gebruikt om te verwijzen naar het praktiseren van veelgodendom, de associatie van anderen dan God, een vorm van heiligschennis binnen de Islam. De beschuldigden van shirk, de mushriku¯n, zijn doorgaans de leden van de Qoeraysh. Dat shirk in de Koranische context een zinloze bezigheid is blijkt ook wel uit de voorgaande vers 39:64: “O, gij onwetenden, beveelt gij mij iets buiten Allah te aanbidden?” (68) In zijn commentaar op Koran vers 39:65 stelt Al Tabari dat Mohammed de 'veelgodendienaren' van zijn stam oproept om alleen God te aanbidden aangezien alle andere vormen zinloos zijn. (69)


Maar wat zijn die andere vormen? Zijn dat de Goden die worden genoemd in de zogenaamde Duivelsverzen? Zijn dat de 360 afgodsbeelden die ooit in Mekka werden aangetroffen? Of wordt deze vorm van afgoderij bepaald door het belangrijkste religieuze conflict van de zesde eeuw?

Vanaf het eerste hoofdstuk hebben wij betoogd dat de Zuid-Jordaanse context, en dat met name die van Petra, de context van Koran en Mohammed is. Dat spreken we vooral van een Arabisch sprekende bevolking die handelt in het Grieks en zeer bekend in met de Aramese Christelijke liturgie. Uit analyses van Markus Gross en Karl-Heinz Ohlig (70) en Robert Kerr (71) blijkt dat veel woorden én religieuze kernbegrippen in de Koran van Aramese afkomst zijn.

In de zesde eeuw werd de Aramese christelijke cultuur verscheurd door een conflict opgelegd door de Byzantijnse orthodoxie. De Byzantijnse geloofsbelijdenis, de drie-eenheid wordt slecht ontvangen door grote delen van de Arabische bevolking in de Negev en Jordanië. Om dit te kunnen begrijpen pakken we eerst uit met het werk van de historicus Sozomenos.

Waarnemingen van Sozomenos
Na de vierde eeuw bekeerde veel Arabieren zich tot het Christendom zoals blijkt uit de bouw van vele Byzantijnse kerken in en rond Petra. Tegelijkertijd waren veel Arabieren afwijzend tegenover het concept van de drie-eenheid. De drie-eenheid is dat er één God bestaat in drie goddelijke personen: de Vader, de Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest die allen uit dezelfde substantie voortkomen maar tevens één zijn. Tegelijkertijd beschrijft Sozomenos een andere ontwikkeling onder de Arabische bevolking van Byzantijns Arabia, ergens tussen 440 en 443 in een werk opgedragen aan Keizer Theodosius II (71):

Deze stam vindt zijn oorsprong in Ismaël, de zoon van Abraham en werd ook zo genoemd. De ouden noemden ze Ismaëlieten vanwege deze afkomst. Om niet beschuldigd te worden van onwettige afstamming, Ismaëls moeder had namelijk een lage status, noemden zij zich 'Sara-cenen', alsof zij afstamden van Abrahams vrouw, Sara. Vanwege deze afkomst zijn zij allen besneden, onthouden zij zich van varkensvlees en volgen zij de Joodse gebruiken.
Maar men moet niet denken dat zij altijd op deze wijze hebben geleefd, hetzij door het tijdsverloop of omgang met leden van omringende gemeenschappen.


Zij (de duivelsaanbidders) die in de nabijheid van de Ismaëlieten woonden hebben waarschijnlijk de oorspronkelijke (voorouderlijke) wijze van leven van de Ismaëlieten vernietigd, de enige levenswijze die de oude Hebreeën kenden voor de invoering van de Mozaïsche wetgeving, daarbij steunend op ongeschreven tradities. De Ismaëlieten hebben deze demonen zonder twijfel vereerd en aanbeden op de heidense wijze van hun buurvolkeren en toonden zo waarom zij hun voorouderlijke wetten verwaarloosden.


Na een lange periode waren zij sommige wetten vergeten en stonden toe dat andere wetten overbodig werden door veroudering. Hierna werden sommigen bekend met de levenswijze van de Joden en beseften zodoende wat ze waren geworden. Zij keerden daarop terug naar de levensstijl van hun voorouders en adopteerden Joodse gebruiken en wetten. Vanaf dat moment leven velen onder hun in de Joodse traditie.


Hunifa: God is god alleen
De door historicus Salminius Hermias Sozomenus (geboren nabij Gaza) beschreven terugkeer naar de levensstijl van hun voorouders en het adopteren van Joodse gebruiken en wetten sluit naadloos aan op de kernboodschap van Mohammed, de terugkeer naar de levenswijze van Abraham. In de Koranische traditie is een hanif iemand die het zuivere monotheïsme van aartsvader Abraham volgt. De Hunifa waren gelovigen die in de pre-islamitische periode zich afkeerden van afgoderij en het geloof van Abraham zoveel mogelijk probeerden te volgen. Het woord hanif is afgeleid van het Syro-Aramese stamwoord h-n-f en werd mogelijk eerder door Joden en Christenen gebruikt om volgelingen van een oude Syro-Arabische religie te duiden. (73)

Dit alles wordt keurig geduid in de Koran zoals vers 3:67: “Abraham was noch een Jood, noch een Christen, hij was een hanif en geen 'afgodendienaar'”. (74) In vers 2:124 zegt de Koran dat het verbond met Abraham zich niet uitstrekt tot 'duivelsaanbidders' wat impliceert dat Joden en Christenen ontrouw waren aan hun eigen beleden tradities. (75) Vers 5:46 stelt dat de Joden het boek van God hebben verkwanseld en vers 5:14 dat de Christenen 'het verbond met God hebben genegeerd'. Het sluitstuk is wel koran vers 2: 135 dat in zoveel woorden zegt dat het zowel het Jodendom als het Christendom doctrines zijn die afwijken van de zuivere, Abrahamistische standaard dus en polytheïsten zijn.
De Koran stelt daarom in verzen 3:3 en 5:48 dat zij de mussadiq is, de bevestiging van eerder geopenbaarde Abrahamistische belijdenissen (76) en de slotstuk daarbij is de Islamitische geloofsbelijdenis waarin de eenheid van God centraal staat. God is God alleen.

Intermezzo
Er is natuurlijk een behoorlijk tijdsverschil tussen de waarnemingen van Sozomenos en de Abrahamistische stellingen van de Koran, ruwweg zo'n 150 jaar. Het is dus zaak om een tijdslijn te bouwen die het aannemelijk maakt dat de ' terugkeer naar de levensstijl van hun voorouders en het adopteren van Joodse gebruiken en wetten' een ontwikkeling was die zich over een langere periode afspeelde.

Dat begint na de constateringen van Sozomenos met het aantreden van de Ghassanidische koning Al-Harith ibn Jabalah. Bij zijn aantreden in 528 heerst Al-Harith over een gebied dat zich uitstrekt van het zuiden van Syrië tot de Negev dat zich als een halve maan om Byzantijns Palestina strekt. Kort na zijn aantreden breekt hij, onder druk van zijn bevolking en de Ghassanidische foederati met de kerkelijke leerstellingen van het concilie van Chalcedon. In 451 kiest de kerkijdens voor de het principe tweenaturenleer, de zogenaamde dyophysistische clausule, waarin gesteld wordt dat in Christus zijn twee naturen zijn verenigd, de goddelijke en de menselijke zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden.

Al Harith is echter een aanhanger van de Monofysistische leer. Deze leer stelt in zoveel woorden dat Jezus Christus slechts een enkele natuur heeft die of goddelijk of een synthese is van de goddelijke en menselijke natuur. en was een reactie op de kerk van de kerk in 451 (tijdens het concilie van Chacedon) voor de het principe van de tweenaturenleer. De zogenaamde dyophysistische clausule stelt dat in Christus twee naturen zijn verenigd, de goddelijke en de menselijke zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden.

Dit principe van de twee naturen wordt echter niet gedragen door de Ghassanidische stammen die neigen naar een monofysitische standpunt: Christus heeft slechts een natuur en dat is een synthese van de goddelijke en menselijke natuur. Dit standpunt is onderdeel van een breuklijn tussen Grieks-Romeinse cultuur en de inheemse beschavingen van het Midden-Oosten zoals dat ontstaat na het schisma van de Chalcedonische en Monofysitische kerk in de vijfde eeuw. (77)

Al-Harith probeert waar mogelijk deze monofysistische visie uit te dragen in Syrië en Transjordanië en draagt zo bij aan de wederopbloei van de monofysistische leer in de zesde eeuw. (78) Hij lobbyt bij de Byzantijnse Keizerin Theodora voor de aanstellingen van nieuwe bisschoppen wat later leidt tot de aanstelling van de activistische Jacobus van Baradeus tot bisschop. Jacob is zeer succesvol in het versterken en uitbreiden van de Monofysistische geloofsbasis in Syrië en Transjordanië. (79) (80) Jacobus opereert vanuit Edessa en onder zijn bezielende leiding ontstaat na 550 de orde der Jacobieten die, net als de Ghassaniden, denken dat in de persoon van Jezus Christus de goddelijke en menselijke natuur zijn verenigd. (81)

Tegelijkertijd is er een andere ontwikkeling gaande. De Chaldonische doctrine volgend wordt bij eedafleggingen in de zesde eeuw de heilige drie-eenheid aangeroepen met de kwalificatie dat deze van één en dezelfde natuur of substantie zijn. Dit wordt ook wel uitgelegd als dat Jezus Christus één is met de Heilige Vader in zijn goddelijkheid en één met ons in zijn menselijkheid.

Bij eedafleggingen uit de Petra Papyri en die van Nessana wordt deze eenheid echter regelmatig weggelaten. Dit gebeurt in de Petra Papyri bij eedafleggingen van voor 537 en uit de periode 539/540 (82) en in de Nessaanse rollen uit (563) en 566. 2 Dit is een breuk met diep gewortelde theologische en politieke principes die teruggaan tot de vierde eeuw en zo halverwege de zesde eeuw de kern vormen van het gedachtegoed van de Byzantijnse kerk.

Sectie V Overeenkomsten met pre-islamitische rechtspraak

In deze sectie maken we een uitstapje naar de oorsprong van het Islamitisch recht. In de voorgaande hoofdstukken en secties hebben we geargumenteerd dat het gebied tussen Nessana, Petra en Bosra uit de zesde eeuw om verscheidene redenen de ideale kraamkamer voor de geboorte van de Islam en mogelijk ook het Arabische Rijk was. Dit gebied, dat zich uitstrekte rondom Romeins Palestina, zullen wij voortaan aanduiden als de 'Halve Maan'. De Halve Maan is overigens van oudsher het symbool van de Wadi Rum woestijn nabij Petra. In deze sectie tonen wij de verbluffende overeenkomsten aan tussen de vroege vormen van sharia en de rechtspreek zoals deze in de Halve Maan werd uitgeoefend aan de hand van wederom de papyrusrollen uit Petra en Nessana.

Introductie
In 2004 hoorde Patricia Crone voor het eerst over ernstig beschadigde papyrusrollen uit Petra. Aangezien zij veel over deze stad en regio had geschreven was haar interesse meteen gewekt. Haar collega Glen Bowerstock introduceerde een papyrusrol dat de verdeling van een erfenis over drie broers via een loterij regelt. Dit feit intrigeerde Crone aangezien deze praktijk veelvuldig voorkomt in vroeg Islamitische bronnen. Al snel nam ze contact op met Adam Silverstein uit Oxford die destijds de papyrus rollen uit Nessana onderzocht. Vier jaar lang doet dit team uit Princeton en Oxford onderzoek totdat de resultaten in 2010 worden gepubliceerd in de Journal of Semitic Studies.

Loterijen in Byzantijns Arabië
De Petra Papyri vertellen hoe een erfenis wordt verdeeld over drie broers. De nalatenschap, bestaande uit onroerend goed en landerijen, was opgedeeld in drie gelijke delen en werden toebedeeld aan de hand van een loterij, vergelijkbaar met praktijken beschreven in een rol uit Nessana. (84) De Nessaanse rol (85) beschrijft de verdeling van een landgoed over vier zonen. De goederen werden opgedeeld in gelijke delen en vervolgens tijdens een officiële procedure toegewezen via een loterij in de aanwezigheid van vrienden en familieleden. Net als in Petra werd in Nessana de procedure afgesloten met het afleggen van een eed. (86)

Het verdelen van land en bezittingen aan nabestaanden via loterijen was een veel gepraktiseerd fenomeen in de Klassieke Oudheid, zowel in Babylonië, Assyrië als Bijbels Israël.(87) Hiertoe werden tijdens een loterij vaak gemarkeerde stenen met symbolen gebruikt. Vanaf de tweede eeuw wordt is het verdelen van land en goederen via een loterij een terugkerend thema in Joodse, Romeinse en Christelijke literatuur, inclusief de papyrusrollen uit Nessana en Petra.

Loterijen in de Islamitische traditie
Maar ook de Islamitische traditie vertelt hoe Mohammed na de verovering van Khaybar in 628 het land verdeeld in 100 bunders en toewijst aan zijn volgelingen via een loterij. (88) Ook na de campagne tegen B. Quruyaza wordt 80% van het veroverde land verdeeld in 3072 delen en toegewezen via een loterij. (89) Zo zijn er nog veel andere voorbeelden van loterijen uit de vroeg Islamitische traditie. Regelmatig wijken deze loterijen af van de procedures in Nessana en Petra aangezien de loterij winnaars aanwijst zonder de nalatenschap in evenredige porties te verdelen. (90)

Hoewel het onwaarschijnlijk is dat alleen de inwoners van Nessana en Petra de enige Arabieren waren die loterijen gebruikten om land onder erfgenamen te verdelen kan deze praktijk in de vijfde en zesde eeuw alleen in deze regio worden waargenomen. Maar wanneer de eerste vormen van klassiek Islamitisch recht ontstaan wordt deze praktijk overgenomen. Volgend dit recht was het mogelijk voor erfgenamen, nadat een landgoed was opgesplitst in de kleinst mogelijke verdeelbare eenheden, de nalatenschap via een loterij toe te wijzen. Indien de nalatenschap verschillende soorten goederen omvatte zoals huizen en land werden deze opgesplitst in verschillende bundels. Dit in tegenstelling tot de gehanteerde procedure in Nessana. (91) (92)

Parallellen
Waarom zijn de overeenkomsten tussen vroeg Islamitisch recht en dat van Petra en Nessana nu belangrijk? Het toont op de eerste plaats aan dat de vanaf de zevende eeuw vroeg Islamistische jurisprudentie voorgaande rechtspraktijken voortzet. Tegelijkertijd werd deze praktijk tot de moderne tijd toegepast onder de Arabische stammen en bedoeïenen van Arabia Petraea. Agrarische land dat in eigendom was van de stam werd jaarlijks verdeeld in gelijke porties en via een loterij toegewezen aan families of clans. (93)

Hoewel Nessana en Petra in de zesde eeuw beide onderdeel waren van het Byzantijnse Rijk en officieel alleen het Romeinse recht mochten gebruiken laten bovengenoemde voorbeelden zien dat de dagelijkse praktijk hybride was waar lokaal recht regelmatig prevaleerde tot het soms officieel werd aanbevolen door de Romeinse wetgeving. (94)
Het zijn voorbeelden van hoe inheemse tradities (en rechtspraak) opduiken in de dominante cultuur in de zesde eeuw en bovenal provinciale vormen van rechtspraak waren. (95)

Voor ons onderzoek zijn deze feiten uiteraard zeer interessant. Het linkt niet alleen de vroegste vorm van Islamitische jurisprudentie aan het veronderstelde leefgebied van de Qoeraysh in Zuid-Jordanië en de Negev maar wijst wederom Petra aan als een bron voor vroeg Islamitische ontwikkelingen.

Sectie VI Conclusie
Er ontstaat een breuklijn tussen de Grieks-Romeinse en de klassieke beschavingen van het Midden-Oosten, meer en meer (kerkelijke) leiders ontkennen de tweenaturenleer van Christus en In Petra en Nessana wordt bij eedafleggingen de aard van de Heilige drie-eenheid weggelaten. Deze ontwikkelingen bewegen uiteraard in de richting van het dogma van de Islam waarin God één is en Christus slechts een menselijke natuur heeft.

In de wetenschap dat

    (1) de taalkundige ontwikkeling van het Klassieke Arabisch in de zesde eeuw kan worden waargenomen in het Arabische sprekende gebied van de Negev tot Zuid-Syrië (van Nessana tot Bosra);
    (2) dat de door de traditie meestgenoemde handelsplaatsen van de Qoeryash, Gaza en Bosra, in dit gebied liggen;
    (3) Petra als sinds de Nabateense tijd het scharnierpunt was voor handel tussen Gaza en Bosra;
    (4) Petra en haar cultuurgebonden stad Nessana waar de gezamenlijke natuur van de drie-eenheid wordt weggelaten of ontkend in hetzelfde gebied liggen als (1);
    (5) Petra tot 584 onderdeel was van de Ghassanidische federatie die breekt met de Byzantijnse leer;
    (6) Vroege vormen van Islamitische jurisprudentie, zoals landverdeling via loterijen, alleen eerder worden waargenomen in Petra en haar cultuurgebonden stad Nessana;
    (6) Petra voldoet aan de geografische omschrijvingen van de Koran en ahadith voor de woonplaats van Mohammed;
    (7) In Petra de vroegste aanpassingen van het Arabisch schrift die leiden tot het Hijaz script waarneembaar zijn;

is het alleszins redelijk om aan te nemen dat de theologische ontwikkelingen die leiden tot het zuivere monotheïsme van de Hanifa en het Abrahamisme van Mohammed en de Koran in deze regio hebben plaatsgevonden. De eenkennige natuur van Jezus onder de monofysistische Ghassaniden tussen 500 en 600 is dan een overgang tussen de hybride natuur van Jezus in de vierde eeuw naar de puur menselijke natuur van de Koran.

Het complementeert de waarnemingen van Sozomenos dat de Arabische bevolking van de Negev terugkeerden naar de levensstijl van hun voorouders, Joodse gebruiken en wetten adopteerden en in de Joodse traditie leefden. De terugkeer naar eenheid van God, waartoe wordt opgeroepen in de Koran, is dan de vervolmaking van dit proces. Want ook in de Joodse traditie is niets belangrijker dan de eenheid van God.

We hebben geen definitief bewijs kunnen vinden voor de veronderstelde handelspatronen van de Qoeraysh met de Byzantijnse legioenen in Syrië. Maar dat was ook niet de intentie – de analyse van de Mekkaanse handel uit de traditie was een uitstekend startpunt om nieuw bruikbaar bewijs voor dit onderzoek te vinden.

Dat maakt het nu redelijk eenvoudig om Qoeraysh te duiden in de Koranische context. In de Koranische context belijden bepaalde leden van de Qoeraysh een christelijke vorm van de drie-eenheid en dat is shirk. De mushriku¯n zijn christelijke leden van de Arabische federatie die in de Koran wordt geduid met Qoeraysh, de gearabariseerde vorm van het Aramese woord voor federatie. Deze leden hangen of nog de tweenaturenleer van Jezus Christus aan of hechten waarde aan de drie-eenheid. Hierbij moet worden opgemerkt dat het concept 'christelijk' in deze context erg vloeibaar is.

Toetsing
Maar dat helaas kan niet de volledige definitie zijn. De Islamitische traditie stelt dat de strijdkreet van de Qoeraysh tijdens de slag van Uhud in 625 “O mensen van Oezzá en Hubal” luidde.(96) Deze strijdkreet refereert aan het Nabataeense geloof en linkt de Qoeraysh wederom rechtstreeks aan de stad Petra. Al-‘Oezzá, soms de pre-islamitische 'Godin van de Ochtend- en Avondster' of 'de Machtige' genoemd had haar eigen prominente eredienst in Petra. Naast een eigen tempel werd ze talloze malen afgebeeld op zogenaamde idolen, vaak platte stenen met haar afbeelding. Al-‘Oezzá verschijnt later ook in het verslag van Ibn Ishaq over de omstreden Duivelsverzen. (97)

Hubal is van oorsprong tevens een Nabateense god. Feitelijk vinden we alleen harde verwijzingen naar Hubal in het gebied rond Meda'in Saleh, een oude Nabateense stad in het noordwesten van Saoedi-Arabië, zoals inscripties uit de eerste eeuw waar Hubal gezamenlijk met Doeshoera wordt genoemd. Meda'in Saleh is tevens de enige plek waar verwijzingen naar de Nabataeense godin al-Laat worden gevonden. (98)

We zouden nu het bereik van de Qoeraysh, als federatie, kunnen vergroten tot het noordwesten van Saoedi-Arabië en dan spreken over een verbond van Arabische stammen dat zich uitstrekte van Meda'in Saleh tot de Syrische grens van het Byzantijnse rijk in de laat zesde eeuw, ruwweg de hoogvlakte van Hauran in het noorden van Jordanië. Een federatie die zich centreert rond de zustersteden Petra en Meda'in Saleh. Steden die gezamenlijk de namen van de goden leveren die door Iblis, de duivel, op de tong van Mohammed zouden zijn gelegd. Deze theologische mythe raakt twee mysteries: waarom werden beide steden kort na de opkomst van het nieuwe Arabische Rijk verlaten en waarom worden ze niet genoemd in de verovering van Byzantijns Palestina? Indien deze steden dienden als uitvalsbasis hebben we een simpele en logische verklaring.

De ahadith maken het aannemelijk dat leden van de Qoeraysh paganisten waren. Dit wordt bevestigd door reisverslagen van Byzantijnse keizers en generaals. Zo worden christelijke dissidenten verbannen naar steden als Petra aangezien ze 'daar onder heidenen zijn'. De Koranische aanduiding mushriku¯n verwijst dus waarschijnlijk zowel naar vormen van christendom als paganisme onder leden van de Qoeraysh.

Niettemin staan we hier voor nieuwe dilemma's. Welke delen van de ahadith zijn nu echt betrouwbaar? En hoe moeten we de religieuze patronen uit de ahadith en Koran plaatsen?

Voetnoten (voorlopige lijst)
    1 Patricia Crone, Quraysh and the Roman army: Making sense of the Meccan leather trade, Bulletin of SOAS, 70, 1 (2007), 63
    2 Plinius de Oudere (Gaius Plinius Secundus maior), boek 5:12, boek 12:11
    3 Vertaling Stevenson, 19632, boek 5
    4 Strabo, boek 16, hoofdstuk 3
    5 Horticultural Reviews, Volume 39, Jules Janick, pagina ?
    6 Vertaling Jones – Strabo, Boek 1,. Hoofdstuk 2, Sectie 34
    7 Horticultural Reviews, Volume 39, Jules Janick, sectie 'Frankincense, Myrrh and Balm of Gilead: Ancient Spices of Southern Arabia and Judea', Shimshon Ben-Yehoshua
    8 ibid
    9 ibid
    10 Vertaling Jones, 1924, boek XVI
    11 Casson 1989
    12 Erickson-Gini 2006
    13 Graf 1996; Hack et al. 2003
    14 Plinius de Oudere, Boek 12, Hoofdstuk 32
    15 Johnson 1987
    16 Danin, 1983
    17 Johnson 1987
    18 Hammond 1973, Negev 1986, Jhonson 1987
    19 P. Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam (Oxford and Princeton, 1987), chs 4, 5, with the sources claiming that they stopped trading some time before the rise of Islam at 110 f.
    20 P. Crone, How did the quranic pagans make a living?, Bulletin of the School of Oriental and African Studies 68/3, 2005, 387–99.
    21 Ibn Hisha¯m, al-Sı¯ra al-nabawiyya, ed. M. al-Saqqa¯, I. al-Abya¯rı¯ and A.-H˙ . Shiblı¯, second printing (Cairo, 1955), i, 398
    22 Crone, Meccan Trade, 98; cf. also M. J. Kister, O God, Tighten thy Grip on Mud˙ ar, Journal of the Economic and Social History of the Orient 24, 1981, 261 f
    23 C. van Driel-Murray, The production and supply of military leatherwork in the first and second centuries A.D.: a review of the archaeological evidence, in M. C. Bishop (ed.), The Production and Distribution of Roman Military Equipment (BAR International Series 275, Oxford, 1985),
    24 Isaac, Limits of Empire, 291 (in connection with a visit of Diocletian to Egypt in 298, where they procure them as part of the annona).
    25 Kissel, Untersuchungen, 223 f., where the number of calves is put at 27,000; the number is doubled in P. S. Wells, The Barbarians Speak: How the Conquered Peoples Shaped Roman Europe (Princeton and Oxford, 1999), 145, who speaks of 54,000 calves, which sounds more plausible, but he does not give his source.
    26 Whitby, Recruitment, 92–103.
    27 S. T. Parker, Retrospective on the Arabian frontier after a decade of research, in P. Freeman and D. Kennedy (eds), The Defence of the Roman and Byzantine East, part i (BAR international series 297(i), Oxford, 1986), 633, 648 ff.
    28 Patricia Crone, “Quraysh and the Roman army: Making sense of the Meccan leather trade”, Princeton, 2007, page 71
    29 Greatrex-Lieu (2002), II, 62
    30 For the interpretation of the Thamu¯d in this inscription as an ethnic unit of the Roman army, see M. C. A. MacDonald, Quelques re´flexions sur les sarace`nes, l’inscription de Rawwa¯fa et l’arme´e romaine, in H. Lozachmeur (eds), Pre´sence arabe dans le croissant fertile avant l’He´gire (Paris, 1995), 98 ff
    31 Bowersock, Roman Arabia, 95 f., 107, 157; cf. Graf, Qura Arabiyya, who rejects the idea that there was a toll station there and suggests that the troops were exploratores, ‘‘probes and protusions from the imperial borders [which] provided surveillance of the major routes leading into the provinces and monitored any dramatic settlement changes or population shifts along the frontiers’’
    32 K. Butcher, Roman Syria (London and Los Angeles, 2003), 140.
    33 Cf. Isaac, Limits of Empire, 290 f
    34 Patricia Crone, “Quraysh and the Roman army: Making sense of the Meccan leather trade”, Princeton, 2007, page 76
    35 Al-Ja¯h ˙ iz ˙ and al-Tha a¯libı¯ in Crone, Meccan Trade, 103. We also hear of a Byzantine trader who sold a cloak for a hundred camels in Mecca itself (Agha¯nı¯, xviii, 123).
    36 Crone, Meccan Trade, 98, n. 43
    37 An imperial edict of 408–409 identifies Nisibis, Artaxata and Callinicum as the only places where traders coming from Mesopotamia could bring their goods into the empire, and the peace treaty of 561 instructs the Arabs to bring their goods to Daras and Nisibis instead of trying to smuggle them in, threatening them with dire punishments. At the designated points of entry, they could be searched for proof that they were bona fide traders rather than spies and also made to pay (I. Kawar (alias Shahid), The Arabs in the peace treaty of A.D. 561, Arabica 3, 1956, 192 f, 196; cf. above, n. 3).
    38 'Ikrima in al-Suyu¯t ˙ ¯ı, Kita¯b al-durr al-manthu¯r fı¯ ’l-tafsı¯r bi’l-ma’thu¯r (Beirut, 1983), viii, 638, ad 106:2.
    39 Crone, Meccan Trade, 119, n. 54 (Muqa¯til, supported by Abu¯ ’l-Baqa¯’).
    40 E. W. Brooks (tr.), The chronological canon of James of Edessa, Zeitschrift der Deutschen Morgenla¨ndischen Gesellschaft 53, 1899, 323.
    41 Patricia Crone, “Quraysh and the Roman army: Making sense of the Meccan leather trade”, Princeton, 2007, page 84
    42 Watt 1986, p. 434
    43 Peters 1994, p. 14.
    44 Christoph Luxenberg, 'The Syro-Aramaic Reading of the Koran', page 237
    45 Watt 1986, p. 435
    46 Christoph Luxenberg, 'The Syro-Aramaic Reading of the Koran', page 236
    47 Rudolf Steiner, Kernpunten van de Antroposofie, page 285
    49 'Arabs and Empires Before Islam', edited by Greg Fisher, isbn-13: 978-0199654529, page 423
    50 ibid, page 423
    51 ibid, page 424
    52 Al-Ghul Omar. Preliminary Notes on the Arabic Material in the Petra Papyri . In: Topoi, volume 14/1, 2006. pp. 139-169;
    53 ibid page 167
    54 ibid page 167
    55 ibid page 168
    56 ISSERLIN 1975, p. 18 ; WESTENHOLZ 1990, p. 392
    57 Hinds 1991; Hawting 1986: 24-45
    58 A single protocol bearing the rulers name in Greek and Arabic—abdella Mouaouia amiralmoumnin / abd Allah Mua'wiya amÂr al-mu'minin. See Grohmann (1960: 6-13). That Mua'wiya name appears only on this protocol, and never in the text of the papyri, indicates how limited was central influence upon the provincial administration of Egypt.
    59 A Greek inscription dated 42/662-3 recording the restoration of the baths at Hammet Gader (Palestine) by the governor (symboulos) ®Abd Allah bin. Abi Hashim 'in the days of the servant of God Mua'wiya, the commander of the believers' – abdalla Maavia amera almoumenen. See Green and Tsafrir (1982: 94-96). An Arabic inscription dated 58/678 recording the con- struction of a dam near Ta'if (Arabia) 'on behalf of the servant of God Mua'wiya , the com mander of the believers. . . O God, forgive the servant of God Mua'wiya, the commander of the believers, strengthen him and help him, and let the faithful profit by him.' See Miles(1948: 237, 241, plate XVIIIA, also 239, n. 18 for a possible third inscription of Mua'wiya).
    60 Archeology and the early history of Islam, page 421
    61 idib
    62 See Kraemer (1958: 175-87, 190-95, nos. 60-63, 67-6; 188-90, no. 64, is not from Nessana).
    63 Kraemer 1958: 178
    64 Archeology and the early history of Islam, page 422
    65 Kraemer (1958: 168-71, no. 58): “the land survey of the Saracens”
    66 Palmer, Brock, and Hoyland 1993: 31-32; Hoyland 1997: 136-39
    67 P. Crone, How did the quranic pagans make a living?, Bulletin of the School of Oriental and African Studies 68/3, 2005, 387–99.
    68 Approaches to the Qur'an, G.R. Hawting, page 261
    69 ibid.
    70 Die Enstehung einer Weltreligion II, 'Der aramaische Wortschats des Koran', Markus Gross und Karl-Heinz Ohlig
    71 “Von der aramaischen Lesekultur zur aramaischen Schreibkultur II: Der aramaische Wortschatz des Koran”, Robert Kerr, Berling Schiller 2012, pp 553-614
    72 “Muhammed and the Origins of Islam”, Peters, page 121
    73 Muhammad: prophet and statesman, William Montgomery Watt, Oxford University Press US. ISBN 0-19-881078-4 , 1974, pages 117-119.
    74 Nederlandse vertalingen van de Koran zijn hier onbruikbaar: in het Klassiek Arabisch van de Koran wordt Abraham aangeduid als 'hanif' en niet als moslim. Het woord moslim komt niet als zodanig voor in de Arabische Koran, alleen in evangelische vertalingen.
    75 The Quran and the Secular Mind: A Philosophy of islam, Shabbir Ahkbar, page 27
    76 The Quran and the Secular Mind: A Philosophy of islam, Shabbir Ahkbar, page 28
    77 “The Empress Theodora: Partner of Justinian”, James Allan Evans, page 7
    78 Shahîd 1995, pages 225–226
    79 Martindale, Jones & Morris 1992, page 113
    80 Greatrex & Lieu 2002, page 112
    81 The Blackwell Companion to Eastern Christianity, by Ken Parry 2009, ISBN 1-4443-3361-5 page 88
    82 Koenen, page 728-729, 'Prelimanry Observations on Legal Matters in P.Petra 10'
    83 Koenen, page 740 with n.42
    84 Cf Koene, Daniel and Gagas, 'Petra in the Sixth Century', page 251, This papyrus was published in 2013
    85 Written in 562 CE
    86 Patricia Crone, 'Islam, the Ancient Near East and Varieties of Godlessness', Volume III, page 18
    87 ibid, page 19
    88 ibid, page 19-20
    89 Waqidi, Maghazi, i, 100, 107, 139
    90 Patricia Crone, 'Islam, the Ancient Near East and Varieties of Godlessness', Volume III, page 24
    91 ibid, page 24
    92 Attested by multiple classical Arab judicians and historians
    93 A Musil, Arabia Petraea (Vienna 1907-1908), 3, page 294
    94 Modrzejeewski, 'Dirrito romano e diritti locali', 1993, Storia di Roma III.2, pages 988 – 1005
    95 Patricia Crone, 'Islam, the Ancient Near East and Varieties of Godlessness', Volume III, page 41
    96 Tawil, (1993). Early Arab Icons: Literary and Archaeological Evidence for the Cult of Religious Images in Pre-Islamic Arabia
    97 Ibn Ishaq Sirat Rasul Allah, pp. 165-167.
    98 John F. Healey, The Religion of the Nabataeans: A Conspectus, pages 9-11

Bibiliografie
Tawil, (1993). Early Arab Icons: Literary and Archaeological Evidence for the Cult of Religious Images in Pre-Islamic Arabia

Afbeelding
De oostelijke thaniya die toegang biedt tot het hoog gelegen gedeelte van Petra. "Wanneer de profeet naar Mekka reisde kwam hij de stad binnen via de hoge zijde en verliet hij haar via de lage zijde”, zo vertelt Al-Boekhari in hadith 2:647. Links op de foto is de watergeul te zien die van het westen naar het oosten loopt.

Afbeelding
Fragment van de beroemde Madaba mozaïek kaart met de stad Petra

Afbeelding
De Dode Zee met op de achtergrond het Kerak plateau.

Afbeelding
Al-Karak (Medina) in Jordanië
Laatst gewijzigd door Wilfred op Ma Aug 14, 2017 4:42 pm, 13 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Wo Nov 30, 2016 3:09 pm

Hoofdstuk 5: Religieuze Patronen




-------------------------------------------------------

Toelichting: deze paragraaf gaat in op de afwezigheid van de Islamitische doctrine in de zevende en achtste eeuw.

Afwezigheid van Islam in de zevende eeuw
Voordat we kunnen bepalen welke regio's dit zijn moeten we een analyse van de Islamitische tijdslijn en de daarvoor beschikbare bewijsvoering maken. Jeremy Johns uit in zijn essay Archeology and the history of early Islam: The first seventy years zijn frustratie over het feit dat de eerste zeventig jaar van de Islamitische traditie niet ondersteund wordt door archeologisch materiaal. Zo zijn de eerste, incidentele, islamitische uitingen pas zichtbaar na het jaar 691 (Koepelrots Jeruzalem) terwijl een Arabisch Rijk dan reeds bestaat.

Uiteraard is de het ontbreken van bewijs geen bewijs voor de afwezigheid van Mohammed of de Islam in de zevende eeuw. Maar de afwezigheid van bewijs is een groot probleem. Johnson veronderstelt dat pas na 750 of 760 worden de eerste moskeeën gebouwd, of beter gezegd: heiligdommen die als zodanig herkenbaar zijn. Wetenschappers als Julian Raby (Oriental Studies, Oxford) stellen dat de vroegste overblijfselen van de al-Aksa moskee in Jeruzalem te herleiden zijn naar de eerste helft van de zevende eeuw. Voor deze premisse is echter geen archeologisch bewijs en kan Raby slechts op basis van literaire aanknopingspunten dit herleiden uit een eigen opgestelde historische tijdslijn. Zonder nieuw bewijs is de voorlopige conclusie dat tussen de verschijning van de naam Mohammed (691) en de bouw van de eerste moskeeën een kloof van minstens zeventig jaar gaapt, een fenomeen dat overeenkomt met de ontwikkeling van de openlucht moskeeën.

De afwezigheid van archeologisch bewijs indiceert tevens, zoals Wansbrough eerder schreef, dat politieke en/of theologische stromingen van bovenaf een ontwikkeling hebben aangestuurd die stapsgewijs de Islamitische doctrine in het openbare leven introduceerde. Aangezien Jeremy Johns de kans klein acht dat komende archeologische onderzoeken hier nieuwe inzichten zullen verschaffen moeten we of op zoek naar materiaal uit andere wetenschappelijke disciplines of mogelijk het beschikbare materiaal anders interpreteren. Jeremy Johnson concludeert zelf in zijn essay dat de 'afwezigheid van bewijs frustrerend is' naar niet de veronderstelling ondermijnt 'dat er al een cultus was met de essentiële kenmerken van de Islam'. Nog frustrerender vindt hij dat er geen archeologisch onderzoek mogelijk is naar de rol van Mohammed en de vroegste ontwikkelingen op het Arabisch Schiereiland. De twee heiligste moskeeën van de Islam in Mekka en Medina zijn aan het einde van de vorige eeuw tot de grond aan toe afgebroken en zodanig herbouwd dat verder archeologisch vrijwel onmogelijk is. De regering van Saoedi-Arabië ontmoedigt en boycot elke archeologisch onderzoek dat nieuwe bewijzen of inzichten zou kunnen verschaffen over religie en religiositeit in de zesde of zevende eeuw.

Afwezigheid van de Islam in de achtste eeuw
Een ander probleem is dat minstens tot de tweede helft van de achtste eeuw, of mogelijk nog later, de Islam als religieus systeem of geloofszuil grotendeels ontbreekt in het openbare leven. Indien Islam op dit moment de dominante religie is mag je op zijn minst verwachten dat dit zichtbaar wordt in bijvoorbeeld staatsdocumenten, archeologische vondsten, inscripties en historische verhandelingen. Aan de hand van een aantal case studies willen wij onderzoeken of dit ook het geval is. De Koran vertelt dat de Romeinen in adna al-ardi, het dichtstbijzijnde land, zijn verslagen. Met Romeinen refereert de Koran aan Romanoi, zoals de Byzantijnen zichzelf noemden. Zoals we nu weten was dat bij Aeropolis, ten oosten van de Dode Zee en zijn de heilige steden van de Islam Petra en Al-Karak.

Eerste case studie: de Negev
De Negev woestijn, gelegen is het zuidelijke deel van Israël, is een aantrekkelijke locatie voor onze eerste studie. Vanuit Petra is het slechts 20 kilometer reizen naar de Negev dat in de zevende eeuw dichtbevolkt. Grote steden als bijvoorbeeld Nessana waren centra van commercie, hoogwaardige ambachtelijke en agrarische productiviteit. De dynastie der Ommaijaden vestigden na 660 hun hoofdsteden in de onmiddellijke nabijheid van de Negev en hadden dus alle mogelijkheden het openbare leven te conformeren aan de regels van de Islam. We verkeren in de gelukkige omstandigheid dat de Negev uitgebreid is onderzocht en dat we de veronderstelde aanwezigheid van de Islam kunnen toetsen.

Waar aanvankelijk werd aangenomen dat de Arabische veroveringen zorgden voor een bevolkingsafname en het verdwijnen van steden en dorpen toont archeologische data nu dat er sprake is van een geleidelijke transitie van de Byzantijnse naar de Arabische periode. Het is nu misschien moeilijk voor te stellen maar in de zesde eeuw waren er vele steden in de Negev omringd door sterk ontwikkelde agrarische omgevingen. De meeste steden werden bewoond tot ten minstens het jaar 750 of de tiende eeuw. In de stad Shivta werd een moskee of Arabisch heiligdom naast de zuidelijke kerk gebouwd. Opmerkelijk hier is dat pas laat in de achtste eeuw of vroeg in de negende eeuw Arabische inscripties met referenties naar Koranische verzen werden geplaatst. In het nabijgelegen Nessana zijn op de vloer van de centrale kerk Arabische inscripties gevonden met verwijzingen naar koranische verzen en islamitische gebeden die dateren uit het begin van de negende eeuw.

Een van de eerste Islamitische steden die in de centrale Negev werd gebouwd is gevonden nabij Sede Boqer. Deze site bestond uit ongeveer 80 woningen met een open moskee op de top van een nabijgelegen heuvel. In en rond de moskee zijn honderden Arabische inscripties gevonden zonder verwijzing naar Koranische of Islamitische bronnen. Deze site staat centraal in de hevig bekritiseerde revisionistische theorie van Nevo en Koren die stelt dat de formele Islam zich pas na 700 ontwikkelt.

De eerste uiting van formaat werd gevonden nabij de historische stad Ayla waar de Arabische heersers rond 750 een fort bouwden met 24 ronde torens. Bij de Egyptische poort is een monumentale inscriptie uit de achtste eeuw gevonden met een verwijzing naar een koranische tekst. 6 Dat de eerste uiting van formaat in de Negev op een gebouw met een militaire functie is gevonden verwijst wederom naar de visie van John Wansbrough, dat de transitie van Arabische naar Islamitische staat is opgelegd door een heersende klasse of door de staat zelf.

De archeologische data over de Negev indiceert dat het proces van culturele en religieuze transformatie zich langzaam voltrekt en pas relatief laat begint. Zo worden moskeeën naast kerken gebouwd 7 en anderen pas aan het einde van de achtste eeuw in gebruik genomen. 8 Het algemene patroon is dat nieuwe religieuze gebruiken, zoals zichtbaar bij openlucht moskeeën, tot het jaar 800 voornamelijk bij nomadische nederzettingen zichtbaar zijn en de steden in de Negev gedomineerd worden door het Christendom. Het is echter niet duidelijk wat die nieuwe gebruiken nu precies waren.

Openlucht moskeeën (gebedsplaatsen)
Lang voordat Islamitische heersers beginnen met het bouwen van gebedsplaatsen in stedelijke gebieden vindt er in nomadische gebieden een opmerkelijke transformatie plaats. Vanaf de bronstijd bouwen nomadische stammen in Palestina en Transjordanië heiligdommen cirkels met staande stenen om hun goden te eren. 9
In 2015 werden in de bergen nabij Eilat meer dan 100 historische sites (tot 8000 jaar oud) ontdekt die duiden op een vruchtbaarheidscultus. Kleine stenen cirkels, vaak geclusterd, bevatten staande stenen die nog het meest lijken op een fallus. Deze staande erectie wordt regelmatig gecomplementeerd met een uitgehakte gat dat een vulva symboliseert. 10 Naar nu wordt aangenomen symboliseert de cirkel de vrouwelijke essentie en de staande steen de mannelijke erectie. De staande steen is ook verbonden aan begrafenisrituelen – de dood werd uitgedrukt door de steen om te keren. Onderzoeker Uzi Avner verwacht dat ook in de Sinaï en het zuiden van Jordanië nog vele sites zullen worden ontdekt. De geografische verspreiding van deze vorm van aanbidding valt samen met het gebied waar west Semitische talen werd gesproken.

In de loop der tijd worden deze cirkels steeds groter en worden ze in de laat Byzantijnse periode of pas in de achtste eeuw vervangen door open moskeeën. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de openlucht moskee bij Nahal 'Oded waar de staande steen worden vervangen door een mihrab, een opening in de gebedsmuur die de richting van een heilige stad aangeeft. Een andere openlucht moskee nabij Be'er Ora in de Negev heeft twee mihrabs (oosten en zuiden) wat suggereert dat de richting van het gebed wordt gewijzigd. Opmerkelijk is dat deze openlucht moskee pas in de tweede helft van de achtste eeuw wordt gebouwd. Open moskeeën, en dan met name die van het hoogland in de Negev, laten een langzame transitie zien van de voorgaande cultus naar een meer Islamitisch georiënteerde eredienst die zich voltrekt in met name de achtste eeuw.

Afbeelding
Openlucht moskee in de omgeving van Nahal Oded, gedateerd op de tweede helft van de achtste eeuw.

Conclusie
Archeologisch onderzoek toont aan dat in de Negev de transitie van paganistische en Christelijke verering naar Islamitische dominantie zich langzaam voltrekt. Pas na 750 worden overheidsgebouwen gebruikt om het Islamitische dogma te propageren en daar is slechts één voorbeeld van te vinden. De steden worden tot minstens het jaar 800 gedomineerd door het Christendom en Arabische gebedshuizen worden zonder problemen naast kerken gebouwd. Hier spreken wij dus nog van gebedshuizen aangezien pas na het begin van de negende eeuw Koranische verzen worden toegevoegd. Er zijn geen manuscripten gevonden die verwijzen naar Islamitische jurisprudentie, theologie, bureaucratie of erediensten. Kortom, de Islam zoals wij die nu kennen ontbreekt volledig in het openbare leven van de achtste eeuw.

Dit schept overigens ruimte voor allerlei interessante vragen. Is er een verband tussen de aloude rituele verering zoals die in openlucht moskeeën plaatsvond en de Kaba? Zijn het de Nabateeërs die deze nomadische tradities hebben geïntroduceerd in de stedelijke omgeving en dan met name Petra? Is het mogelijk dat eredienst in Petra's Kaba is beïnvloed door het reeds aanwezige monotheïsme? Een blik op de huidige Kaba in Mekka (steen met uitgehakte vulva) is voldoende reden om verder te graven. En tenslotte: wat was dan de religie van de Ommaijaden?
Laatst gewijzigd door Wilfred op Do Aug 03, 2017 1:50 pm, 1 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Dec 04, 2016 5:24 pm

Toelichting: deze paragraaf vat de ontwikkelingen in de vierde en vijfde eeuw samen. Beschreven wordt hoe de sektarische strijd in het vroege christendom leidt tot een Byzantijnse verbanningspolitiek die rechtstreeks aan Petra kan worden gelinkt. Tevens beschrijven we de religieuze beleving van de Arabische bevolking in zuidelijk Palestina en Jordanië. In komende publicaties zullen we deze toetsen aan documenten uit de zesde eeuw.

De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en strijd tegen paganisme.

Tot aan het aantreden van Constantijn de Grote in 306 is de macht van het Christendom in het Romeinse Rijk triviaal. Onduidelijk is of Constantijn zich tijdens zijn leven heeft bekeerd; wel staat vast dat voor zijn sterven hij in Niceomedia tot christen wordt gedoopt. (1) Zijn belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling van het vroege Christendom is zonder meer het besluit om te stoppen met het vervolgen. In 313 publiceerde zijn regering het Edict van Milaan dat godsdienstvrijheid aan alle religies toekende. (2) Dit edict was feitelijk de eerste scheiding tussen kerk en staat. Het Romeinse Rijks was nu een staat zonder staatsreligie. Wel zou tijdens zijn regering de invloed van het Christendom op de staat snel toenemen.(3) En dat begint op 7 maart 321 wanneer keizer Constantijn de zondag verheft tot een christelijke feestdag.(4) Vanaf dat moment worden regelmatig edicten vervaardigt die de christelijke invloed op het openbare leven vergroten. Tien jaar later begint men met de canonisatie van de bijbel en de verspreiding van de leer. De kerk maakte bisschoppen verantwoordelijk voor verdere ontwikkeling van kerkelijke doctrines terwijl de keizer zich bezig hield met het opleggen van de kerkelijke doctrine, het bestrijden van ketterij en behouden van de kerkelijke eenheid. (5) Vlak voordat Constantijn sterft beginnen de eerste vervolgingen van niet-christelijke religies met het vernielen van paganistische tempels en ereplaatsen. (6)

Deze politiek van Constantijn is een duidelijke breuk met het verleden. Aangezien de Romeinen regeerden over vele verschillende volkeren waren ze bovenal praktisch ingesteld. Zo zagen zij dezelfde goden onder verschillende namen verschijnen in diverse delen van het imperium en waren zij algemeen genomen tolerant tegenover nieuwe religies die zij tegenkwamen na het veroveren van nieuwe gebieden. (7) De Romeinse benadering van religie bijna syncretisch (het blenderen van overtuigingen en rituelen uit verschillende stromingen).

In tegenstelling tot het veelgodendom van de Romeinen was de nieuwe Christelijke religie monotheïstisch van aard. (8) De vroeg christelijke kerk daarentegen baseerde zich op de Septuagint, een vertaling van van de Hebreeuwse bijbel en gerelateerde teksten naar het Alexandrijnse dialect van het Grieks (ἡ κοινὴ διάλεκτος), dat later het Bijbelse Grieks zou worden. Deze tekst definieert alle goden van niet-christelijke oorsprong als duivels. (9) Het gevolg was een cultuurschok in het Romeinse Rijk, zo halverwege de vierde eeuw. De nieuwe kerkelijke autoriteiten begonnen met een demoniseringspolitiek van niet-christelijke religies aangezien zij de gezanten waren van de “ene en ware god” ( zie hiervoor o.a. De Brieven van Bisschop Ambrosius, Milaan, 384). Stapje bij stapje probeerden zij nu de wereldlijke autoriteiten (zowel de Keizer als gouverneurs) te bewegen maatregelen tegen deze religies in te stellen.

Eerste Maatregelen
Aanvankelijk zijn het dus voornamelijk tempels en religieuze symbolen het doelwit van deze nieuwe politiek en worden afgebroken. (10) Zijn opvolger, Constantijn de Tweede, gaat een stap verder en vaardigt nieuwe wetten uit die het verbiedt om niet-christelijke erediensten te houden en starten burgers met het vandaliseren van niet-christelijke grafmonumenten en tempels. (11)

Op 20 februari 356 vaardigt keizer Constantijn II een wet uit die het verbiedt om paganistische afbeeldingen te vereren of te aanbidden. (12) Dit resoneert naar latere christelijke stromingen die het afbeelden van heiligen verbieden, omdat afgoderij meerdere malen verboden wordt in het Hebreeuwse en Oude testament. U bent wellicht bekend met de beeldenstorm of het iconoclasme, de vernietiging van religieuze afbeeldingen of iconen. De eerste bekende voorbeelden zijn van die van Melkitische koning Iezid II (bekend als Kalief Iezid II van de Ommaijaden in de Islamitische traditie) II die tussen 720 en 724 de vernietiging van alle afbeeldingen in Christelijke kerken verordonneerde en de Byzantijnse keizer Leo III die in 726 tot hetzelfde besluit kwam. (13) (14)
In ieder geval zal het verbod op afbeeldingen stapsgewijs uitgroeien naar een totalitair dogma dat in de zesde eeuw het Byzantijnse Rijk verleidt tot een aantal vernietigingsoorlogen tegen niet-christelijke volkeren en dan met name de Samaritanen. De oorsprong van het iconoclasme vinden we in de leer van het Monofysitisme (hier zullen we later uitgebreid aandacht aan besteden). Al vroeg in de vijfde eeuw verbood de Monofysistische bisschop van Hierapolis, Philoxenus van Mabbug, het afbeelden van heiligen en engelen. Aanhangers van deze leer hadden al lang veelvuldig geklaagd over het gebruik van religieuze afbeeldingen lang voordat de Byzantijnse controversie in 726 uitbrak en waren sterk vertegenwoordigd in de Levant en Egypte. (15)(16) Deze denkbeelden weren later overgenomen door onder meer de Paulicianen, een christelijke sekte uit de zuidelijke Kaukasus, orthodoxe gelovigen op het Byzantijnse platteland en geformaliseerd door Johannes van Damascus rond het jaar 730. (17)

Impact van deze maatregelen
De impact van alle maatregelen tegen heidense praktijken zijn voorlopig gering. De Byzantijnse keizers regeren over een groot rijk, een groot deel van de bevolking is (semi) paganistisch en te talrijk om in een christelijk keurslijf te worden gedwongen. Uitvoering van de wetgeving wordt vooral verhinderd door het grote aantal 'paganistische' magistraten en gouverneurs in het Byzantijnse Rijk. Tussen 361 en 375 leven paganisten daarom in relatieve rust. Maar stapsgewijs worden maatregelen doorgevoerd en blijven christelijke proclamaties andersgelovigen beledigen:

    365: Een Byzantijns edict verbiedt paganisten om als officier christelijke gelovigen aan te voeren.
    379: De geloofsbelijdenis van Nicene wordt per keizerlijk decreet de christelijk standaard binnen het Byzantijnse Rijk.
    381: Theodosius I verbiedt het bezoeken van heidense tempels en erediensten. Hiermee begint officieel de vervolging van de Romeinse religie in het Oost-Romeinse Rijk. Keizer Theodosius herbekrachtigd de ban die Constantijn uitsprak over Romeinse tradities. Hij vaardigt nieuwe wetten uit die het mogelijk maken magistraten te vervolgen indien zij niet optreden tegen polytheïsten en staat aanvallen op Romeinse tempels oogluikend toe.
    384: Theodosius I laat heidense tempels in Klein-Azië afbreken.
    389: Vertegenwoordigers van Christelijke stromingen die de standaard van Nicaea niet volgen worden uit de officiële kerk gezet. Arianen worden uit Constantinopel verdreven en hun kerken gesloten.

In 392 wordt Keizer Theodosius I alleenheerser wanneer de troon van het West-Romeinse Rijk hem toekomt. Nadat bisschop Ambrosius van Milaan in 390 Theodosius I bedreigt met excommunicatie escaleert het. Op 8 november 392 verbiedt Theodosius I alle niet-christelijke rituelen als bijgeloof (gentellica superstitio) en verordonneert grootschalige vervolgingen van niet-christelijke religieuzen. Het infame Edict van Theodosius uit 391 verklaart de oorlog aan het paganisme, inclusief de semi-christelijke religies van het Midden-Oosten. Hij beveelt de sluiting en vernietiging van tempels, heilige plekken, iconen en religieuze relikwieën door het gehele Romeinse Rijk.

Paganistische opstanden in Palestina en Transjordanië
Theodosius I draagt Cynegius, Pretoriaanse prefect van het oostelijke rijksdeel, op om de aanbidding van valse goden in Palestina en Egypte te verbieden en hun tempels af te breken. Deze vernietiging van heiligdommen vind plaats onder aanvoering van orthodoxe bisschoppen en monniken. Plaatsen waar deze vernielingen plaatsvinden hebben algemeen genomen in een apart ommuurd stadsdeel een garnizoen, bisschops- of gouverneurszetel. Veel steden in het Byzantijnse deel in Het Midden-Oosten hebben een gemengde bevolking die verschillende religies aanhangen. De Byzantijnse bovenlaag woont, voor de eigen veiligheid, in een eigen wijk. Ook nu blijkt dat regeren vooruitzien is. Er breken hierop opstanden in steden als Petra, Aeropolis en andere steden in de Levant. In deze steden zijn sterke zuilen aanwezig die zich hevig verzetten tegen de politiek van Theodosius I.

In ieder geval is Theodosius I niet onder de indruk. In 393 scherpt hij zijn wetgeving verder aan met het verbieden van elke publieke uiting van niet-christelijke religieuze gebruiken. Tevens pakt hij aanhangers van het manicheïsme, een dualistische filosofische stroming uit de late oudheid, keihard aan. De stroming leerde over de algehele tegenstelling tussen licht en duisternis, tussen goed en kwaad, tussen ziel en stof. In dit dualisme zag Mani, de oprichter, zich als de door Jezus beloofde definitieve verlosser. De canon van deze stroming wordt grotendeels geschreven in het Syro-Aramees. Volgens wetenschapper Kurt Rudolph was Manicheïsme de populairste vorm van gnosticisme. Het was zo verspreid dat hij het als een van de vier wereldreligies beschouwt, samen met Boeddhisme, Christendom en de Islam.

Arabisch of Paganistisch Christendom
Om de 'paganistische' opstanden langs de aloude Koningsweg, in steden als Petra en Aeropolis, te begrijpen moeten we een ontwikkeling duiden die zich langzaam aftekent na de eerste eeuw. Dat begint met een studie van het vroege Christendom.

Het heeft lang geduurd voordat het besef ontstond dat het vroege Christendom helemaal niet zo unitair was als de kerkelijke traditie altijd voorschreef. Tot 1934 waren afwijkende visies over de ontwikkeling van het Christendom heidens omdat vrijwel unaniem werd aangenomen dat de Katholieke en Orthodox-christelijke traditie het authentieke Christendom vertegenwoordigden. De publicatie van Walter Bauer's Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten Christentum maakte echter duidelijk dat het vroege Christendom divers was en verscheidene stromingen omvatte die allen een gelijkwaardige claim op de apostolische traditie konden doen gelden. I
In de tweede en derde eeuw zijn er talloze stromingen die elkaar beconcurreren, bevechten en een plek in de (lokale) machtsstructuur proberen te verwerven. Het oosten van het Romeinse Rijk en de Levant zijn vergeven van profeten, sektes en missionarissen die allen een eigen visie op het christelijke evangelie hebben. Arianen, Ebonieten, Basilidiërs, Mandaeërs, Kaïnieten, Borboriten, Carpocratiërs, Simonianen, Ophiten, Marcionisten, Adoptionisten en andere Gnostici hadden alle aperte visies. Later komen daar nog stromingen bij als het Monofysitisme en Nestorianisme die zelf ook weer versplinteren.

Richtingenstrijd
Het belangrijkste theologische struikelblok hierbij is hoe de relatie tussen God en Jezus moet worden gedefinieerd. Rond het jaar 300 steunen veel theologen het dogma van de drie-eenheid, het idee dat er één God bestaat in drie goddelijke personen (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Helaas is niet iedereen even enthousiast. De Arianen bijvoorbeeld stellen dat zowel Jezus als de Heilige Geest ondergeschikt zijn aan God. Keizer Constantijn moet daarom na zijn aantreden al snel handelend optreden. Om te voorkomen dat hij voortdurend moet bemiddelen bij verschillende religieuze conflicten roept hij in 325 het Concilie van Nicaea bijeen, effectief de eerste Oecumenische bijeenkomst. Het is een eerste poging om een orthodoxe standaard voor de gehele kerk te definiëren.

Het resultaat is een geloofsbelijdenis, de drie-eenheid, die stelt dat God en Jezus Christus, zijn zoon, van “dezelfde substantie” zijn. Substantie refereert hier aan het Griekse woord homoousios dat in religieuze werken van die tijd werd gebruikt om de relatie tussen God en Jezus Christus aan te geven, en dan met name om het dogma van de drie-eenheid te bevestigen. Dit gegeven zullen we later gebruiken worden om te bepalen hoever een christelijke stroming afstaat van de officiële doctrine.

Keizer Constantijn heeft ook een sterk persoonlijk belang bij het Concilie van Nicaea. Na de tumultueuze derde eeuw, waarin Romeinse Keizers maar kort regeerden en de ene staatsgreep de andere opvolgde, kunnen nieuwe vormen en groepen zijn bewind legitimeren. Tot dan toe waren keizers alleen verantwoording schuldig aan de goden, als ze al niet zelf als god werden aanbeden. Na 325 krijgen Romeinse keizers een nieuwe rol: de plicht om als beschermheer van de kerk de orthodoxe standaard te handhaven en te versterken. Dit wordt uiteindelijk de strijd tussen de doctrine van de drie-eenheid van de staatskerk en sektarische stromingen die daar toch iets anders over dachten. Na 325 volgen er talloze conflicten. Nieuwe concilies worden bijeengeroepen en de kerkelijke autoriteiten in Constantinopel werken voortdurend aan de versterking van de orthodoxe doctrine.

Deze conflicten is de Byzantijnse en Aramese Christelijke gemeenschappen zijn doorgaans goed gedocumenteerd. Een uitzondering is de ontwikkeling binnen de Arabische gemeenschappen van het Byzantijnse Rijk. Deze bevolkingsgroep heeft nog geen eigen schrift hoewel hier en daar pogingen worden gedaan om een Arabisch schrift te ontwikkelen. Toch zijn er voldoende aanwijzingen dat na de eerste eeuw deze groep een aparte ontwikkeling doormaakt. Joodse bronnen zoals de Babylonische Talmoed, Flavius Josephus in de eerste eeuw en Christelijke bronnen als Sozomenos van Gaza (rond het jaar 450) getuigen dat de paganistische religie van Arabische stammen (in het Byzantijnse Rijk) in de laat antieke periode zich langzaam vormt naar een meer hybride vorm waarin Christelijke en Joodse elementen een grote rol spelen. Vooral Abraham en Ismael spelen hier een grote rol. Flavius Josephus indiceert dat zijn publiek weet dat de Arabieren van de Bijbelse Ismael afstammen en hun oorspronkelijke geloofsovertuiging (deels) hebben verlaten. Dit blijkt uit meerdere bronnen zoals bijvoorbeeld het nieuwe testament, iets dat we later zullen uitwerken.

Zeer relevant is wat Sozomenos schrijft ergens tussen 440 en 443 in een werk opgedragen aan Keizer Theodosius II:

“Deze stam vindt zijn oorsprong in Ismaël, de zoon van Abraham en werd ook zo genoemd. De ouden noemden ze Ismaëlieten vanwege deze afkomst. Om niet beschuldigd te worden van onwettige afstamming, Ismaëls moeder had namelijk een lage status, noemden zij zich 'Sara-cenen', alsof zij afstamden van Abrahams vrouw, Sara. Vanwege deze afkomst zijn zij allen besneden, onthouden zij zich van varkensvlees en volgen zij de Joodse gebruiken.
Maar men moet niet denken dat zij altijd op deze wijze hebben geleefd, hetzij door het tijdsverloop of omgang met leden van omringende gemeenschappen.

Zij (de duivelsaanbidders) die in de nabijheid van de Ismaëlieten woonden hebben waarschijnlijk de oorspronkelijke (voorouderlijke) wijze van leven van de Ismaëlieten vernietigd, de enige levenswijze die de oude Hebreeën kenden voor de invoering van de Mozaïsche wetgeving, daarbij steunend op ongeschreven tradities. De Ismaëlieten hebben deze demonen zonder twijfel vereerd en aanbeden op de heidense wijze van hun buurvolkeren en toonden zo waarom zij hun voorouderlijke wetten verwaarloosden. Na een lange periode waren zij sommige wetten vergeten en stonden toe dat andere wetten overbodig werden door veroudering.

Hierna werden sommigen bekend met de levenswijze van de Joden en beseften zodoende wat ze waren geworden. Zij keerden daarop terug naar de levensstijl van hun voorouders en adopteerden Joodse gebruiken en wetten. Vanaf dat moment leven velen onder hun in de Joodse traditie.”


Dit schrijven is uiteraard evident. Minder dan 150 jaar voor de geboorte van de profeet Mohammed hebben we gedetailleerde beschrijving die vertelt hoe de religieuze beleving van Arabische gemeenschappen zich vormde in de vijfde eeuw. Blijkbaar is die vergelijkbaar met, gelijk aan of geïnspireerd door het Jodendom en het Abrahamisme. De observaties van Sozomenos vonden plaats in zuidelijk Palestina alwaar de Arabische bevolking van oudsher nauwe culture banden onderhield met die van Transjordanië. Hoe nauw zal later blijken wanneer we de Petra papyri vergelijken met die van Nessana. In ieder geval maakt het inzichtelijk waarom steden als Petra en Aeropolis in opstand kwamen. De Abrahamistische bevolking verzette zich tegen de rigide Byzantijnse maatregelen, en dan waarschijnlijk in hoge mate tegen het concept van de drie-eenheid.

Maar het verslag van Sozomenos roept nieuwe en mogelijk cruciale onderzoeksvragen op. Welke volkeren en/of gebeurtenissen hebben de Ismaëlieten zodanig kunnen beïnvloeden dat zij tijdelijk hun Abrahamistische oorsprong vergaten? En kunnen wij de beschrijving van Sozomenos toetsen aan de ontwikkelingen in Transjordanië, het gebied tussen Petra en M'adina? Voordat we hier verder op ingaan bestuderen we eerst de ontwikkelingen in de vijfde eeuw.

Byzantijnse vervolgingen in de vijfde en zesde eeuw
Aan het begin van der vijfde eeuw zoeken Byzantijnse keizers naar praktische oplossingen voor alle sektarische problematiek binnen het rijk. De standaard van Nicaea heeft voor meer onrust gezorgd en nieuwe theologische conflicten duiken voortdurend op. Wanneer de Byzantijnse Keizer Theodosius de Tweede in 408 wordt bekleed met regeringsmacht zit hij dan ook opgescheept met de rigide wetgeving van zijn voorgangers. Op een van zijn eerste reizen bezoekt hij Petra in Transjordanië. Hij raakt danig onder de druk van de desolaatheid en afgelegenheid van deze stad. Is Petra misschien de ideale plaats om sektarische dissidenten te isoleren?

Ontwikkeling van de Byzantijnse verbanningspolitiek
Verbanning naar grensgebieden of gebieden die onder direct militair gezag stonden waren tot het jaar 400 uiterst zeldzaam. Tenminste, vooral voor senatoren en hoogwaardigheidsbekleders die rechtstreeks door de keizer waren veroordeeld. In de loop van de vierde eeuw ontstaat een patroon waarbij gouverneurs, imperiale magistraten en de Byzantijnse keizer steeds meer kiezen voor verbanning naar de buitengebieden van het Rijk. Steden waar sektarische dissidenten naar toe worden gestuurd liggen voornamelijk in de bisdommen van Thrace en Pontus, het zuiden van Egypte en kerkprovincies in oostelijk Palestina zoals Palmyra, Petra en Aila. Een aantal verbanningsgebieden lagen ook in gebieden waar hevig werd gevochten zoals in de bergen tussen Cappadocia en Armenië.

Met het aantreden van de Romeinse keizer Constantijn veranderen stapsgewijs de overwegingen om iemand wel of niet te verbannen. Zo vindt men nu dat de plek van verbanning in overeenstemming moet zijn met de zwaarte van de misdaad. Tegelijkertijd associeert men verbanning nu met sociale hygiëne. Vooral religieuze misdaad wordt nu geassocieerd met zaken als ziekte, overlijden en besmetting. Om te voorkomen dat de directe omgeving ook werd getroffen door, wat velen zagen als een straf van god, was het niet meer dan redelijk om de dissident zover mogelijk te verbannen. Heidenen en ketters moesten afgezonderd worden zodat de gedachten van de mensen gezuiverd konden worden (tergeantur). Of in de bewoordingen van de Theodosische edicten uit 429: “Adeant loca, quae eos potissimum quasi vallo quodam ab humana communione secludant.” Dissidenten werden naar plaatsen gezonden waar zij als het ware door een fortificatie (vallum) gescheiden werden van 'de gemeenschap der mensen'.

Het verbannen van dissidenten werd in laat Byzantijnse wetgeving omschreven als trudere, contrudedre of detruderte, begrippen die eerder alleen werden gebruikt of veroordelingen voor gevangenisstraffen of 'taakstraffen' in de mijnen van het Rijk. Hoe dan ook, dissidenten moesten zover mogelijk worden afgezonderd (in aliis locis vicant) zodat zij hun bederfelijke opvattingen niet aan anderen konden overdragen.

Nestorius: gedocumenteerde verbanning naar Petra
Tegen deze achtergrond raakt Theodosius II na 430 bij het conflict rond Nestorius. Eigentijdse bronnen stellen dat deze monnik in 381 of 386 wordt geboren in Germanicia in de Romeinse provincie Syria. Ook Nestorius heeft zo zijn eigen opvattingen over de drie-eenheid en de goddelijke natuur van Jezus Christus. Hij werd destijds door velen beschouwd als een religieuze liberaal die trachtte te bemiddelen tussen verschillende opvattingen. Of dit ook werkelijk zo was valt te betwijfelen. Nadat hij in 428 aartsbisschop van Constantinopel wordt sanctioneert hij gelovigen die Maria de moeder van God noemen. Volgens Nestorius kon Maria alleen moeder zijn van de menselijke Jezus Christus (Christotokos Χριστοτόκος), aangezien Jezus ook een goddelijke aard heeft. Dat leverde Nestorius uiteraard een theologisch meningsverschil op.

De patriarch van Alexandrië, Cyrillus, legt deze kwestie in 430 voor aan paus Celestinus I. Tijdens het Concilie van Efeze in 431, bijeengeroepen door de Byzantijnse keizer Theodosius de Tweede, wordt Maria definitief gedefinieerd als de Moeder Gods en Nestorius veroordeeld voor zijn opvattingen. Op 22 juni 431 wordt Nestorius veroordeeld en in augustus 431 definitief afgezet. Wat nu vervolgens gebeurd is zeer belangrijk voor dit onderzoek. Theodosius besluit zich te ontdoen van beide kemphanen. Nadat ze eerst onder huisarrest worden geplaatst werden beiden later verbannen.

In Petris exiliari decernimus
In het jaar 435 stuurt Theodosius Nestorius in ballingschap naar Petra. In een brief aan de Pretoriaanse prefect Isidorus schrijft Theodosius II: “In Petris exiliari decernimus” en dat “zondaren is een isolement moeten worden geplaatst opdat zij lijden in eenzaamheid”. Hoewel Petra in de vijfde eeuw zeker niet geïsoleerd was lag het afgelegen en was de bevolking in meerderheid nog paganistisch. Het was zeker een motief om aan het begin van de vijfde eeuw meerdere 'ketters' te verbannen naar Petra. In 435 werden meer aanhangers van Nestorius naar Petra verbannen, waaronder Irenaeus en Photius. Theodosius II instrueert prefect Isidorus om Irenaeus en Photius te laten begeleiden door twee singulares en vier paarden. Twee paarden vervoeren voorraden, de anderen dragen de begeleiders. Irenaeus en Photius worden gedwongen de lange weg naar Petra naar Petra te voet af te leggen.

Blijkbaar werd Petra gezien als de ideale plek voor het afzonderen van religieuze dissidenten. Zij die ongehoorzaam waren aan de orthodox-christelijke doctrine vertrokken veelal naar Petra. De bekendste voorbeelden zijn wel de bisschoppen Flavianus van Antioch, Maras III van Amida en Nestorius van Constantinopel.Maar ook minder bekende dissidenten als Irenaeus en Photius werden dus naar Petra gezonden. Petra was blijkbaar de ideale plek om oosterse sektaristen en christelijke dissidenten te dumpen. De stad was gelegen in een grensstreek van het rijk, ver van de hoofdstad, had een extreem en droog klimaat en een paganistische bevolking die zich in het verleden fel had verzet tegen de oplegging van christelijke dogma's. Bovendien was het de zetel van een gelijknamig Bisdom zodat de machthebbers in Constantinopel periodiek rapporten
ontvingen over wat de dissidenten zo in ballingschap uitvraten.

Het is nu de vraag wat de gevolgen waren van het concentreren van zoveel dissidenten op een plek. Bisschoppen hebben een entourage en zullen zeker niet alleen in ballingschap zijn gegaan. Sektarische leiders hebben volgelingen die mogelijk meereizen met hun verbannen leider. De volgelingen van Nestorius richtten later een kerk op die tot in China zou reiken.

Alle vragen die in deze paragraaf zijn geformuleerd zullen in komende bijdragen worden uitgewerkt.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Zo Jan 08, 2017 10:08 pm, 1 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Dec 18, 2016 5:28 pm

In verband met inpassen nieuw materiaal en herindelingen (forum posts hebben maximaal 64000 karakters) nieuwe updates over enkele weken.

Gebruikersavatar
Ariel
Berichten: 62767
Lid geworden op: Wo Apr 07, 2004 10:30 pm

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Ariel » Zo Dec 18, 2016 5:47 pm

Wilfred schreef:In verband met inpassen nieuw materiaal en herindelingen (forum posts hebben maximaal 64000 karakters) nieuwe updates over enkele weken.


Wij wachten geduldig af. Prettige kerstdagen toegewenst.
Wim Camp, CDA... 'De islam is onze bondgenoot"
I Stand with Israel

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Jan 06, 2017 8:45 pm

Waarvoor dank en de beste wensen voor het komende jaar.

Verwijderd: De eerste post - wordt herschreven als inleiding
Toegevoegd: Eerste Hoofdstuk - Koranische Geografie (tweede post in deze draad)

Nieuwe Islamitische tijdslijn
578: Laatste opstand der Samaritanen wordt neergeslagen. Nog meer Samaritanen migreren naar Transjordanië.
581: Ghassaniden vallen samen Byzantijnse troepen de Sassanidische hoofdstad Ctesiphon aan. De campagne mislukt en de Ghassanidische koning al-Harith ibn Jabalah krijgt de schuld.
584: Byzantijnen ontbinden Ghassanidische federatie.
600-614: Nieuwe stammenfederatie ontstaat in Transjordanië als opvolger van de Ghassanidische federatie met als hoofdstad Al-Karak/Medina. Tegelijkertijd ontstaan nieuwe stammenfederaties in Kufa en Noordwest-Arabië.
614: Perzische Sassaniden en de Medinaanse federatie nemen Byzantijns Jeruzalem in.
622: Mohammed migreert vanuit Petra (Mekka) met de Hunifa naar Al-Karak (Medina).
628: Sassaniden sluiten vrede met de Byzantijnse Keizer Heraclius. Leden Medinaanse coalitie wijken uit maar Al-Karak (Medina).
629: Heraclius levert slag met de federatie van Medina op het slagveld van Mu'tah, ten oosten van Al-Karak
630: Byzantijnen trekken op naar Jeruzalem en trekken op 21 maart 630 de stad binnen.
634: De federatie van Al-Karak (Medina), al dan niet onder leiding van Mohammed, verovert Jeruzalem.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Jan 16, 2017 10:09 pm

Update:
Onze linguïst deed onlangs een zeer interessante ontdekking. Het Koranische Bakka (als plaatsaanduiding voor de Kaba in Mekka) is met behulp van de etymologie te herleiden tot de beroemde ingang van Petra, de Siq. De West-Semitische morfeem bkk staat voor klieven of openen (zie hiervoor onder meer het werk van JJ Clère, 1968) en het afgeleide zelfstandig naamwoord wordt dan de opening of de kloof. In Koran vers 3:96 staat dat het eerste Huis van God nabij/voorbij/bij Bakkah werd gebouwd.

De beroemde ingang tot Petra heet tegenwoordig de as-Sīq en is een nauwe opening of bergkloof met wanden die honderden meters rechtop rijzen en toegang biedt tot de historische stad. Deze nauwe kloof (thaniya) is versierd met zogenaamde Baetylus, heilige stenen die refereren aan het Huis van God, gemaakt van meteorieten en werden gezien als een symbool van God. Tot aan de vijfde/zesde eeuw was Petra het wall street van de Arabische wereld en dagelijks kwamen tientallen karavanen de stad via deze kloof binnen. Maar belangrijker: Koran vers 3:97 stelt zonder meer de bedevaart naar Bakka een absolute aanrader voor iedere gelovige is. Zo was Petra tot de zesde eeuw het centrum van jaarlijkse bedevaarten. Voordat de pelgrim bij de Kaba komt moet hij eerst door de 'Opening', het 'pad' naar het 'Huis van God'. Nabateense inscripties spreken van 'De Heer van het Huis', Dushura, die naast zich een vrouwelijke drie-eenheid noemt, die allen in de Koran (duivelsverzen) worden genoemd.
Hier valt uit af te leiden dat deze traditie reeds oud was, mogelijk vanaf het moment dat de Nabateeërs een koninkrijk stichten dat de Sinaï, Negev, Jordanië en Syrië omvat en mogelijk overeenkomsten toont met beschrijvingen van pelgrimstochten (naar Zion) en rituelen in het oude Testament.

En waarom is dit belangrijk? Er zijn twee onverklaarde (archeologische/historische) fenomenen:
(1) Vlak nadat de Nabateeërs hun koninkrijk stichten (vierde eeuw voor Christus) en Petra aanwijzen als hun hoofdstad, begint met met de bouw van de (Tweede?) tempel in Jeruzalem, de Samaritaanse tempel nabij Sichem, een tempel in het Zuid-Egyptische Samaria, en verschijnt de Joods intelligentsia in Alexandrië die snel de Pentateuch vertaalt naar het Koiné Grieks. De tempels c.q. plaatsen van eredienst worden allen gebouwd op een hoge plaats en zijn gewijd aan Abraham.
(2) In de Joodse kalender ontbreken ongeveer 150 jaar tussen de destructie van de eerste tempel en bouw van de eerste tempel.

Beide fenomenen zouden kunnen worden verklaard met de eenvoudige theorie dat de intredende Nabateeërs de toenmalige inwoners van de Levant, de Edomieten, hebben verdreven waarna zij op verschillende plekken een nieuwe tempel bouwen. Dat kost enige tijd, zeg zo'n 150 jaar? Er is dan een gezamenlijk plek van oorsprong is waarvoor de meest logische kandidaat wederom Petra en omgeving is en mogelijk als 'Zion' is het oude testament wordt aangeduid.

De belangrijkste aanwijzingen hiervoor:
(1) De naam Jeruzalem wordt niet genoemd in de Pentateuch, de eerste vijf boeken van het Oude testament. Wetende dat de archeologie bewijst dat het Jodendom versplinterd nadat de Nabateeërs de Levant binnen trekken, dat alle verspreide groepen kennis hebben van de Pentateuch andere Bijbelboeken jonger zijn kunnen Jeruzalem en Zion onmogelijk dezelfde plaatsen zijn.
(2) Een epigrafische en etymologische ontleding van 'Zion' leidt via de Semitische morfemen syym en swn wederom naar Petra en omgeving.

Samengevat: de boel moet weer worden omgegooid waarvoor wij enige tijd nodig zullen hebben.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Vr Jan 20, 2017 9:19 pm

Debunk Abrahamistische tijdslijn

Het heeft dan een paar dagen geduurd maar de zoektocht naar Zion heeft een duidelijke tijdslijn opgeleverd die begint rond 600 voor Christus en eindigt voorlopig met het ontstaan van de proto-Islam, het Hunifa Abrahamisme.
De tijdslijn verenigt demografische, archeologische, linguïstische en theologische lijnen op een wijze die vrijwel geheel causaal is: er is altijd een logische oorzaak voor de volgende gebeurtenis. De tijdslijn omvat 1000 jaar om antwoord te geven op vragen als waarom de Israëlieten reeds voor Christus zo graag op bedevaart naar Jordaanse plaatsen gingen, het paleo-Hebreeuws plaatsmaakt voor het Aramees, de Samaritanen een eigen schrift ontwikkelen, waarom er in de eerste eeuwen er twee Joodse groepen in Israël zijn zijn met eigen tempels en hoge plaatsen en uiteindelijk een nieuwe wereldgodsdienst ontstaat onder invloed van een samenloop van omstandigheden.

Herkomst Abrahamisme
Alle vormen van Abrahamisme zijn afkomstig uit het gebied langs de beroemde Koningsweg in Jordanië dat ruwweg een gebied omvat van de Dode Zee vallei tussen het huidige Jordaanse Al-Karak en en de beroemde woestijnstad Petra. Dit gebied wordt in de zesde en vijfde eeuw voor Christus beheerst door een vorm van monotheïsme waar God (al dan niet verbonden aan de zon) wordt aanbeden op hoge plaatsen waar altaren worden gebouwd. Deze hoge plaatsen zijn de burcht van God en staan (via de morfemen van zion: syym en swn) voor burcht. God is de fort of burcht van het geloof en zijn volgelingen volgen het pad naar God door het beklimmen van de berg van God. Dit is zichtbaar in een literair patroon dan duizenden keren terugkeert is de verschillende heilige boeken en liturgische werken van alle Abrahamistische geloven.

Oorsprong Abrahamistische godsdiensten: Jordanië
In de zevende en zesde eeuw voor Christus zijn er in Jordanië twee religieuze plaatsen die elkaar beconcurreren en dat later elders nog eens dunnetjes overdoen. En dat is enerzijds Umm Al-Biyara bij Petra en anderzijds as-Selah, 50 kilometer ten noorden van Petra. Beide plaatsen worden bewoond door Edomieten die hun steden bij voorkeur op hoge plaatsen bouwen, nabij de 'burcht voor God'. Beide plaatsen zijn hoog boven het omringende landschap torende plateaus omgeven door of ravijnen of steile hellingen en slechts toegankelijk door eerst een een pad door een nauwe bergkloof te volgen om vervolgens via een stijl bergpad naar het hoge plateau te klimmen. Op het hoge plateau wordt geofferd (altaar) en voeren de gelovigen rituelen uit. Het is een doorontwikkeling van of een specialisatie van het Caanaitische monotheïsme. In dit gebied worden de eerste vijf Bijbelboeken geschreven die samen de Pentateuch vormen. Het hoogtepunt van de Edomitische* beschaving liogt tussen 1200 en 539 voor Christus.

Afbeelding
Umm Al-Biyara nabij Petra, oorsprong van het Samaritaanse Jodendom.

Afbeelding
Sela of es-Selah, nabij de Dode Zee en 50 kilometer ten noorden van Petra, is de plaats van herkomst van het Jeruzalemse Jodendom.

Migratie van religieuze ideeën
Na de zevende eeuw vinden er grote veranderingen plaats. Eerst veroveren de Babyloniërs en vervolgens de Perzen de gebieden ten oosten van de Jordaan. Tegelijkertijd komt er een nieuwe immigratiestroom op gang vanuit de omliggende Arabische woestijn. De eerste Nabateense nomadische stammen vestigen zich in Transjordanië en vermengen zich met de Edomieten. Hierdoor veranderingen er een aantal zaken op religieus gebied. De belangrijkste wijziging is dat de monotheïstische verering van God op de hoge plaatsen van Umm Al-Biyara en Sela zich vermengen met de oeroude nomadische traditie van het Huis van God (de Kaba) met de aanbidding van zogenaamde staande stenen, veelal meteorieten. Naast de hoge plaatsen worden nu tempels gebouwd en deze worden al snel pelgrimsoorden. De in het Oude testament pelgrimstochten gaan of naar Sela, naar Umm Al-Biyara of naar tombes van Oud-Testamentische profeten in Jordanië, praktijken die al rond het jaar 0 worden beschreven.

In de periode dat de Nabateeërs zich definitief vestigen in Edom en hun eigen koninkrijken stichten ontstaat een nieuw migratiepatroon. De oorspronkelijke Edomieten worden of overdreven of vertrekken. De inwoners van de regio rondom Sela, hoogontwikkeld, vertrekken naar Uur-Shalem in Judea en zullen later intensieve betrekkingen met de Edomitische diaspora in Irak ontwikkelen. De Edomieten van Umm Al-Biyara, inmiddels vermengd met Nabateense migranten vertrekken naar Gerizim waar de Samaritaanse godsdienst en cultuur zal ontstaan. Andere Edomieten vestigen zich in het noorden van de Negev, rond Be'er Sheva, waar een gelijksoortige cultus ontstaat. Weer anderen trekken door naar de Sinaï en later naar Egypte waar in de vierde eeuw voor Christus een Joodse intelligentsia ontstaat.

Belangrijk: alle gemigreerde groepen hebben kennis van de Pentateuch maar verschillen uiteindelijk in de keuze hoe ze de Edomitische religieuze traditie voortzetten. De Edomitische Samaritanen in Gerizim houden het bij de Pentateuch en specialiseren zich in het ontwikkelen van een uitgebreide liturgie waarin de eenheid van God centraal staat. De Edomieten in Uur-Shalem ontwikkelen nieuwe Bijbelboeken (Qumran) en integreren later het werk van de Babylonische Edomieten zoals het boek der Psalmen waarin de plaats van oorsprong (Sela/es-Selah) 74 keer wordt geprezen. Selah refereert in het boek der Psalmen niet alleen aan een plaats maar staat ook symbolisch voor de burcht van God, het fundament van het geloof. De burcht van God stond voor deze Edomieten dus in Selah.
De Edomieten in Alexandrië vertalen de Pentateuch naar het Grieks.

Frappant is dat de rivaliteit van Edom is meegenomen naar Judea. Beide groepen claimen de plaats te zijn waar God het verbond met de mensheid sloot, Abraham zijn zoon wou offeren en waar de oorspronkelijke tempel stond. Deze controverse wordt na de eerste eeuw voor Christus steeds groter en beide groepen verketteren elkaar. In het Israël van de tweede eeuw ontbreekt elk spoort van het Jodendom op Uur-Shalem en Gerizim na. De meeste inwoners volgen nog een vorm van Caanaitisch monotheïsme en dus is er ruimte voor evangelisatie. In de loop van de volgende eeuwen neemt het aantal volgelingen dan ook snel toe en verspreiden het Edomitische idee van de eenheid van God over de Aramese en Arabische wereld.

Conclusie
De verspreiding van dit idee is dat wat later de botsing tussen de Joods-Arabische wereld en de Byzantijnse drie-eenheid veroorzaakt en zo de ruimte schept voor de profeet Mohammed om een nieuwe wereldreligie te inspireren maar zelf niet sticht. En zo hebben we een eenvoudige en begrijpelijke context die verklaart waarom de Samaritanen, Rabbinale Joden, Abrahamisten, Hanifa en christelijke Monofysieten rond het jaar 600 eendrachtig samenwerken met de Perzen om Jeruzalem in te nemen en Judea op de Byzantijnen te veroveren. Ze zijn verbonden door cultuur, etniciteit, taal en een gemeenschappelijke religieuze oorsprong. Tevens vallen kunnen verschillende wetenschappelijke patronen uit de etymologie, archeogie, demografie en theologie met elkaar worden verbonden.


Naschrift: Waarschijnlijk zijn er ook Edomieten rond de vierde eeuw voor Christus gemigreerd naar Saana, Jemen.
Naschrift: Alle religieuze tradities die niet in dit patroon passen zijn verzonnen.
Naschrift: tijdslijn en uitgebreide uitwerking in de komende maanden.

Naschrift: (in reactie op ontvangen commentaren) Ja, dit herschrijft het klassieke Jodendom maar is geen aanval daarop. Het scheelt slechts de eerste tempel en de Exodus. Daarnaast is er geen enkel bewijs archeologisch bewijs voor de meeste Oudtestamentische verhalen. Zo heeft Jeruzalem of Uur-Shalem rond de tiende eeuw helemaal geen bewoners op een paar boeren na op een berghelling. Uit gevonden correspondentie blijkt dat handelaren tribuut of belasting betalen aan een koning nabij Nabloes. In de vijfde eeuw voor Christus wonen er hoogstens 500 boeren achter een lage wel en staat op de oostelijke heuvel een kleine burcht. Er is dus helemaal geen eerste Tempelperiode in Uur-Shalem - die was in Sela, ongeveer 80 ten zuidoosten van Jeruzalem tot de zesde eeuw.

*Waarschijnlijk geen goede naam – maar voorlopig volstaat dit begrip.
Laatst gewijzigd door Wilfred op Ma Jan 23, 2017 11:13 am, 1 keer totaal gewijzigd.

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Jan 22, 2017 5:53 pm

......

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Zo Feb 19, 2017 6:14 pm

Nieuw Hoofdstuk (1) toegevoegd: De Taal van de Koran.

Om deze ontwikkelingen te kunnen begrijpen moeten we onderzoeken welke talen aan het begin van de zevende eeuw taalkundig in het Midden-Oosten worden gesproken. Op dit moment in tijd is de Levant en het Arabische schiereiland een complex mozaïek van culturen, religies en talen. Het is een wijdverbreid misverstand dat Arabieren voor de komst van de Islamitische godsdienst analfabeten waren. In de Antieke wereld was de Arabische wereld onderverdeeld in drie geografische regio's: Arabia Felix, Deserta en Petraea. Elke regio had haar eigen linguïstische en literaire traditie.

Dit nieuwe hoofdstuk is in de tweede post geplaatst.

Gebruikersavatar
Pilgrim
Berichten: 28946
Lid geworden op: Wo Jan 17, 2007 1:00 pm
Locatie: Dhimmistad

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Pilgrim » Zo Feb 19, 2017 8:42 pm

Ik zie het, maar ik zie ook twee keer een hoofdstuk 2. Dat klopt toch niet? :emm2:

Hoofdstuk 2 Koranische Geografie

Hoofdstuk 2 De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en Byzantijnse strijd tegen paganisme
De Islam is een groot gevaar!
Jezus leeft maar Mohammed is dood (en in de hel)

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Ma Feb 20, 2017 2:01 pm

Inderdaad, dat moet anders. De kans is overigens groot dat, ivm het inpassen van nieuw materiaal de indeling nog vaak zal wijzigen. We werken nu aan een nieuwe versie van 'Hoofdstuk 2' dat over een recentelijk gepubliceerd Frans onderzoek zal gaan: uit inscripties ten zuiden van Mekka blijkt dat de Hijaz in de vierde en vijfde eeuw onderdeel was van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar. Dit hoofdstuk vormt dan een logische verbinding tussen H1 en H3 en maakt de visie van Dan Brown - Mekka is Petra - in een keer onbetwistbaar.

Hoofdstuk 2: Pre-Islamitisch Hijaz was onderdeel van het Joods-Christelijke koninkrijk Himyar
Hoofdstuk 3 Koranische Geografie
Hoofdstuk 4 De aanloop: Sektarische strijd binnen het vroege Christendom en Byzantijnse strijd tegen paganisme

Aanvulling: Hoofdstuk 1, gebaseerd op een recente publicatie van Arabist Robert Kerr, is na een week al achterhaald aangezien de oudste Arabische tekst nu gedateerd is op 470, een vondst uit 2014 te Bir Hima (ergens halverwege Mekka en Najran) en is Nabateens gedecoreerd met een christelijk kruis.

Gebruikersavatar
xplosive
Berichten: 6597
Lid geworden op: Do Jun 30, 2011 11:18 pm

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor xplosive » Di Feb 21, 2017 6:45 am

Aangezien de schrijfsels in ontwikkeling zijn komt het één en ander hier op mij wat verwarrend over. Soms ook (door verkeerd gespelde woorden en weggelaten woorden) moet je soms een passage meerdere keren lezen om te kunnen begrijpen wat er staat. Soms lijken in een latere post stukken tekst uit een eerdere post herhaald te worden, hetgeen verwarring geeft over wat de meest actuele tekst (tot nu toe) is.

Hoe dan ook volg ik het hier gebodene met veel interesse, hoewel ik nog niet alles heb kunnen doorlezen, sommige delen heb ik zeer minutieus doorgelezen en andere stukken tot nu toe vrij vluchtig.

Indien gewenst kan ik eventueel vermelden wat ik tot nu toe aan (wat ik interpreteer als) verschrijvingen ben tegengekomen. Dan is het handig als onnodige herhalingen in de posts verdwijnen, want anders levert dit dubbel correctief werk op.

Wilfred schreef:Aanvulling: Hoofdstuk 1, gebaseerd op een recente publicatie van Arabist Robert Kerr, is na een week al achterhaald aangezien de oudste Arabische tekst nu gedateerd is op 470, een vondst uit 2014 te Bir Hima (ergens halverwege Mekka en Najran) en is Nabateens gedecoreerd met een christelijk kruis.

Kun je aangeven wat volgens jou de belangrijkste consequenties zijn van deze vondst (mocht het niet op een vervalsing berusten) ten opzichte van eerdere veronderstellingen of inzichten?
Gun jezelf wat je een ander toewenst     islam = de hel op aarde voor mens en dier
                                                                    koran = handboek voor criminelen
Moslimlanden bewijzen dagelijks: meer islam = meer verkrachte mensenrechten

Wilfred
Berichten: 31
Lid geworden op: Ma Okt 10, 2016 10:05 am

Re: Islam: Het verhaal van haar ontstaan en oorsprong

Berichtdoor Wilfred » Di Feb 21, 2017 2:02 pm

Dat zijn zonder meer terechte opmerkingen. Discrepanties tussen teksten worden veroorzaakt door tijdgebrek, het daardoor onvolledig harmoniseren van teksten, het hanteren van verschillende versies (web/master met voet- en eindnoten), verschillen tussen terminologie en definities in verschillende bronnen en onderlinge meningsverschillen over de volgorde van het te publiceren materiaal. Dat schept verwarring en allerlei fouten. Voorlopig is deze draad slechts een 'proeftuin' die verschillende onderzoekslijnen poogt te verbinden en anderen hiermee hoopt te inspireren.

Daarom is elke kritische beschouwing uiteraard van harte welkom. Een lijst met verschrijvingen, dubbele vermeldingen of herhalingen is zeer bruikbaar. Dus als je deze zou willen maken:gaarne!
“Kun je aangeven wat volgens jou de belangrijkste consequenties zijn van deze vondst (mocht het niet op een vervalsing berusten) ten opzichte van eerdere veronderstellingen of inzichten?”


Deze vondst indiceert dat reeds in de vijfde eeuw een proces van culturele en religieuze eenwording gaande was waarbij het Syro-Aramese schrift en monofysistische sektes stapsgewijs het Sabeaanse/Yemenitische cultuurgebied in Arabia Felix stapsgewijs verdringen of vervormen.

Deze unificatie valt logischerwijs dan overeen met de christelijke evangelisatie vanuit Najran en is het product van sluimerend Arabisch nationalisme dat reeds in de derde eeuw ontstond. Met behulp van dit model kan dan later verklaard worden hoe de Koran na codificatie zo snel kon worden gedistribueerd en dat het aannemelijk is dat het Arabische Rijk begon als stammenfederatie (zoals beschreven in het werk van Jeremy John (Archeology and the history of Early Islam: The First Seventy Years.)

http://www.krc.ox.ac.uk/Publications/Jeremy%20Johns/Johns%202003(a).pdf

De kans dat dit een vervalsing betreft is relatief klein. Zorgelijk is dat de Académie des Inscriptions et Belles-Lettres deze publicaties recentelijk van haar website heeft verwijderd. De auteurs stellen dat dit onder politieke druk van Saoedi-Arabie is gebeurd.


Terug naar “Tegenstrijdige visies over Islam”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 3 gasten